Raoul Vaneigem – A letter to my children and the children of the world to come

Dit boekje is geschreven door Raoul Vaneigem, naast Guy Debord ooit een van de meest bekende situationisten. Het kan worden gelezen als een samenvatting van waar hij eigenlijk zijn hele leven al over schrijft, vanaf zijn ‘handboek voor de jonge generatie‘ dat veel werd gelezen tijdens de protesten van mei ’68 in Frankrijk. Het gaat over een soms wat poëtische maar ook duidelijk kritische en tegendraadse houding ten opzichte van alles wat de volheid van het leven beperkt. Dit boekje is echter liefdevoller en toegankelijker dan veel van zijn eerdere werk. We zijn dan nu ook ruim 50 jaar later, Vaneigem wordt op 21 maart alweer 85, en dat lees je eraan af. Zijn toon is rustiger, doordachter misschien, maar de boodschap is nog altijd vrijwel hetzelfde.

Centraal staat nog altijd het voor hem overduidelijke feit dat het dagelijkse leven en onze menselijke bewustzijn teveel zijn verstikt en verstomd. De schuld daarvan ligt bij de ‘totalitaire economische krachten’. Hebzuchtige multinationals, financiële speculaties, populisme, alom aanwezige schuld, allerlei manipulaties en machtsmisbruik, een natuur die wordt vernietigd, een religie van geld, en nu ook nog een democratisch verkozen individu met ‘alarmerende mentale tekortkomingen’ in de Verenigde Staten aan de macht: voor Vaneigem is het wel duidelijk dat er iets ontzettend mis is in de (westerse) wereld. En dan met name met het kapitalisme in al zijn vormen dat hier welig tiert wat volgens hem de grond vormt van al deze problemen. Een aantal keer beschrijft hij onze huidige beschaving als een ‘mercenary civilization’ die in het teken staat van algehele plundering. Hij denkt en wenst dat deze beschaving op zijn einde loopt. En dat betekent niet het einde van de wereld. Het betekent enkel dat er een ander soort beschaving moet ontstaan. De wereld veranderd nu eenmaal. En wij zijn onderdeel van die wereld. Het betekent dus een revolutie van het leven zoals we dat kennen (zijn eerder genoemde handboek is dan ook niet voor niets in het Engels vertaald als ‘The revolution of everyday life”). We moeten op zoek naar nieuwe levenscondities; andere dagelijkse omstandigheden realiseren.

Het kind staat centraal in dit boek. Vaneigem schrijft aan de (toekomstige) kinderen, maar het gaat ook over zijn eigen kindertijd en de manier waarop kinderen zijn opgegroeid, en wat ze moesten leren, en waarom. Hij schrijft over religie, over ideologie, over geloof, en alles wat ooit inhoud bood en richting gaf – maar wat in zijn ogen ook ondertussen leeg is geworden, inhoudsloos. Het grote probleem is dat de volle levenshouding die het kind nog kenmerkt in ons dagelijks leven is gecorrumpeerd en verstrooid. We verworden zo gemakkelijk tot een abstractie. We geloven in abstracties in de vorm van toekomstvoorspellingen, dingen als ‘vrijheid van meningsuiting’ of menselijkheid, of we nemen afstand van milieuvervuiling of xenofobia, maar tegelijkertijd draagt dit meestal alleen maar bij aan verdere oppressie en verdrukking. Het kind is daarbij ook nog de uitweg, in zekere zin. Het kind is zijn hoop, de levenskracht, het leven. Het gaat dus over het kind, het is een soort verdediging van het rijke leven van een kind.

The child is the life, the nature and the soil that engenders the human being – the living force that struggles to defeat the haughty and arid abstraction by which lived reality is trapped and gobbled up.

Vaneigem is niet op zoek naar een intellectuele hoogdravende theorie over het kind of onderwijs. Hij wil geen denken dat los staat van het leven zelf. Geen ronkend betoog met allerlei literaire trucjes. Dan zou het namelijk weer de volheid van het leven missen, dan zou het in beperkende abstracties worden bezworen. Hij schrijft misschien wel wat filosofisch en het leest dus niet zo makkelijk maar dat is alleen maar omdat we nu eenmaal voorbij de conditioneringen en dagelijkse aannames moeten zien te komen en zo tot nieuwe levenscondities kunnen proberen te geraken. Dat is in ieder geval de bedoeling. Het is daarmee altijd wat confronterend of zou dat moeten zijn. En de woorden moeten misschien even de tijd krijgen om op je in te laten werken. Dus neem de tijd voor dit boekje. Opdat het jou, en hopelijk ook het leven zoals we dat normaliter kennen, zal veranderen. Je vind dus eigenlijk geen echte onderwijsfilosofie in dit boek. Het zijn meer aanzetten tot iets anders, een reflectie, bewustwording, bevrijding, in diverse passages gegoten, met verschillende invalshoeken waar een bepaalde opdracht voor het onderwijs en opvoeding doorheen schemert.

