Tyson E. Lewis – Inoperative learning

Lewis probeert een onderwijs te beschrijven dat leerlingen of studenten helpt dingen te bestuderen, maar op een manier dat dit níet operationeel wordt gemaakt. Als je onderwijs operationeel maakt, dan betekent dit: dat het meetbaar wordt, dat er specifieke doelen worden bereikt, dat je datgene wat je bestudeerd kunt inzetten en gebruiken. Lewis wil dat alles niet. Natuurlijk: door onderwijs leer je wel degelijk iets, dus dat betekent dat je daarna inderdaad wel iets kunt. Maar los van de doelen die je misschien volgens het onderwijssysteem behaalt, kun je als student uiteindelijk zelf wel degelijk blijven vasthouden aan een onbepaaldheid – waarin je iets misschien soms kunt maar evengoed het ook helemaal niet kunt. Soms kan je het namelijk misschien even niet meer, of toch nog niet helemaal, of liever niet, of misschien zelfs toch helemaal niet echt. Al dat soort niet kunnen is heel belangrijk. In dat geval blijft je onafhankelijk. En dan kunnen we misschien komen tot een inoperatief onderwijs. Dat is wat Lewis hier verdedigt.

Hij legt het uit aan de hand van zwemmen, verwijzend naar Kafka, zoals Deleuze ook deed. Operationeel maken betekent volgens Lewis in het geval van een zwemmer dat je een zwemwedstrijd probeert te winnen, of dat je een diploma haalt, of dat je een duik goed uitvoert volgens bepaalde regels. Het gaat om het bereiken van iets, een imperatief (willen, iets moeten worden). En heel veel, zeker op school, is alleen nog maar in dat soort operationele manieren te begrijpen. Het neemt alles over. Alles moet maar zo worden. Lewis wil daar een alternatief voor. En dat is nog niet zo makkelijk omdat elk alternatief ook al gauw weer zelf operationeel wordt. En Lewis gelooft er dus ook niet in dat je, als je hier niet aan mee wilt doen, dan maar beter kunt stoppen met onderwijs. Hij wil niet dat we stoppen met zwemmen of dat je helemaal niet meer moet deelnemen aan dat soort wedstrijden of het halen van doelen. Volgens Lewis kan je als zwemmer ook ervoor kiezen wel degelijk te zwemmen, wedstrijden te doen, maar tegelijkertijd óók volhouden dat je níet kan zwemmen. Hoewel dat misschien raar klinkt, is dat een heel relevant en genuanceerd idee: het maakt dat je nooit bent wat je hebt geleerd, het pint je niet vast als zwemmer die bepaalde doelen kan bereiken. Het gaat om het uitstellen, omzeilen van wat hij noemt de ‘intentionaliteit’ van het behalen van meetbare doelen.

Het is wat academisch en tegelijk wat eigenzinnig betoog wat Lewis heeft geschreven om zijn standpunt uit te werken. Zijn belangrijkste verwijzing is daarbij het werk van Agamben, wat hij al eerder in een apart boek centraal had gezet. Agamben noemt het (in de vertaling die Lewis hanteert) een ‘destituent potential‘, wat hij omschrijft als een “capacity to deactivate something and render it inoperative – a power, a function, a human operation – without simply destroying it but by liberating the potentials that have remained inactive in it in order to allow a different use of them“. Alles wat wordt geleerd komt daarmee niet meteen ‘vast’ te zitten maar blijven veel opener om op mogelijk allerlei verschillende manieren te worden ingezet. Het is altijd een soort parodie, omdat het erg lijkt op het operationele leren zoals we dat kennen, maar daar eigenlijk van afwijkt en daar een variant op biedt die daar de draak mee steekt. Het is radicaal, omdat het iets fundamenteel anders voorstaat, wat ondermijnend kan werken omdat het aantoont dat de situatie niet is zoals die wordt weergegeven, zonder dat het direct in oppositie gaat tegen het operationele. Lewis noemt het ook wel ‘yielding’ (zoals North dit begrijpt: ‘to cede to a restriction by finding room within its fetters, that does not belong to it‘). Ook Benjamin is belangrijk voor zijn denken omdat deze wijst in de richting van een zelfrealisatie die gesitueerd is, altijd het doel of zichzelf ontstijgend, en nadenkt wat de opties zijn voor een meer ‘onverantwoordelijke’ en ‘afwezige’ examinator die zelfs de toets tot spel maakt. Benjamin is een groot voorbeeld voor het soort suspensie dat Lewis constant zoekt. Verder zijn Harney en Moten duidelijk een grote inspiratie geweest bij dit boek. Zij hebben het in hun Undercommons over ‘to put into play‘. Lewis neemt ook hun idee over dat we niet over onderwijs moeten denken als een investering (maar dat het gaat om een ontnemen, in het Engels ‘divestment’ in plaats van ‘investment’), wat hij koppelt aan onder andere de ‘banking’ (!) methode van Freire om zo zijn eigen uitwerking te geven. Een sterk hedendaags en prikkeld referentiekader dus voor zijn boeiende verhaal.

