Robert Haworth & John Elmore (ed.) – Out of the ruins

Dit boek gaat over ‘radicale informele leeromgevingen’. Binnen deze leeromgevingen is een vorm van onderwijs mogelijk zonder verplichtingen, dat niet in een curriculum te vangen is, dat geen formele setting kent, en zich niet voegt naar de dominante maatschappelijke structuren. Met filosofische, politieke, maar ook praktijkgedreven essays worden deze leeromgevingen besproken en theoretisch doordacht.

Haworth introduceert het thema door een verwijzing te maken naar punk. Net als punk zijn dit soort leeromgevingen ingebed in scenes. Net als bij punk zijn er verschillende scenes in verschillende plaatsen. En deze scenes lijken op elkaar, maar kennen affiniteiten die per plaats ook wat kunnen verschillen. Dat maakt juist ook het eigene en hechte uit van die verschillende scenes. Ook in vergelijking met punk klopt de duidelijke anarchistische tendens die ook bij deze leeromgevingen zichtbaar is. Net als bij de punk zijn de radicale leeromgevingen ingebed in krachtige maatschappelijke tegenbewegingen en stelt het ten doel te ‘de-socialiseren’. Haworth koppelt deze gedachte aan wat Kitchens gesitueerde (wat ook betekent situationistische) pedagogie noemt. Al met al geeft dat een spannend uitgangspunt, een prikkelend begin om het boek mee af te trappen. Punk-gerelateerde onderwijsfilosofie: wie had zoiets verwacht!

Het is door het hele boek heen helder dat het een behoorlijke afstand wenst te scheppen tot het reguliere onderwijs en de bijbehorende maatschappelijke en institutionele inbedding. De radicale informele leeromgevingen zijn een soort tegenpool, een compleet andere zaak dan het ouderwetse onderwijssysteem dat we kennen. Dat systeem zijn dan ook de ‘ruins’ uit de titel waar we uit moeten zien te raken. De huidige status quo van het onderwijs is dodelijk. Dodelijk voor bijvoorbeeld ‘critical agency’ zoals Elmore (onnodig complex) betoogt (overigens met opvattingen omtrent ‘democratie’ en ‘sociale gerechtigheid’ die behoorlijk mild en gedateerd klinken zeker als Fromm, Bloch of Dewey worden aangehaald). Dodelijk daarnaast misschien, aldus Gabbard in een al even onnodig complex stuk, voor betekenisvolle leerervaringen. En als iets dodelijk is dan wil je het niet verbeteren, dan wil je er vooral van weg blijven. Gabbards bespreking van Zizek en Lacan’s helpt om elke droom over het verbeteren van onderwijs tegen te gaan. De radicale informele leeromgevingen bieden geen vorm voor een innovatie van het onderwijs, ze willen ‘het’ onderwijs niet verbeteren, ze positioneren zich dwars op het bestaande onderwijs en zoeken echt andere leeromgevingen. Nu maakt de bijdrage van Dana Williams uit dit boek duidelijk dat ook in het reguliere onderwijs, vanuit het initiatief van een docent, al een wat informeler en radicalere omgeving is te realiseren. Zeker als, zoals Amstler laat zien bij het Social Science Center, het (hoger) onderwijs ook bestuurlijk meer coöperatief wordt opgezet. Maar uiteindelijk zult ook u het klaslokaal uit moeten, andere mensen moeten opzoeken, andere voorbeelden moeten uitpluizen, en de zogenaamde veiligheid van het klaslokaal moeten loslaten. Dit boek staat voor, zoals ook de mooie voorkant van het boek misschien al wel duidelijk maakt, een meer liefdevol, open en vrijzinnig onderwijs – wat zich tegelijkertijd bewust is van de problemen van de hedendaagse maatschappij en het huidige onderwijs:

“… radical informal learning would be an ongoing process and geared toward freedom, autonomy, critical reflection, and liberation rather than supporting hierarchical, authoritarian, and economically corrupt institutions and relationships. I would argue that it coincides with Freire‘s (1970) notion of radical love or what bell hooks (2004) describes as having radical openness. This would mean that we begin to develop spaces that are critically reflective, dialogical, horizontal and mutual, as opposed to anti-dialogical, vertical and hyper-individualistic.”

