Tyson E. Lewis – On Study

Lewis laat in dit boek zien wat het werk van Giorgio Agamben aan het denken over onderwijs kan bijdragen. Agamben is een Italiaans filosoof, sterk beïnvloed door Heidegger, Foucault en Benjamin. En ondanks dat deze drie allemaal terdege over onderwijs hebben geschreven gaat Agamben amper zelf in op het thema onderwijs. Toch ziet Lewis de mogelijkheid om Agamben direct aan onderwijszaken te koppelen. Lewis komt namelijk met de suggestie om Agambens werk rechtstreeks bij het begrip van ‘studie’ in te zetten. Agamben kan volgens hem helpen om beter te begrijpen wat studeren betekent, of sterker nog: wat studeren zou kunnen zijn.

Aanknopingspunt is daarbij het concept ‘potentie’. Potentie is belangrijk voor het onderwijs. Onderwijs moet namelijk het potentieel van de leerlingen aanspreken, zo wordt wel geschreven. Dit potentieel moet worden ingezet of benut door middel van onderwijs. Het potentieel moet geactualiseerd worden. En onderwijs kan ook helpen bepalen welk potentieel leerlingen niet hebben. Of zorgen voor meer potentie misschien zelfs.

Agamben voegt hier een optie aan toe, namelijk dat naast het wel of niet potentie actualiseren ook een potentie kan worden ‘aangehouden’. Dat de leerling de mogelijkheid heeft iets te gaan ontwikkelen of gebruiken, dat de leerling is in principe zou kunnen doen, maar dat hij besluit dit niet daadwerkelijk in te zetten of uit te voeren.

“Those who have knowledge are in potential, meaning that they equally have the capability to bring knowledge into actuality and not bring knowledge into actuality. … By conserving itself, potential remains impotential (impotenza). Im-potentiality (which indicates the symbiotic relation between potential and impotential) is not simply impotence, but is an active capability for not-doing or not-being. Agamben summarizes: im-potentiality is the ‘capability of the act in not realizing it’ and thus ‘permits human beings to accumulate and freely master their own capacities, to transform them into ‘faculties’.

Het gaat erom dat de leerling in dat geval zelf kan bepalen of hij zijn potentieel wel of niet gebruikt, of dat hij het niet in een specifieke vorm toepast. En voor Agamben is dit een noodzakelijke vrijheid die mensen gegeven zou moeten worden. Door namelijk allerlei controle en registratie wordt deze vrijheid essentieel. Het is de enige manier om nog ‘mens’ te blijven in processen waarbij je tot nummer of statistisch of abstract gegeven wordt gereduceerd; dan wel tot ondernemend ikje of generiek inzetbaar pakket van skills:  ook wel desubjectificatie genoemd. In het onderwijs, als een soort leer-apparatus, wordt deze desubjectificatie zichtbaar in onpersoonlijke data (cijfers voor proefwerken), rendementen, matrices, enz.

Het is een expliciet kritiek op de neoliberale democratie van vandaag de dag en knoopt aan bij biopolitieke vraagstukken. Lewis vat het samen met een quote van Agamben:

We can summerize Agamben’s critique of neoliberal democracy – and in turn the discourse and practice of learning in all its manifestations (from 21st century skills to the quantified self movement). The problem with neoliberalism is that ‘today’s man believes himself capable of everything, and so he repeats his jovial “no problem”, and his irresponsible “I can do it”, precisely when he should instead realize that he has been consigned in unheard of measures to forces and processes over which he has lost all control. He has become blind not to his capacities but to his incapacities, not to what he can do but to what he cannot, or can not, do.’

Volgens mij heeft Lewis hier met Agamben een zeer krachtig idee te pakken. Waar we met leren over het algemeen bedoelen dat we van een te bepalen of aangenomen begintoestand een resultaat boeken tot een zekere meetbare eindtoestand, wordt er hier van dit soort denken over leren afstand genomen. De nadruk ligt op een vermogen om te leren juist zonder tot een duidelijk resultaat of eindtoetstand te komen. Waar leren over het algemeen wordt opgevat als een weg ergens naar toe (naar mogelijkheid), vatten we hiermee de toestand onderweg samen (als vermogen) en zien we daarmee het belang van deze toestand zelf – niet als onzekere tussenstand, maar als kracht op zichzelf. En een dergelijk vermogen komen we in heel rijke teksten van bijvoorbeeld Benjamin (over het mimetisch vermogen, voor hem essentieel voor ervaring) en Heidegger (was heisst denken) als Duits woord ‘vermögen’ tegen. Lewis blijft echter dichter bij het denken van Agamben zelf.