In een ander boek, getiteld ‘Avertissement aux écoliers et lycéens‘ (wat de moeite waard zou zijn om eens in het Nederlands te vertalen!), heeft Vaneigem al meer gericht het onderwijs uitgewerkt dat daarbij hoort. Het is een onderwijs dat autonomie ondersteund en versterkt, een school van creatie en leven. Hij wil een eind aan de berispingen (een fout betekent nog geen schuld), en af van de pedagogen die maar blijven oproepen tot discipline en orde, aan de ‘castratie van het verlangen’. Hij stond een alliantie voor met het kind, in het teken van het rijke leven. In dit boek diept hij dat uit en gaat hij in op het kind in bredere zin, in relatie tot het hele leven. Op een manier waardoor het nog minder dan eerder weer zelf een soort doctrine lijkt te worden. Per hoofdstuk pakt Vaneigem een specifiek onderwerp eruit. Bijvoorbeeld een hoofdstuk over cultuur. Waar hij betoogt dat vroeger kinderen zich de cultuur eigen moesten maken om uberhaupt een plaats in de wereld te veroveren en aan het werk te kunnen, maar dat later cultuur steeds meer een wapen werd, iets wat ook verdedigd moest worden, wat verkocht kon worden, wat vervreemdend kon gaan werken, en nu dus zeer ambigu is geworden. Het is volgens hem een soort gevangenis geworden. Een culturele gevangenis die weer open moet. Vaneigem ziet in de hele maatschappij een toch uiterst begrensd en bewaakt geheel waar je maar met moeite aan kunt ontsnappen. Een mogelijke ontsnapping zit erin dan je wijs moet willen worden uit verlangen, niet om daarmee op wat voor manier ook te domineren. Dan zit je op een onderwijspad die open is en oneindig is. En juist jonge kinderen, die hebben dat diepe verlangen nog, en iedereen die nog een beetje kind is gebleven heeft dat ook. Je moet voorbij (je eigen) cultuur als afgesloten ruimte of te veroveren domein verlangen naar nog veel meer. Geen uitwisseling, niets daarvoor terug verwachten, niets meetbaars realiseren. Terug naar de aloude nieuwsgierigheid, zonder eind en zonder iets ervoor terug te vragen voor de inspanning. Een blijvend, alles richtingevend verlangen naar meer en nieuw, anders, beter: nooit tevreden, nooit begrensd, nooit afgerond, nooit klaar. En nooit voor iemand of iets anders dan je eigen verlangen.

Live as though you were never going to die, and explain yourself to nobody!

Holloway is heel blij dat hij het nawoord mag schrijven. Hij doet dit door nog even zijn eigen ideeen over de ‘cracks‘ in te voegen, Benjamins opvatting over de ‘engel van de geschiedenis’ op een rare manier te contrasteren met Janus, en nog wat van dat soort vooral onrelevante toevoegingen. De enige echte belangrijke toevoeging die hij maakt is anderen op te roepen ook eens na te denken over wat je zelf aan de kinderen van de toekomst zou willen schrijven. Docenten en onderwijzers zouden zich daartoe misschien met name aangesproken moeten voelen? Het is echt een ander soort oefening dan dat we gewend zijn, zo denkt Holloway. Want wat zou je nou in meest fundamentele zin aan de kinderen willen meegeven?

Zou je je moeten verontschuldigen voor de staat van de wereld? Zou je adviezen mee willen geven? Zou je willen wijzen op iets universeels, levendigs, waar ze ook zelf mee door willen? Vaneigem geeft een aanzet, een hele sterke ook, maar laten we ons allen afvragen wat wij eigenlijk de (toekomstige) kinderen zouden moeten zeggen, zouden moeten meegeven, als allerbelangrijkste boodschap. En misschien moeten we vervolgens daar ook eens aandacht aan besteden. Misschien is dat wat een werkelijke onderwijsfilosofie zou moeten zijn, in al zijn openheid en volheid, in al zijn diversiteit. Moet dat niet de grond vormen voor hoe en wat we in het dagelijkse onderwijs aan de kinderen vertellen? Moet dat niet het uitgangspunt zijn voor het hele onderwijs zoals we dat kennen?


Deze boekbespreking is geplaatst binnen de volgende categorieen: 1995, 2018, Beschaving, Creativiteit, Cultuur, Discipline, Kinderen, Onderwijspraktijk, Recente publicaties

Geef een reactie