Joseph Califano Jr. – The Student Revolution

De krachtige rode vuist op de voorkant is een effectief grafisch teken (aldus justseeds) wat door de studentenbeweging zelf gebruikt werd (in Harvard in ieder geval). Maar de inhoud is niet dusdanig effectief en ‘eigen’. Dit boekje geeft slechts een wat duf en academisch verslag van de ‘student revolution’ geschreven vanuit een degelijk Amerikaans overheidsperspectief. Califano reist na zijn militaire carrière vanuit de VS naar Londen, Parijs, Berlijn, Rome en Israël, evenals naar landen buiten Europa, om te begrijpen wat de studenten beweegt op die verschillende plaatsen  actie te ondernemen. Califano schrijft een makkelijk en toegankelijk overzicht en maakt daarmee in een snelle schets duidelijk wat er aan de hand is. Hij weet in een paar korte hoofdstukken de verschillen en overeenkomsten tussen de verschillende landen te duiden. En ondanks dat Califano als assistent van de Amerikaanse president natuurlijk lessen trekt uit de situatie om de onvrede onder studenten in Amerika niet uit de hand te laten lopen, lijkt hij ook met een zekere sympathie de reden voor de opstanden te beschrijven. Hij toont zich daarbij vooral bang dat een generatie verloren gaat; vervreemd van de maatschappij waar ze in opgroeien.

De gemene deler van het ‘probleem’ was aldus Califano de eis tot meer individuele vrijheid voor de jeugd in de – zoals Califano omschrijft – brute complexiteit van het hedendaagse technologische stedelijke leven. De politieke partijen wisten daarop geen adequaat antwoord te geven, de maatschappij weet er geen raad mee. De universiteiten zijn voor de jeugd uitgelezen plekken om het probleem aan de kaak te stellen: docenten kunnen eigenlijk vooral goed uit de weg met boekenwijsheid en verwachten orde van de studenten en radicale studenten doorbreken makkelijk die orde en dwingen handig individuele vrijheid af. En daarmee grijpen zij makkelijk de macht juist daar waar de jeugd alom tegenwoordig is.

Hoe het verder escaleert tot massale demonstraties, sit-ins en protesten is volgens Califano makkelijk samen te vatten:

The immediate situations that precipitate riots are remarkably similar. First, take a small group of hard-core radical students constantly probing for an issue to broaden their base of support. Second, take instant communications at least within the immediate geographic area of the incidient. Third, toss in a mistake by the established authorities.

Califano maakt daarbij de theoretische en filosofische inslag van de protestanten duidelijk. Bovenal ziet hij een anarchistische tendens, naast meer algemene referenties naar revolutionaire denkers die stelselmatig opduiken. En ziet hij een tendens bij de studenten om alles in twijfel te trekken, en algeheel scepticisme.

Radical student verbally reflect significant influence by romantic notions of Mao, Castro, Guevara, Marcuse, and – in Italy – some of the old anarchists; but the students are in a very real sense undergoing a crisis of belief. They invariably speak a Marxist jargon, but if any philosophy guides them, it is an acutely aggressive anarchism. This anarchism bears little relationship to the eighteenth-century anarchists, who pursued their cause in a nonviolent, almost academic manner.

De radicale jongeren wilden volgens Califano de vernietiging van de hele maatschappij zoals die toentertijd was.

The objectives of the radical students are extraordinarily fuzzy, but they are directed at the whole fabric of modern society, not merely at the university. In many cases, students admitted to having no immediate objective at all, except destruction. The typical radical student argument I heard scores of times ran along the following lines: “We are not sure what kind of society we want. We know that we do not like the representative democratic societies we live in, and we do not like Soviet Communism, with its inhuman control over the individual. Both are dehumanizing, and equally so.”

Califano sluit af aan het eind van het boek een uitspraak van studenten dat ‘als je niet onderdeel bent van de oplossing, dat je dan onderdeel bent van het probleem’. Califano ziet ondanks zijn wens onderdeel te zijn van de oplossing in de genoemde oplossingsrichting van de studenten niet zoveel en hij zoekt naar een andere oplossing. Hij wil vooral studenten ook op het hoogste niveau inspraak geven en niet alle jongeren maar dwingen zoveel mogelijk richting het universitaire onderwijs te laten gaan: de jongeren moeten verregaande controle krijgen over hun eigen leven. Het tekent toch wat schril af bij wat de radicale studenten zelf hopen. Maar het is bekend dat ‘inspraak’ inderdaad op veel plekken een belangrijk thema is geweest bij het indammen van de onrust en inperken van de revolutionaire geest bij studentprotesten dus Califano neemt wat dat betreft een waarschijnlijk oprecht standpunt in waarmee wel degelijk succesvol de studentenonrust kon worden bezworen. Maar het mag daarmee ook duidelijk zijn dat Califano op geen enkele manier zelf onderdeel was van de protesten of de stem van de revolutie wilde verwoorden.

Lees dit boek dan ook vooral als een gangbare manier om vanaf een afstandje, met enige sympathie maar zonder er werkelijk mee op een lijn te staan, te kijken naar de ontevredenheid van studenten in de jaren 60 en begin jaren 70, maar meer ook niet. Sympathisanten of deelnemers bij studentenprotesten vandaag de dag kunnen het lezen het om een simpel globaal overzicht te krijgen van deze voor hen inspirerende tijd, maar verder zullen ze er niets aan hebben.

Deze boekbespreking is geplaatst binnen de volgende categorieen: 1969, Demonstreren, Marcuse, Marx, Politiek en overheidsbeleid, Subversiviteit

One Comment

  1. Pingback: Jean Baudrillard – Simulacra and simulation | onderwijs filosofie

Geef een antwoord