die rotschool van U (Brief aan een Onderwijzeres)

Dit boek is bovenal een aanklacht tegen ongelijke behandeling van kinderen op school. Kinderen uit bepaalde (‘lagere’) milieus krijgen minder kansen dan hun groepsgenoten. Aanleg of belangstelling van de kinderen is uiteindelijk ondergeschikt aan afkomst en maatschappelijke positie. Misschien niet bewust, maar meer door de manier waarop school nu eenmaal werkt worden de sociale verschillen in stand gehouden. En dat is zowel zo bij een fascistische regime als bij een democratie zoals we die vandaag de dag kennen: altijd geldt dat ‘armen’ vooral in hun hachelijke positie worden gehouden en de ‘rijken’ alle mogelijkheden krijgen in alle vrijheid en met veel ondersteuning tot succesvol burger uit te groeien. Er is volgens het boek geen uiteindelijke verantwoordelijke voor deze ongelijke behandeling, het wordt niet enkel aan een bepaald soort docent toegeschreven.  De omstandigheden zijn er simpel naar dat jaar na jaar de verschillen blijven worden volgehouden in eigenlijk alle reguliere scholen bij eigenlijk alle docenten. En natuurlijk is er een groepje mannen die veel van ‘banken, industrieeen, partijen, pers en mode’ in handen hebben en die zeker hun invloed doen gelden, waarbij de politiek een sleutelrol speelt, maar het staat ook in de door iedereen gehanteerde eindtermen ingeschreven, en het gaat op basis van hele kleine dagelijkse regeltjes en ongemerkte gedragingen. Wat voor mechanismen, procedures, effecten en selecties er precies ook in het spel zijn, het bereikt steeds maar weer zijn doel. De rijkeluiszoontjes studeren door en krijgen de hoge maatschappelijke posities. En dan natuurlijk vooral de witte jongemannen.

De stellingen worden onderbouwd op basis van gegevens en statistieken van het (Italiaanse) CBS, maar het unieke aan dit boek is echter dat de gedupeerde kinderen zelf aan het woord zijn waarmee het een boek is geschreven door de mensen die het echt ervaren. Het boek is als het ware gericht aan een onderwijzeres van de ‘goede’ school die nu eens goed de waarheid wordt gezegd. En dat levert een stevig, interessant en ook vaak vermakelijk betoog op, zoals je op basis van de titel “Die rotschool van u” al kon vermoeden. Het is geschreven als onderdeel van het lesprogramma door de leerlingen van ‘De School van Barbiana’. Het was een klein privéschooltje in het gehucht Barbaria, onder leiding van Don Milani. Het was een schooltje waar leerlingen ook elkaar lesgaven, waarbij de leerlingen samen lesstof onderzochten en vergissingen konden maken, zoals het onderstaande citaat uit het boek laat zien.

De leerling is onderwijzer

Een jaar later was ik onderwijzer. Dat wil zeggen, drie halve dagen per week. Ik gaf les in aardrijkskunde, meetkunde en Frans aan de eerste klas middenschool. Om een atlas door te bladeren of om breuken uit te leggen hoef je geen doctorandus te wezen. Wat gaf het als ik me eens vergiste. Dat was een opluchting voor de jongens. Dan gingen we samen zoeken. De uren gingen voorbij zonder angst en bangmakerij. U kunt niet zo goed lesgeven als ik.

Het is soms wat stemmingmakend, maar ook ontwapenend, en daarnaast keihard. Bijvoorbeeld in termen van racisme en apartheid wordt door deze leerlingen de praktijken op de doorsnee school besproken. Het doel is om verandering teweeg te brengen, discussie aan te jagen. En dat deden ze verrassend effectief. Christoph Hahn schrijft in het voorwoord dat dit boek ‘in Italie als een schok gewerkt‘ heeft, en dat het in ‘de onderwijswereld, de studentenbeweging en binnen de vakbonden‘ een discussie op gang heeft gebracht. ‘Zo hield Italië’s grootste vakbond, de C.G.I.L., in mei 1970 een congres over het onderwijs, waar werd verkondigd dat Italië éen grote school van Don Milani moet worden‘. Het boek is in 1967 geschreven en niet lang daarna is het schooltje zelf opgeheven, maar de opzet en kritische houding omtrent ongelijke behandeling leeft voort in de ‘doposcuola beweging’, uiteraard voor de arbeidsbuurten waar evengoed de ongelijkheid direct wordt gevoeld. Oscar de Wit, Sibe Soutendijk (die later het boek ‘sociaal milieu en lesgebeuren‘ schreef over vergelijkbare thema’s) en Co van Calcar schreven een uitgebreid nawoord, waarin, op basis van Nederlandse statistieken en beleid, werd geconcludeerd dat het er hier in Nederland rond 1970 zeker niet beter aan toe was. Ze pleiten voor ‘wijkcentra waarin onderwijskundigen, schoolmaatschappelijk werkers en culturele vormingswerkers samenwerken om de ouder te betrekken bij het onderwijs en de scholen open te breken voor de ouders. Niet om de ouders te vertellen wat ze moeten doen, maar om hen te helpen bij alles wat ze willen doen en om ze te leren hoe ze dat het snelst voor elkaar kunnen krijgen bij onze zo vadsige instellingen van bestuur.‘ Paul van calcar, chris haan en sibe soutendijk leggen in het laatste hoofdstuk de nadruk op ‘het zelfstandig maken van mensen’, wat volgens hen het uiteindelijke doel zou moeten zijn van een op Barbiana gebaseerd onderwijs: direct aansluitend bij problemen en ervaringen van de groep, gericht op verbetering van de leefsituatie, gericht op de hele gemeenschap, door vrijwilligers, en vooral ook gratis – dat is het onderwijs dat zij in navolging van dit boek voorstaan. Hun ‘werkgroep democratisch onderwijs’ wil daar een begin mee maken, en hoe ze dat deden wordt in de tekst beschreven. Al deze personen waren betrokken bij wat toen wel ‘Nieuw Links‘ werd genoemd, zo zijn ze bijvoorbeeld terug te vinden in de publicatie ‘de meeste mensen willen meer‘. Ze schreven ‘dat niets onrechtvaardiger is dan ongelijken gelijk behandelen‘, wat mooi het probleem samenvat waar dit boek over gaat.

