Alex Wardrop & Deborah Withers (ed.) – The para-academic handbook

paraDit online te lezen handboek is volgens de ondertitel een ‘toolkit’ voor maken – leren – creëren – doen. Dit is een erg misleidende ondertitel. Het is geen makerspace achtig idee of creativiteitsmethode die in dit handboek wordt gegeven. Het is een bij vlagen filosofisch pittig overzicht van manieren om, voorbij het reguliere academische denken en de reguliere instituten, alternatieve gedachten en nieuwe organisaties te realiseren. Kortom, het probeert in filosofische bewoordingen te beschrijven wat je als academicus kan doen om je niet opgesloten te voelen in de begrenzenden academische wereld: hoe je een para-academicus kan worden of blijven.

De relatie tussen para-academicus en de ‘normale’ academicus? Een para-academicus ervaart een zekere weerstand tegen het ‘normale’ academische klimaat. En de weerstand die wordt gevoeld is gericht tegen een essentieel ingredient van de universiteit en academie zoals we dat nu kennen: een lineair programma en een duidelijke (inhoudelijke en bestuurlijke) kern. Dat programma en die kern moet de para-academicus volgens Gary Rolfe (van The University in Dissent, 2013) dus zien te vervangen voor een soort ‘rhizome, an underground, tangled root structure in which, as Deleuze and Guattari tell us, any point can be connected to anything other, and must be.’ De editoren Deborah Withers & Alex Wardrop blijven bij Bruce MacFarlane‘s vage ‘unbundling’ van de ‘all-round’ academicus en de ‘holistische natuur’ van een professionele identiteit die in de dagelijkse praktijk moet worden volgehouden als para-academicus. En Kokoli schrijft dat de universiteit of academie door de para-academicus op een bepaalde manier moet worden gebruikt. Met een citaat van Moten en Harney uit ‘The university and the undercommons’: ‘… one can only sneak into the university and steal what one can. To abuse its hospitality, to spite its mission, to join its refugee colony, its gypsy encampment, to be in but not of—this is the path …’. Ondanks de verschillende beschrijvingen wordt wel duidelijk dat de para-academicus niet direct tegen de universiteit is, maar probeert een zekere weerstand tegen die universiteit productief probeert te maken. En vanuit de academie of universiteit moet naar een manier worden gezocht om dit gestalte te geven. Een grote diversiteit aan schrijvers doet een poging om dat de vertellen of voorbeelden te geven van waar dat gebeurt. Of kaders te geven van wat wel of niet werkt. Zo zou daarbij bijvoorbeeld dissensus en onenigheid nodig zijn. Al met al levert het een bont geheel van meningen en stellingnames op omtrent de para-academicus, kwalitatief wisselend en ook qua overtuigingskracht divers.

De meest vruchtbare denktrant die uit het hele boek spreekt wordt hieronder samengevat. Deze denktrant leunt allereerst sterk op de bijdrage van Paul Boshears. Op een prikkelende manier weet hij een van de filosofisch vruchtbare uitleg te geven van waar het die para-academicus precies om zou moeten gaan. Juist vanuit zijn blik als sterk filosofisch aangelegde ‘para-academische’ uitgever legt hij de nadruk meer op de toevoeging die de para-academici hebben ten opzichte van de normale academicus, het extra dat dus naast specialisatie en expertise nodig is. Het para-academische omschrijft hij dan ook als een excess of uitbreiding, een surplus ten opzichte van je academische collega’s.

For Eileen Joy and Masciandaro the phrase captures the multivalent sense of something that fulfills and/or frustrates the academic from a position of intimate exteriority […] The para-academic embodies an unofficial excess or extension of the academic that helps, threatens, supports, mocks (par-ody), perfects and/or calls it into question simply by existing next to it. To their description I would like to add the concept parabole. A term within rhetoric, parabole operates in a manner not dissimilar from analogy: a transaction that enables two incommensurable items to become somehow representative of a truth.

