Jean Baudrillard – Simulacra and simulation

Baudrillard is het meest bekend als een mediatheoreticus en filosoof, die zich bezig hield met zaken als ‘realiteit’ en ‘communicatie’. Veel wat over hem online geschreven is in het Nederlands slaat echter de plank mis: zoals de misleidende info op mens en samenleving of de eenzijdige en ongenuanceerde beschrijving op de nederlandstalige wikipedia. Voor een introductie kan je beter terecht bij Engelse pagina’s zoals die van de Stanford Encyclopedia. Daarin wordt de centrale boodschap van het hier besproken boek als volgt wordt geformuleerd: “…economics, politics, social life, and culture are all governed by the mode of simulation, whereby codes and models determine how goods are consumed and used, politics unfold, culture is produced and consumed, and everyday life is lived.” Wat op het eerste gezicht misschien een overdreven claim lijkt (je kan je afvragen: toch lang niet al dat alles is gecodeerd of gemodelleerd?) blijkt na het lezen van het boek toch wel een relevant uitgangspunt voor vandaag de dag. En op zijn minst zou je je af kunnen vragen of in het onderwijs (dan) wel genoeg wordt stilgestaan bij alle codes en modellen (regels, waarden, normen, gebruiksvoorschriften, gebruiken, voorgevormde gedachten en dromen, formats, ‘frames’, beelden, slogans, refreinen, enz) en waar die naar verwijzen of voor dienen. Baudrillard denkt dat die misschien vooral naar elkaar verwijzen, en dat er misschien niets meer buiten te vinden is. En dat heeft verstrekkende gevolgen. Zowel voor ons leven, als voor de filosofie, voor de politiek, het sociale domein, en ook bijvoorbeeld ons denken. Baudrillard heeft wel wat van Nietzsche in de manier waarop hij vrijwel alles wat we normaal vinden aan het wankelen brengt.

Ik bespaar u hier de grote filosofische reikwijdte van Baudrillards denken en de complicaties van zijn denken voor de filosofie en sociologie als vakgebied. Ik ga in op de specifieke teksten over onderwijs uit zijn waarschijnlijk bekendste boek ‘Simulacres et simulation‘ (1981) waarvan hier uit de Engelse vertaling ‘Simulacra and simulation‘ (1994) quotes zijn overgenomen. Het zijn teksten die ergens het midden houden tussen de situationistische kritieken op de universiteit en het gevoelige serieus nemen van het kind door Walter Benjamin.

Om bij de universiteit te beginnen: daar is weinig meer van over. Baudrillard ziet ruïnes, zoals ook Haworth die recent weer beschreef, maar Baudrillard is misschien nog radicaler aangezien hij in bredere zin ook andere centra van macht (o.a. de overheid) als ruïnes ziet. De ruïnes zijn bij Baudrillard alomvattend en imposant. De overheid, de universteit, macht, economie: het is voor Baudrillard allemaal helemaal niet meer functioneel, het doet er niet meer toe. De universiteit met zijn diploma’s en kennisproductie is helemaal niets meer waard. Het is een soort on-werk, wat binnen de universiteit plaatsvind. Baudrillard haalt het in zijn boek allemaal onderuit.

The university is in ruins: nonfunctional in the social arenas of the market and employment, lacking cultural substance or an end purpose of knowledge. Strictly speaking, there is no longer even any power: it is also in ruins.

We moeten volgens Baudrillard hier geen oplossing voor vinden en vooral niet iets nieuws bouwen op die puinhopen. We moeten vooral niet een nieuw ideaal zoeken voor onze universiteiten of kennisproductie. Er is echt helemaal niets te beginnen met de puinhoop!

Het geheel is volgens Baudrillard aan het rotten (hij gebruikt die term meermaals). En dat rottingsproces is waar we bij stil moeten staan. Het verrotten van de universiteit is namelijk een symbolisch mechanisme wat veel schade kan veroorzaken. En die schade is in zekere zin wenselijk. Baudrillard zoekt naar een gewelddadig, weerbarstig omkomen van de universiteit – die de maatschappij als geheel doet vallen. Baudrillard spreekt hier de taal die je kan associëren met ’68 in Parijs, maar zonder een revolutionair of utopisch ideaal aan te hangen. Het enige belang voor hem is de universiteit niet langzaam en rustig te laten afsterven, maar er een overhaast en tumultueuze ondergang van te maken. Het rottingsproces moet worden versterkt, geaccentueerd: “Only what precipitates rotting, by accentuating the parodic, simulacral side of dying games of knowledge and power, has meaning.” Geen staking of demonstratie, maar iets veel weerbarstigers en aanstekerigers.

It is necessary to transform this rotting into a violent process, into violent death, through mockery and defiance, through a multiplied simulation that would offer the ritual of the death of the university as a model of decomposition to the whole society, a contagious model of the disaffection of a whole social structure, where death would finally make its ravages, which the strike tries desperately to avert, in complicity with the system, but succeeds, on top of it all, only in transforming the university into a slow death, a delay that is not even the possible site of a subversion, of an offensive reversion.