Lewis noemt zijn werk een ‘zwak’ soort onderwijsfilosofie die ingaat tegen meetbaarheid en evaluatie-gekte die we kennen van het onderwijs. Die ‘zwakte’ is dus noodzakelijk omdat het niet geoperationaliseerd wil zijn en dit operationele is nu juist sterk, kwantificeerbaar, effectief, meetbaar, realiseerbaar. Het past bij wat bijvoorbeeld ook Biesta voorstaat, die ook verantwoordelijk is voor de peperdure ‘Theorizing Education‘ serie waarin dit boek is opgenomen (ja belachelijk: ook dit boek kost ruim honderd euro). Lewis keert zich in het laatste hoofdstuk echter tegen de in zijn ogen nog altijd operationele opvatting van Biesta, want Biesta hangt volgens hem een zwakke vorm van operationaliteit aan, die ondanks wat Biesta betoogt juist ‘risico’ minimaliseert. Lewis neemt dus een heel eigen ‘zwakke’ positie in die meer dan bij Biesta overtuigd en die een expliciete kritiek vormt op Biestas werk.

It is my contention that a coming philosophy of education should begin with the aporia of im-potentiality. Instead of repressing its existence (as we see in even the most ardent critics of learnification), im-potentiality should be yielded to. … In this sense, the real risk … is the risk to be inoperative, to interrupt attempts to govern im-potentiality according to the virtues, the will, to command.

Dat echter ook het niet-operationele best stevig verwoord kan worden, en dus meer kan zijn dan een dergelijk academisch ‘zwak’ betoog, dat laat Moten zien in het voorwoord. Hij doet misschien niet helemaal recht aan het werk van Lewis, maar hij weet als geen ander meer radicaal en dwingend het probleem onder de aandacht te brengen: alle contradicties die de universiteit in zich had (waar kolonialisme, leningen, maatschappelijke vooruitgang, en nog veel meer bij elkaar kwamen) zijn nu volgens hem ineengestort in de levens van studenten. De studenten hebben een ondraagbare last gekregen van dit alles. In termen die doen denken aan de Situationisten, maakt hij duidelijk dat dit geen leven is voor de studenten. Dat hen het leven zelfs onmogelijk wordt gemaakt. De universtiteit is op zijn einde gekomen en zal nooit meer herrijzen. Het is een ministerie van informatie geworden. Een ministerie geschikt voor tijden van oorlog: de oorlog tegen ons. Hij schrijft dat we de speculatie van de universiteit, gericht op winstmaximalisatie, leerdoelen, credits, investering, toekomstontwikkelingen (allemaal speculatief!) moeten beantwoorden met nog meer speculatie. Speculatie van onze kant, zo wild als onze verbeelding toelaat. Zodat je je er helemaal in verliest. In een combinatie van improvisatie en verzet. Zodanig dat elke fundament steeds weer wordt uitgedaagd. Iets wat Moten telkens weer ook in zijn eigen werk probeert. Met Motens introductie wint dit boek enorm aan doortastendheid. Het zou mooi zijn als Lewis dit meer in ook zijn eigen tekst zou hebben overgenomen.