Met Derrida, die vaker opduikt in het handboek, maakt Margaret Mayhew  in een wellicht nog interessantere tekst duidelijk wat een para-academicus dan precies moet doen. Het gaat om het doen van grenswerk, daar waar de grens in geding is, die zowel noodzakelijk is als dat hij overschreden moet worden om het hierboven gevraagde surplus te realiseren. De para-academicus is als een parergon, wat misschien in eerste instantie een surplus of supplement lijkt maar bij verder doordenken wel degelijk meer is:

According to Derrida, a parergon may appear as a supplement to a particular object, such as the frame around a painting; however, it is more than an ornamental addition and in fact is integral to how the object is itself constituted or separated from its milieu…

A parergon comes against, beside, and in addition to the ergon, the work done [fait], the fact [le fait], the work, but it does not fall to one side, it touches and cooperates within the operation from a certain outside. Neither simply outside nor simply inside. Like an accessory that one is obliged to welcome on the border, [au bord] on board [a bord. It is first of all the on (the) bo[a]rd[er] [Il est d/abord, là-bord].

Mooi dat in die zin zowel ruimte wordt gemaakt door Mayhew voor wat Moten en Harney betogen, als voor het serieus leren van de praktijken van vluchtelingen, als bijvoorbeeld de ideeën die in het werk van Bataille terug te vinden zijn. Bataille, omdat die juist de economieen van teveel, het taboo of onnodige, nutteloze, excessieve opzocht. Wie zou ooit dit soort verwijzingen verwachten voor het beschrijven van wat een (para-)academicus zou moeten doen of hoe we ons in het onderwijs zouden moeten gedragen! Mayhew laat zien dat ze wel degelijk allemaal perspectieven geven op dit gewenste grenswerk.

Mayhew inspireert daarmee hopelijk iedereen die houdt van onverwachte referenties en nieuwe inzichten. Dat is dan natuurlijk ook juist met name de doelgroep voor deze publicatie: iedereen die tegen grenzen aan loopt in het academische of universitaire milieu vanwege een nóg bredere interesse of dat onstijgende referentiekader kunnen voornamelijk bij dit handboek terecht. Iedereen die dus een para-academicus zou kunnen of willen worden. En dat zouden er best wel eens veel kunnen zijn. Zoals Withers en Wardrop iedereen willen voorhouden: je kan nog veel méér leren, maken, creëren en doen dan reguliere academici.

Juist met Kokoli komen we nog het dichtste in de buurt van een (welliswaar ook vrij filosofische interpretatie van) de ondertitel zonder dat we doorslaan in activisme tegen het academische leven (zoals de wel degelijk activistische Louise Livesey wil). Kokoli wil zeker bouwen, maken, leren, doen – op een heel eigen manier, op een eigenwijze manier, op een kleine, marginale manier, die elke interpretatie niet onmogelijk maakt maar wel probeert gelijk te stellen:

The value of the ‘minor’, of starting small and strategically remaining off-centre, has been both philosophically explored and practiced in the deployment of DIY strategies and the establishment of physical, digital and blended alternative platforms for exchange and debate, including independent publishing. In Kafka: Towards a Minor Literature, Gilles Deleuze and Félix Guattari address the resistance of Kafka’s writing to interpretation: such resistance does not present itself as semantic impenetrability but rather as an irreducible multiplicity of possible points of entry into the text, in which no one way is privileged over another. Kafka’s writing thus makes experimentation necessary for the reader, through strategies that are simultaneously political and literary or, rather, that inexorably politicise literature.

Opvallend hierbij zijn de verwijzingen naar feministische theorie en daaraan gekoppelde DIY strategieen. Dat dit para-academisch handboek niet alleen door haar bijdrage zeker ook voor de feministen interessant is wordt alleen al duidelijk uit het groot aantal vrouwelijke en vaak feministische auteurs wat eraan heeft bijgedragen ,en verwijzingen naar onder ander Boal en met name bell hooks die door hen worden aangehaald. Lena Wånggren and Maja MilatovicLaura Sterry, Emma Durden, Eliza Govender and Sertanya ReddyDr Charlotte Cooper en Eileen A. Joy zijn de meest opvallende onder hen.