Een staking regenereert het idee van een ideale universiteit, als een soort kritisch alternatief, als therapie. Het doet dromen van permanente en democratische kennis of begrip. Specifiek voor alles wat een retoriek hanteert van een specifiek probleem binnen het onderwijssysteem zoals we dat kennen, wat tot halt moet worden gebracht, wat vervolgens een alternatief biedt – denk aan pedagogie, aandacht voor persoonsvorming, democratie, humanisme, nieuwe leermiddelen en volgsystemen, personalisering van het leren, enz. – is strategie van het systeem zelf. Anti-pedagogie als het bewijs van zoiets als pedagogie. Alle pleidooien voor ‘subjectificatie’, bewustwording, ‘conscious raising’ ziet Baudrillard dus als in lijn met juist het systeem van ‘overproduction and regeneration of meaning and speech’.Waar we echter voor beducht moeten zijn, is dat de universiteit zijn eigen ondergang simuleert. Dat het net doet alsof. Net als de hele maatschappij, bedrijven, overheid, die ergens ervan kunnen profiteren als ze doen dat de hele politiek aan het einde komt, of de maatschappij op springen staat. Laat je niets wijs maken: dit is juist een hele slimme zet van diezelfde politiek of van die maatschappij die zo alle negativiteit en kritiek pareert.

Wat Baudrillard wil is de dingen op scherp zetten. Hij wil een symbolische aanval doen. Zo komt hij tot harde uitspraken, als ‘pedagogische incest’ als beschrijving van wat in zijn ogen de plaats inneemt kennisoverdracht. Heftiger kan je het waarschijnlijk niet vinden in de onderwijsfilosofie. Dit is misschien wel de hardste aanval op onderwijs die er maar kan bestaan. En precies dat is waar Baudrillard voor gaat, een noodzakelijk radicaal soort theoretisch offensief.

“The exchange of signs (of knowledge, of culture) in the university, between “teachers” and “taught” has for some time been nothing but a doubled collusion of bitterness and indifference (the indifference of signs that brings with it the disaffection of social and human relations), a doubled simulacrum of a psychodrama (that of demand hot with shame, presence, oedipal exchange, with pedagogical incest that strives to substitute itself for the lost exchange of work and knowlegde)”.

Baudrillard heeft als docent desondanks jarenlang voor onderwijsinstellingen gewerkt. Je vraagt je af hoe hij dit met een dergelijke visie heeft kunnen volhouden. Een hint daaromtrent geeft Donzelot in zijn voorwoord bij Baudrillards “The ecstasy of communication” die in die tijd met hem samen werkte:

… “the course that we [Baudrillard and Donzelot] gave stood out like a residual vacuole from a time when sociology  rhymed with audacity, critique and intellectual irreverence.” Sex, the social, politics? A simple rule: “I (Donzelot) dealt with the birth and he [Baudrillard] dealt with the death of each of these objects.” The birth of the modern family? The dissolution of seduction. The invention of the social? The death of the social. The end of politics. The end of disciplines: “Baudrillard practices an ironic radicalness infinitely more radical than Bourdieu & Co, precisely because he undermines his academic support.”

Een dergelijke samenwerking, en ook een dergelijk radicale ironie, is misschien niet iedereen gegeven. Gelukkig, zo zou je met Baudrillard nog kunnen stellen, hebben de kinderen (leerlingen, studenten, scholieren) de meesters van de weerstand tegen al die rottige puinhopen. Op alle niveaus weten zijn weerstand te bieden, zowel door zich te verzetten, onverschillig te doen, te ‘puberen’ en tegen de opvoeders in te gaan, als door zich op andere momenten overduidelijk ondergeschikt te maken, zich kinderlijk te gedragen, en daarmee te weigeren als verantwoordelijk persoon aangesproken te worden. Ze zoeken op twee tegengestelde maar beide noodzakelijke manieren (zowel door gericht en actief persoonlijk verzet als door kinderlijke onverantwoordelijk gedrag) een oplossing. En dat is maar goed ook, bij Baudrillards stringente blik op het onderwijs. Juist de kinderen lijken het lichtpuntje dat Baudrillard ons biedt: als voorbeeld van verzet op alle mogelijk niveaus.

Children are simultaneously required to constitute themselves as autonomous subjects, responsible, free and conscious, and to constitute themselves as submissive, inert, obedient, conforming objects. The child resists on all levels, and to contradictory demand he responds with a double strategy. To the demand of being a object, he opposes all the practices of disobedience, of revolt, of emancipation; in short, a total claim to subjecthood. To the demand of being a subject he opposes, just as obstinately, and efficaciously, an object’s resistance, that is to say, exactly the opposite: childishness, hyperconformism, total dependence, passivity, idiocy. Niether strategy has more objective value than the other. The subject-resistence is today unilaterally valorized and viewed as positive – just as in the political sphere only the practices of freedom, emancipation, expression, and the constitution of a political subject are seen as valuable and subversive. But this is to ignore the equal, a without a doubt superior, impact of all the object practices, of the renunciation of the subject position and of meaning – precisely the practices of the masses – that we bury under the derisory terms of alienation and passivity. The liberating practices respond to one of the aspects of the system, to the objects, but they do not respond at all to the other demand, that of constituting ourselves as subjects, of liberating ourselves, expressing ourselves at whatever cost, of voting, producing, deciding, speaking, participating, playing the game – a form of blackmali and ultimatum just as serious as the other, even more serious today.

Deze boekbespreking is geplaatst binnen de volgende categorieen: 1981, 1994, Benjamin, Cultuur, Diploma, Kaboem!, Onderwijsdoelen, Onderwijswoorden, Pedagogie, Persoonsvorming, Politiek en overheidsbeleid, Subversiviteit, Universiteit

2 Comments

  1. Pingback: Franco ‘Bifo’ Berardi – Futurability | onderwijs filosofie

  2. Pingback: Tom Tak – Moderne opvoeding: ‘een slecht zittend jasje’ | onderwijs filosofie

Geef een reactie