Waar dat nog het meest lukt is als hij zoekt bij Haraway en bijvoorbeeld Joy, Karavanta en ook Snaza en Weaver, die onderzoeken wat feminisme en posthumanisme te bieden hebben voor een meer queer, materialistisch, kritisch perspectief waarbij ook ‘nieuwe’ opvattingen omtrent kolonialisatie, gender en dis/ability een belangrijkerol spelen. Lewis pleit daarbij voor een (her)waardering van het ‘onmenselijke’. Iets wat hij al in zijn boek ‘Education out of bounds‘ (samen met Kahn) had uitgewerkt als ‘exopedagogy’. Hier zette hij Rousseau al aan de kant als naief en nam hij het monsterlijke van het onderwijs serieus. Nu verwoordt hij het als een oproep tot onmenselijke studie groepen. Omdat we daarmee de onmogelijkheid ervaren om de mens als onmenselijk te zien. Hopelijk kan dit worden gezien als een eerste verkenning van wat Lewis later meer gedegen gaat uitwerken in een meer toegankelijke en doortastende vorm. Het blijft namelijk behoorlijk abstract en nadenkerig. Hopelijk kan hij zijn idee (wat hij ook in dit boek oppert) dat de ruines van de school als instituut, in zijn afbraak, een prima plek is voor ‘studious play’, als een soort speelveld, waar we kunnen verdwalen (getting lost, zoals verwoord door Patti Lather) verder concretiseren. Lesgeven is voor Lewis dan een soort mime, waarbij niet zozeer iets doen, maar laten zien wat gedaan wordt. Het gaat niet om hoe of wat, maar lesgeven is laten zien dat we allemaal in staat zijn les te geven, zonder dat dit echt geactualiseerd wordt – een soort gebaren zonder conclusie, zonder eindpunt, onbepaald en toch veelzeggend. De docent als een mimespeler voor een onmenselijke studiegroep: het lijkt na het lezen van dit boek toch echt een relevant uitgangspunt voor het onderwijs om eens wat verder uit te denken, al zou je dat misschien bijvoorbaat niet verwachten.

As such, the inhuman study groep offers a strange kind of encounter: not an encounter with knowledge but with the non-knowledge of living in the open with anyone at all in an uncertain community that has no intentions and no ends beyond its own im-potential landscape.

Even gemakkelijk haalt Lewis overigens ook nog even Du Bois aan, volgt een paar pagina’s later Plato, waarna we via de eerder al genoemde Deleuze even later bij een volgende ‘interruptie’ weer bij ‘The hunger of memory’ van Richard Roderiquez en Ayers ‘To teach: the journey of a teacher‘ aanbelanden. Het zijn wel heel veel verwijzingen voor uiteindelijk toch weinig werkelijk spannende inzichten. Dit boek lijkt uiteindelijk teveel op een ‘brain dump’ van de auteur, een zoektocht naar aanknopingspunten die bij een redigeerslag, vooral ook wat betreft de lange abstracte zinnen en allegaartje van referenties, veel aan inhoudelijke kracht had kunnen winnen.

En te midden van al die referenties en inhoudelijke uitwijdingen is er eigenlijk maar een die juist compleet ontbreekt, een die juist wél centraal had kunnen staan en diepgang had kunnen geven aan wat Lewis hier beschrijft. Namelijk Baudrillard. Juist Baudrillard keerde zich misschien feller en interessanter dan wie ook tegen het operationele van onze alledaagse wereld, of (preciezer nog) tegen de overdadigheid en zelfreferentialiteit van de operaties (met name in ‘La Transparence du mal’ van 1990). Baudrillard weet namelijk de radicaliteit die zo nodig is als verweer tegen dit operationele te behouden en steeds weer in nieuwe vormen op te zoeken in zijn boeken. Baudrillard overstijgt een helder domein of ‘de onderwijsfilosofie’ om duidelijkt te maken dat juist dit operationele elk domein en elke filosofie uitholt. Hij sprak al in brede zin over de afbraak en ruines van het onderwijslandschap, en een meer ‘onmenselijk’ perspectief op mogelijk verweer of verzet! Ik raad iedereen aan om na het boek van Lewis toch vooral ook dat er nog even erbij te pakken…

Deze boekbespreking is geplaatst binnen de volgende categorieen: 2017, Agamben, Biesta, Deleuze en Guattari, Lewis, Moten, Onderwijsdoelen, Recente publicaties, Rousseau, Subversiviteit

Geef een reactie