In beide bijdragen van Jeff Shantz over de Critical Criminology Working Group en allerhande Free School en Free University ervaringen wordt met veel knowhow en betrokkenheid beschreven hoe dat kan. Keer op keer benadrukt hij juist het al in de introductie aangestipte lokale, activistische en contextuele van deze initiatieven. Een voorbeeld zijn de specifieke anti-G8/G20 protesten (vooral Toronto) en de groepen die nog jaren daarna bijeenkwamen voor een radicaal en experimenteel soort zelfgeorganiseerd onderwijs. Het maakt Shantz uiteindelijk niet zoveel uit of dat dan vanuit een universiteitsomgeving georganiseerd wordt of dat het daar stevig buiten blijft: het gaat erom de relevante en acute maatschappelijke issues te adresseren, mensen daaromtrent samen te brengen, en weerstand te bieden. Ook Pusey heeft dergelijke ervaringen binnen de ROU en hun Space Project wat zich afspeelt in de ‘scheuren’ (verwijzend naar het werk van Holloway) van het huidige onderwijs. Maar bijvoorbeeld ook de ‘horizontale pedagogie’, zoals Wozniak en Backer die beschrijven en wat voortkomt uit de Occupy beweging, sluit hier op aan. Hun essay neemt de vorm aan van een gespreksverslag en daardoor ben je er als het ware bij wanneer de werkgroep van Occupy (de Empowerment and Education Working Group, met als subgroep de Nomadic University dat later Occupy University werd) zelf over onderwijs nadenkt. Zij benadrukken bij dergelijke samenkomsten het belang van het ‘vrij bespreken’ van relevante issues met aandacht voor wat dat met een ieder doet en hoe je gezamenlijk daar een goede vorm aan kan geven. En ook hier weer spreekt het gesitueerde en context-bewuste een uitermate grote rol: juist bijvoorbeeld midden in de Trump tower afspreken om een activistische discussie te gaan voeren. Op een andere maar vergelijkbare manier lijken Dyke en Meyerhoff van ExCo Twin Cities gebruik te willen maken van allerlei plekken in de stad op zoek naar relevante samenscholingsruimtes.

Niet zomaar ergens even gaan zitten babbelen dus, maar een radicaal soort onderwijs dat juist die plek kiest om het informele leren daar te laten aanvangen. Wat juist namelijk zo leerzaam en waardevol is voor een mens is om je horizon te verbreden en (geografisch gezien) door allerlei plaatsen en schaalgroottes heen te breken om zo verbanden zichtbaar te maken, wat Houani heel sterk theoretiseert. Dat is het dwarse onderwijsfundament wat hier centraal staat. Dat is wat onderwijs juist in die leeromgevingen kan realiseren. De negatieve connotaties bij (persoons)vorming in het reguliere onderwijs (als vorm van indoctrinatie, disciplinering, reproductie van machtsverhoudingen) zijn in dit soort leeromgevingen te vermijden. Firth en Robinson betogen in een stuk, waar Stirner op een Deleuziaanse manier wordt geïnterpreteerd, daarom voor wat zij noemen onderwijs zónder vorming. Onderwijs moet in dat geval volgens hen gaan over ‘conscious raising’, wat ze betogen met veel referenties naar werk uit de feministische ‘CR’ groepen. Ze verwijzen daarbij naar boeken uit die tijd zelf, rond 1970, zoals Allen’s ‘Free Space‘ of verschillende teksten in boeken als Feminist Revolution en Women’s liberation – waar zich dus in zekere zin een geschiedenis aftekent van dit soort buitenschoolse leergemeenschappen. Hier wordt een uiterst relevant onderwijsfilosofisch perspectief beschreven.

Juist deze leeromgevingen kunnen zich blijkens dit boek ook op een interessante manier verhouden tot technologie. Technologie moet vandaag de dag door jongeren worden verkend, zonder evenwel van die technologie afhankelijk te worden of te worden afgestompt. Jandrić en Kuzmanić denken vanuit ‘digitaal kolonialisme‘, gebaseerd op Fanon en Freire, om de verhouding te bepalen tot digitale technologie: ze spreken over de noodzakelijke de-kolonialisatie van techno-onderwijs. Ze bedoelen daarmee een radicaal kritisch perspectief  te verwoorden en hopelijk nieuwe emancipatoire activiteiten te ontwikkelen met technologie.

