Plato – Meno

platoEen van de basisteksten over onderwijs is deze tekst van Plato. Het is een tekst waarin Meno en Socrates met elkaar in gesprek gaan over deugd. Zoals gewoonlijk bij Socrates worden er eerst talloze vragen gesteld en antwoorden beproefd voordat er een uitkomst duidelijk wordt. Juist zaken die niets met deugd van doen lijken te hebben worden erbij gehaald. Bijvoorbeeld een gedachte over een zwerm bijen. Of geometrie en ruimte en een aantal vragen over kleur. Socrates preciseert ondertussen vast wat: ‘nauwkeuriger geformuleerd is vorm dus een begrenzing van ruimte’. En wat heeft dat met deugd te maken?! Het wordt niet meteen duidelijk.

Wel komt Meno alvast met een eerste definitie van deugd, gebaseerd op de woorden van een dichter: ‘zich verheugen in het schone en het scheppen’. Meno meent dat deugd is: edele dingen nastreven en in staat zijn die te verwerven. Maar Socrates gaat hierop door en concludeert dat dit niet bevredigend is: 

Als ge daarmee instemt, dan volgt daaruit dat alles wat men met gebruikmaking van een onderdeel van deugd ook doet, deugd is. Ge hebt immers gezegd dat rechtvaardigheid en dergelijke tot de deugden behoren. Dus wat zeg ik? Op mijn dringende vraag de deugd als geheel te beschrijven, antwoordt ge helemaal niet. Ge zegt dat elke handeling deugd is, wanneer zij geschiedt met een deel van deugd, alsof ge hebt gezegd wat deugd is als een geheel en ik dat al begrepen heb en gij haar nu in delen opsplitst. Het lijkt mij dus, mijn beste Menoon, dat ge terug moet naar de vraag wat deugd is, indien elke handeling, verricht met een onderdeel van deugd, ook deugd is. Want dat wordt er gezegd, wanneer iemand beweert dat elke rechtvaardige handeling deugd is. Of denkt ge dat ge niet opnieuw met dezelfde vraag moet beginnen? Meent ge dat iemand kan weten wat een onderdeel van deugd is zonder te weten wat deugd als geheel is?

En dan blijkt dat de hele uitweiding over vorm en ruimte toch weer van pas komt. Dezelfde uitgangspunten die daar makkelijk(er) vast te stellen zijn, gelden ook bij vragen over deugd. Socrates weet zich nu te positioneren, de juiste toon is gevonden en de verhouding tussen Meno en Socrates wordt scherpgesteld. Socrates zegt:

“Kijk, ik heb er geen idee van wat deugd is en hoewel gij van te voren had kunnen weten dat ge met mij in aanraking zoudt komen, weet ge er nu evenveel van als ik, dus niets. Toch wil ik graag nog eens kijken en samen met u onderzoeken wat deugd is”

Daarbij legt hij ook meteen het probleem bloot van het type onderzoek dat ze doen – en dus van het hele vervolg van het gesprek (en elk soortgelijk gesprek).

“ziet ge dat ge een schijnbaar tegenstrijdig probleem aanroert, namelijk de onmogelijkheid voor een mens te onderzoeken wat hij weet en wat hij niet weet? Wat hij weet, zal hij immers niet onderzoeken. Hij weet het en daarom hoeft hij het niet te zoeken.”

En dat brengt eigenlijk het gesprek pas bij wat leren is en hoe dit werkt. Socrates noemt leren namelijk ‘herinneren’. Leren gaat over het herinneren van datgene wat men kan weten. Met de huisknecht van Meno wordt een experiment gedaan. De huisknecht wordt door Socrates in de war gebracht door een geometrische opgave, hij kreeg een ‘schok’ waarna hij het graag zelf wilde begrijpen. En hij blijkt dan uit zichzelf, aan de hand van vragen, eigenlijk die hele geometrische opgave te kunnen oplossen. Socrates zegt:

“ik zal hem alleen vragen stellen en hem niets onderwijzen. Waak er dus voor dat ik hem niet ga onderwijzen of hem iets uitleg in plaats van zijn mening te vragen.”

“En deze kennis hebben wij zojuist bij hem doen oprijzen, als een droom. Als wij hem echter maar vaak genoeg en op allerlei manieren dezelfde vragen stellen, dan zal hij het op den duur even precies weten als wie dan ook”

En dit brengt Socrates tot een heel kernachtig geformuleerde opdracht voor hemzelf, die hij met Meno ook met betrekking tot de deugd wil gaan uitvoeren.