Het onderwijs op dit vermogen inrichten, betekent volgens Agamben dat we de nadruk moeten leggen op studie, als een ‘onderwijzend uitstel’. Normaal proberen we bepaalde uitkomsten te realiseren, leerdoelen te halen. Maar nu zouden we moeten proberen niet meer te proberen. Waarbij wel of niet proberen uiteindelijk niet meer van elkaar te onderscheiden zijn.

The result is a suspension of recognizable outcomes, an interruption of measurable outputs, a neutralization of learning imperatives, an idling of determinate actions. The studier is directly exposed to his or her im-potentiality, and forgets any preexisting, determinate aims, forgets that he or she can be relied upon to perform such and such an action according to expectations. … To study is to bear whitness to the remnant of the unfulfilled. In this sense the master is always the best studier precisely because he or she rhytmically turns back to the aporia of im-potentiality as a reserve for the freedom to be ‘rather than’.

De filosofische referenties om dit verder te verduidelijken zijn voor Lewis allereerst Ranciere (nu veel kritischer aangepakt dan in Lewis’ eerder hier besproken boek), Whitehead (met name zijn ‘the aims of eduction‘), maar ook Melvilles Bartleby (als verrassend voorbeeld). Het helpt om met deze denkers verder te verduidelijken waar dit soort studie uit bestaat, wat er bij een dergelijke studie gebeurt. Melancholie, twijfel, maar ook ‘de nacht’ blijken interessante thema’s die bij studie horen. Ook weet Lewis een koppeling te maken naar andere teksten van Agamben die gaan over poezie en taal, en daarmee over ritme maar ook over betekenis, en meer specifiek over ‘signatures’ en ‘signifiers’. Het gaat hier te ver om Lewis op al deze wegen te volgen, maar het levert inspirerende inzichten en soms verbazende dwarsverbanden op.

Meer concreet wordt het als Lewis de koppeling maakt naar de directe onderwijspraktijk. Zowel qua inhoud – namelijk op basis van ‘prive collecties’ – als qua vorm – namelijk als tinkeren. Hieronder beide kort toegelicht.

Studeren kan niet in een museum of vanuit een leerboek of encyclopedie. Anders dan in dit soort overzichten of opsommingen moet worden gekozen voor een ‘prive collectie’. Iets wat duidelijk refereert naar Benjamins werk en aanpak, maar waar ook Warburg als voorbeeld dient.

Precisely because it does not afford disinterested contemplation and therefore the pretensions of universal objectivity or reasonability, the private collection offers a space and time for the de-stabilization of dominant cultural ideologies/mythologies, the cultivation of wonder/enchantment as opposed to cool, calculating curiosity and an intoxicationg auratic experience.

Dit moet resulteren in een soort anti-instrumenteel of geimproviseerde assemblage of samenstelsel. Dat is waar het onderwijs mee moet worden vorm gegeven. Juist geen publieke, algemeen geaccepteerde of door overheidswege bepaald overzicht dus. Die moet ten alle tijde worden doorbroken om studie te realiseren.

Qua vorm neemt het onderwijs dan een meer speels karakter aan. Lewis noemt het ‘studious play’. En dit is niet zozeer een synthese van spel en studie, maar eerder een productieve spanning tussen die twee. Waar een student geinspireerd raakt, twijfelt, plezier heeft, melancholisch wordt, enzovoorts: een ritmisch heen en weer bewegen tussen ondernemen en ondergaan. Het makkelijkste kan de praktijk van studeren misschien nog worden omschreven als een soort ‘tinkeren’ (als in Tyack en Cuban – tinkering toward utopia, en ook de TedX van Tulley).

Even if one tinkers in order to achieve a specific goal, what is unique about tinkering is that its meandering and its improvisational pacing push toward a goal while also delaying its eventual arrival.

Maar dan wel een tinkeren wat ook de nadruk legt op het denken zelf. Tinkeren is niet enkel met je handen wat knutselen terwijl je eigenlijk wel weet wat je uiteindelijk wil gaan maken. Nee ook met het denken zelf moet worden ‘getinkered’, met taal, met uitdrukking, enz.

Je zou je kunnen afvragen of met deze ‘studious play’ en getinker nog wel wat wordt overgedragen en of het sociale aspect van onderwijs niet wordt vergeten. Lewis adresseert deze overwegingen beide expliciet. De overdracht (van kennis, lesstof, ervaring, …) is er wel degelijk, maar de nadruk komt allereerst en voor alles op een overdracht van im-potentieel. Er is geen uiteindelijke boodschap of wet die uiteindelijk als een essentie of kern moet overkomen. En juist dat telkens weer teruggaan, uitstellen of niet behalen van een studiedoel, is precies wat vrienden samen kunnen bereiken als studerenden. Niet iedereen kan zomaar even studeren, je moet een soort leegte vinden weg van alle druk op resultaat en uitkomst, je moet elkaar daarin kunnen aanspreken en naar elkaar open stellen. Juist gezamenlijk kan die vrijheid worden gevonden: de vrijheid om de ruimte en tijd voor denken en studeren te bezetten. Iets wat Adorno en Horkheimer volgens Lewis bijvoorbeeld deden in Santa Monica zoals af te lezen is uit ‘Towards a new manifesto‘.