Het zijn misschien maar verschillende pogingen om die radicale informele leeromgevingen van een theoretisch en academisch kader te voorzien – dus het is zeker geen compleet verhaal en zoals hierboven al te lezen is behoorlijk pittig –  maar het staat vast dat hier al een uiterst veelzeggend, soms ook haast onvolgbaar maar ieder geval vrij ongebruikelijk perspectief wordt ontwikkeld op onderwijs.  Een perspectief dat met name verrast en overrompelt door de opmerkelijke diversiteit (qua achtergronden, denktranten en academische disciplines) en de duidelijk activistische insteek die de auteurs kenmerkt. Wat natuurlijk juist zo goed bij het onderwerp past.

Laat duidelijk zijn dat dit iets totaal anders is dan de voor het hippe Nederlandse publiek meer bekende meetups of het nog meer op onderwijs gerichte The Crowd: het is veel tegendraadser, politiek relevanter en activistisch – en juist daar zit de kracht.  Het boek bundelt allerlei voorbeelden waarin goed geïnformeerd en niet-regulier (academische) onderwijsprogramma’s worden vormgegeven en tegelijk op hun maatschappelijk tegenkracht worden beoordeeld en vanuit dat perspectief worden doordacht. Het doet denken aan wat in boeken als ‘Contestations‘ en ‘Politics of Study‘, of ook in het ‘The para-academic handbook‘ aan bod komt, en ook hier wordt verwezen naar boeken van bijvoorbeeld Raunig en Moten en Harney, maar de toon in ‘Out of the Ruins’ is doorleefder, diepgravender, volwassener. Zoals Jeppessen en Adamiak bespreken zijn er zoveel kaders om op te rekken: we moeten juist ook psychologische en epistemologische kaders doorheen. Andere vormen van kennis, andere vormen van zelfreflectie, andere vormen van saamhorigheid dus. Het boek leest dus als een zoektocht om dit alles op een gedegen manier te theoretiseren, aan kracht te laten winnen. En jawel: sommige van die radicale informele leeromgevingen zijn al ruim 10 jaar draaiend, al gedegen gedocumenteerd, nog altijd even kritisch en rebels, en groeiend. Ook in Nederland beginnen er al sporen zichtbaar van te worden, dus alle reden om dit fenomeen serieus te nemen als tegendraads onderwijsfenomeen!

Dit boek is vooral voor degenen die zich om wat voor redenen ook zich al op deze alternatieve onderwijspaden begeven, of die zich daarop oriënteren. Het biedt een  rijkdom aan verdere referenties om deze beweging verder van richting te voorzien. Bronnen vanuit een meer feministisch, postkoloniaal, anti-neoliberaal of traditioneel anarchistische traditie wisselen elkaar af: van bell hooks tot Graeber, van Suissa tot De Cleyre, van Proudhon tot Makarenko, van Zerzan tot Said en van McLaren tot Schiller komt langs, dus allerlei mogelijk spannends voor het onderwijsdenken is aanwezig. Een vol, moeilijk, maar ook open en vrijzinnig boek. Niet om een keer uit te lezen en weg te leggen. Het is een zeer goed gevuld boek om mee te nemen, en om je steeds verder in te verdiepen: en dan natuurlijk vooral mee te nemen bij verdere stappen in de vrije en tegendraadse onderwijspraktijk. Net als de leeromgevingen zelf  biedt dit boek ruimte voor allerlei tegengeluiden en doet het een poging om gezamenlijk relevante denkrichtingen uit te proberen.

Deze boekbespreking is geplaatst binnen de volgende categorieen: 2017, Autoriteit, bell hooks, Deleuze en Guattari, Experiment, Freire, Leeromgeving, Persoonsvorming, Recente publicaties, Subversiviteit

One Comment

  1. Pingback: Jean Baudrillard – Simulacra and simulation | onderwijs filosofie

Geef een reactie