“De overtuiging dat wij moeten zoeken naar wat wij niet weten, maakt ons groter, doortastender en ondernemender dan het denkbeeld dat wij niet kunnen en moeten zoeken naar wat we niet weten. En daarvoor wil ik strijden zolang ik kan, in woord en daad.

Menoon: Ook dat klinkt prachtig, Sokrates.

Sokrates: Gij zijt het dus met mij eens dat wij moeten zoeken naar wat wij niet weten. Zullen wij dan gezamenlijk proberen te onderzoeken wat deugd is?”

En nu heeft Socrates de situatie dusdanig gevormd dat hij met samen met Meno daadwerkelijk kan gaan zoeken en leren waarbij beide het niet weten en beide zoeken. En daarbij wil Meno het liefs uitgaan van de vraag die eerder aan bod is gekomen over leren en herinneren. Kan zoiets als deugd eigenlijk wel geleerd worden?

Er wordt nagedacht over mogelijke leraren van deugd. Het verschil tussen kennis en meningen wordt behandeld. En deugd blijkt vooral te maken hebben met meningen. Socrates ziet dat vooral ook bij staatslieden:

“Hiervan maken staatslieden gebruik bij het besturen van staten. In hun denken verschillen zij in niets van dichters en waarzeggers, die allerlei waarheden verkondigen, maar niets weten over hetgeen zij zeggen.

Lieden die we zojuist omschreven als zieners, orakelpriesters en dichtersvolk, kunnen we goddelijk noemen. En we kunnen zeggen dat staatslieden bezield zijn, wanneer ze door hun woorden veel grote daden verrichten, hoewel ze niet weten waaruit ze spreken.”

Deugd is dus iets goddelijks. Iets dat door goddelijke genade aan de mens wordt verleent.

In meer hedendaagse verwoording zou je de conclusie kunnen vatten door te zeggen dat voor het juiste gedrag (in brede zin, aretè) niet zozeer kennis nodig is, maar juiste opvattingen (oordelen, meningen, doxa). Dit is een afgaan op aanwijzingen van anderen maar heeft vooral ook een niet te kennen ‘inspiratie’. Het gaat niet om een ‘weten’ dat te leren is.

Socrates lijkt te zeggen dat dit alles is wat men omtrent deugd kan weten en dat is dan ook het misschien wat onbevredigende antwoord. Het antwoord wordt misschien wat rijker als je bedenkt dat eigenlijk de hele dialoog een soort antwoord is, een aanwijzing?

In ieder geval denk ik dat in dit stuk een dusdanig groot aantal (ook actuele) vragen over onderwijs en leren bij elkaar komen en aan elkaar verbonden dat deze tekst in zijn volledigheid voor ieder wel nieuwe inzichten of lessen kan opleveren. Laat staan de impact die Socrates als voorbeeld-leermeester kan hebben op elke docent en opvoeder. En niet enkel door een brave volgzaamheid met betrekking tot een veronderstelde ‘socratische methode’ die als hulpmiddel in de klas wordt gehanteerd. Socrates volgen in zijn redeneringen moet volgens mij betekenen dat men omtrent kennis, deugd en goddelijke inspiratie veel genuanceerdere en verstrekkende keuzes maakt. U kent waarschijnlijk ook de consequenties die Socrates zelf trok uit zijn eigen redenaties en het leven dat hij daardoor zou hebben, resulterend in de gifbeker?

De hele tekst is te lezen via ARS FLOREAT waar ook de quotes uit komen, die echter niet geheel foutloos is. 

De belangrijkste kritiek die ik ken op Socrates in relatie tot zijn benaderingswijze van onderwijs is te vinden bij Rancière in het ook op deze site besproken ‘de onwetende meester‘.

NB. De tekst is beschikbaar in allerlei verschillende boeken, maar vooral ook in een grote diversiteit aan boeken aangehaald of toegelicht. De afbeelding bij deze bespreking is willekeurig gekozen.

 

Deze boekbespreking is geplaatst binnen de volgende categorieen: 382 v. Chr., Leertheorie, Lesgeven, Onderwijspraktijk, Plato / Socrates

3 Comments

  1. Pingback: Greg Thompson e.a. – Deleuze. Guattari. Schizoanalysis. Education | onderwijs filosofie

  2. Pingback: Jeroen Lutters – Sprekende objecten | onderwijs filosofie

  3. Pingback: Friedrich Nietzsche – Morgenrood | onderwijs filosofie

Geef een reactie