En een dergelijke bezetting heeft gelijk weer de politieke connotatie die ook zo goed bij het werk van Agamben past. Het lijkt misschien alsof Lewis een boek schrijft dat wegblijft bij politieke engagement. Maar met een verwijzing naar een vriend van Lewis en prachtige koppeling in het kader van dit type praktijk, McKenzie Wark, ziet hij juist in het uitstellen van een dergelijk engagement, of een politiek statement of oordeel een offensieve tactiek van subversie. Het is geen softe politiek zoals je in eerste instantie zou kunnen denken, maar militant en zonder te onderhandelen of overtuigen. Het stelt radicaal wetten uit evenals de sterke wil tot eisen en oordelen. Het is een zelfs soms gewelddadig uitstel van normen, waarden, een gewelddadigheid kortom tegen exclusieve en oppressieve maatregelen die altijd bepalen wie wel of niet potentie heeft.

Geen zwakke (‘weak’) opdracht dus voor het onderwijs, als alternatief voor de over het algemeen stevige discoursen over leren. Hoewel tinkering wel degelijk een zwak utopisch denken behelst, wil Lewis dit veel steviger op de kaart zetten dan Biesta in zijn denken over zwakke vormen van lesgeven vol met risico’s. Lewis lijkt een veel radicalere zwakte voor te staan dan Biesta, samen met Michael A. Peters editor van de serie ‘New directions in philosophy of education‘ waarbinnen dit boek is uitgebracht. Radicaler misschien net zoals hij in zijn onvolprezen bespreking van ‘The Beautiful risk of education’ schreef over het sublieme: ‘refusing divisions, hierarchies of taste, and so forth. It always offers paradoxical pleasures, conflicted emotions, potential trauma, and a kind of doubled vision where every form always already undoes itself’. Jammer dat Lewis hier verder niet op door pakt net als bijvoorbeeld bij Masschelein en Simons die ook slechts terloops worden genoemd maar interessant waren geweest gezien bespreking van studie. Wilt u een beter overzicht lees dan Reconceptualizing Study in Educational Discourse and Practice (ed. Ruitenberg, het kost je wel 116 euro!) waarin deze tegen leren gekante denkers wat meer ten opzichte van elkaar een positie innemen. Dat er allerlei dwarsverbanden mogelijk zijn en dat doordenken over een nieuwe ervaring hierbij interessant zou kunnen zijn, evenals ‘tiredness’ van Buytendijk laten alvast een aantal teksten uit ‘Ethics and Education‘ zien.

Voor een breder (onderwijs)publiek zitten er nog wel wat haakjes en ogen aan het even doorlezen van dit boek. Met de huidige prijs en vormgeving van dit boek (op dit moment 59,99 euro voor de paperback op bol.com, en zie het plaatje hierboven) is de eerste indruk niet aanlokkelijk. Daarnaast is hierboven echt nog maar de hoofdlijn besproken en is het voor een beginnende onderwijsdenker behoorlijk doorploeteren. Lewis doet dit echter met reden. Hij hoopt dat lezers met stomheid worden geslagen door de ‘enigma of education’ en alle zekerheid verliezen. Hopelijk is hierboven echter voldoende laten zien dat de inhoud een dergelijk prijs, het verliezen van alle zekerheid of dusdanig doorploeteren meer dan waard is. En dat het boek veel interessanter, uitdagender en sterker is dan wat je zou denken op basis van eerste aanzicht.

Tyson E. Lewis zou wel eens een van de meest interessante academische onderwijsdenkers van dit moment kunnen zijn. Zowel qua vorm als qua inhoud, zowel voor de interessante dwarsverbanden als voor de concrete relevantie: laten we hopen dat Lewis nog veel onderwijsfilosofie blijft bedrijven. Gelukkig geeft hij zelf aan dit graag te gaan doen: ‘As someone who must simultaneously safeguard the study time of his students while also remaining mindful of the very real pressures of the job market, the question of the ethics of study is something that continues to interest me, and I plan on thinking about this topic more in the future.’!

Deze boekbespreking is geplaatst binnen de volgende categorieen: 2016, Agamben, Benjamin, Creativiteit, Eigentijds onderwijs, Heidegger, Kennisoverdracht, Lewis, Onderwijsdoelen, Persoonsvorming, Studie

2 Comments

  1. Pingback: Giorgio Agamben – Infancy and History | onderwijs filosofie

  2. Pingback: Douglas Kellner e.a. – Marcuse’s Challenge to Education | onderwijs filosofie

Geef een reactie