In het boekje zelf worden echter andere voorstellen tot hervorming gedaan. Vrij vertaald gaat het om: het afschaffen van het systeem van het ‘niet halen’, extra lessen voor degenen die het moeilijk vinden, en onderwijs wat direct in dienst staat van alledaagse doelen van de leerlingen. Daarbij is het zeker niet genoeg om alleen de scholen te veranderen om ongelijkheid tegen te gaan, maar dat is in ieder geval wel een belangrijke en noodzakelijke stap. Ook vandaag de dag kan het nog altijd als drie actuele voorstellen worden gelezen die nog altijd niet zijn ingewilligd. Dus ter overweging nogmaals de drie voorstellen, zoals de leerlingen van Barbaria het zelf verwoorden:

ONZE VOORSTELLEN TOT HERVORMING

Wij doen u drie voorstellen om de droom van gelijkheid uit de droomsfeer te halen.

1. Niet laten zakken.

2. Voor zogenaamde ‘kneusjes’ de hele dag onderwijs.

3. Geef die ‘lummels’ een bepaald doel. Meer hoeft niet.

En als we dit willen, als we die ongelijke behandeling echt willen veranderen, dan moet een docent wel zijn rol veranderen. Want zoals we bij het eerste voorstel zien, moeten we eigenlijk van alle proefwerken en cijferlijsten af. Die maken pas dat uiteindelijk de ongelijkheid daadwerkelijk wordt vastgelegd en tot de onwenselijke consequentie lijdt dat sommigen zakken of iets ‘niet halen’ en anderen juist hun opleiding eenvoudig behalen. Het betekent niet dat er geen verschillen meer worden geconstateerd op school. In tegendeel, het enige (!) punt waar pedagogen gelijk in hebben, is dat ze terecht aangeven dat elk kind verschilt. Alleen nemen ze dat zelf niet serieus genoeg. Die verschillen moeten nu eens niet meer selectief uitvergroot worden en bepalend zijn voor de onderwijsloopbaan, maar die verschillen zijn zo fundamenteel en veelvoudig dat het ten alle tijden tot een dynamische complexiteit leidt die nooit door eenvoudige hiërarchieën kan of moet worden gevangen. Het doet soms denken aan wat Rancière met de term emancipatie probeert te beschrijven. Het eerste voorstel tot hervorming heeft dus behoorlijke consequenties. Maar het is essentieel, want het geven van cijfers is een veel verschrikkelijkere praktijk dan het slaan met een zweep, zo wordt in dit boek verkondigd.

“Doe maar niet zo fijntjes en houdt die theorieen van de pedagogen maar voor u. Als u een zweep nodig heeft, kom ik hem wel brengen, maar blijf met uw pen van de cijferlijst. Uw pen laat een litteken na voor een heel jaar. Na een dag zie je van de zweep niets meer.”

Misschien nog grotere impact zouden de voorstellen moeten hebben op datgene waarover we eigenlijk lesgeven op scholen. Het boekje keert zich tegen de ‘hoge’ beschaving, tegen dode talen, tegen de hogere wiskunde, tegen de filosofie (en de leraar die ze allemaal langs laat komen in zijn lessen: “We zijn er nooit achter gekomen of hij ze nu allemaal belangrijk vindt, of dat niet een hem iets te vertellen heeft”). Evangelie en godsdienst moeten de plaats krijgen die hen toekomt: die moet juist wel worden bestudeerd (maar dan wel los van de religieuze kant van dat verhaal). Ook moeten kinderen les krijgen over geschiedenis en staatsburgerschap (denk aan onderwerpern als ‘hongersnood, monopolies, politieke systemen en racisme’). Dan ontstaat er misschien onderwijs dat wel gelijkheid in de hand werkt en direct als nuttig en relevant wordt ervaren (dus dat het een doel krijgt). De lesinhoud moet dus ook radicaal worden aangepast. Het wordt met hele typische en krachtige voorbeeldjes duidelijk gemaakt.

Meetkunde en sadisme

De meetkunde-opgave deed denken aan zo’n modern beeldhouwwerk op de Biennale van Venetië: ‘Een vast lichaam bestaat uit een halve bol waar een cylinder op staat waarvan de oppervlakte 3/7 is van die bol.’ Er bestaat geen meetinstrument voor oppervlakten. Het kan dus in het leven nooit voorkomen, dat je de oppervlakten kent zonder de afmetingen te weten. Zo’n opgave kan alleen uit een ziek brein voortspruiten.

Kortom, dit boek is naast een scherp en wat activistisch betoog, vooral ook een van de meest diepgravende, omvattende en relevante teksten om te lezen als het gaat om het werkelijk (dus in al zijn facetten) tegengaan van ongelijkheid in het onderwijs. Reden genoeg om het weer eens te bespreken en bediscussieren.

Deze boekbespreking is geplaatst binnen de volgende categorieen: 1967, Curriculum, Discipline, Diversiteit, Ervaring, Kinderen, Lesgeven, Onderwijsdoelen, Onderwijspraktijk, Pedagogie, Politiek en overheidsbeleid, Racisme, Rancière, Verantwoordelijkheid

Geef een reactie