Waar de theorie door deze feministen nog concreter wordt gemaakt en er verwezen wordt naar concrete projecten zoals met name ook Joyce Canaan (Acts of knowing, 2013) dat doet, begint de boven geschetste en interessante filosofische rode draad prangend te worden en moet het oordeel worden geveld. Want niet alles wat een dergelijk experiment aangaat is meteen geslaagd grenswerk. Niet ten nadele van Neary and Amsler’s interessante ‘Student as Producer’ project, maar is hun project gericht op ontdekken en doen, onderzoekend, als academische module, maar ook gelijk als in een anti-curriculum waar eigen antwoorden centraal staan en talloze ingangen mogelijk zijn wel degelijk grenswerk? Blijft het niet hangen op de limieten die de huidige universiteit geeft en de rest wordt uitgesteld tot nadere orde, omdat nu de tijd misschien nog niet rijp is? Zoals Canaan schrijft:

Neary and Amsler recognise that to succeed, the Student as Producer project ‘must exceed its own institutional and idealised form . . . [It requires that] the neoliberal university must be dissolved, and reconstituted as another form of “social knowing.”’ This clearly is not possible in the university at present, and so the project acknowledges its limits—and seeks to take it as far as possible.

Waarschijnlijk is dat het lastigste en ook interessantse van deze hele publicatie: wanneer is iets grenswerk? Wanneer worden niet enkel de grenzen opgezocht maar ook daadwerkelijk op de grens gemanouvreerd? Wanneer is deze veelheid aan interpretaties en daarmee dissensus bereikt? Talloze andere concrete projecten die in dit handboek worden beschreven kunnen op die manier worden doordacht waarbij soms ook juist de grens enkel maar wordt overschreden (de really open university bijvoorbeeld) of de grens helemaal niet wordt gehaald (talloze symposia en academische bijeenkomsten in het teken van deze grens maar nergens zelf de grens overschrijdend).

Het concrete para-academische werk blijkt uitzonderlijk. Het is uitzonderlijk omdat het gewoon nauwelijks voorkomt, nog heel nieuw is als denkrichting en ook erg complex is in de praktijk. Het is uitzonderlijk in de zin waarop (de helemaal niet in deze publicatie genoemde) Agamben in ‘homo sacer‘ over uitzonderingen spreekt, geïnspireerd op Badiou en Jean-Luc Nancy. Hij schrijft dat de uitzondering geen lid is van de verzameling (academie/universiteit) waar ze altijd al in is opgenomen. Inclusie overschrijdt het lidmaadschap. De uitzondering drukt voor een systeem de ‘onmogelijkheid uit de inclusie te laten samenvallen met het lidmaatschap, al zijn delen tot een eenheid terug te brengen’. Het sluit aan bij Fintan Neylan‘s oproep in dit handboek om de exterioriteit of ‘buiten’ van het academische te blijven benadrukken, ondanks dat binnen en buiten enkel in relatie tot elkaar kunnen worden volgehouden en ze vanuit de blik van de para-academici, op de grens van de twee, samenvallen als tegelijk binnen als buiten. Para-academici moeten, zoals Agamben in dat verband schrijft, als bandieten te werk gaan. Hun werk moet als banditisme slagen, wil het overtuigen, het werk moet ‘een relatie hebben met het ongerelateerde’, ‘op de grens blootgesteld en op het spel gezet waar leven en recht, buiten en binnen samenvallen.’ De uitzondering moet er tot regel gemaakt worden. De projecten moeten de uitzonderingstoestand tot ‘permanent ontwrichtende en verschuivende politieke structuur maken’. In die zin denk ik dat de enige kritiek op de projecten die worden genoemd of de voorbeelden die worden gegeven zou moeten zijn dat het nog niet uitzonderlijk genoeg is, of dat het uitzondering nog niet voldoende tot regel is gemaakt. Maar daar zou dit boek dan wel weer mooi aan kunnen bijdragen…!

Deze boekbespreking is geplaatst binnen de volgende categorieen: 2014, Agamben, bell hooks, Derrida, Eigentijds onderwijs, Experiment, Feminisme, Moten, Universiteit

2 Comments

  1. Pingback: Sidsel M. Hansen en Tom Vandeputte – Politics of study | onderwijs filosofie

  2. Pingback: Robert Haworth & John Elmore (ed.) – Out of the ruins | onderwijs filosofie

Geef een reactie