Max Stirner – Over schoolwetten

Stirner schrijft over schoolwetten in “Über Schulgesetze” uit 1834 (afbeelding overgenomen van zvab.com, online in het nederlands te vinden als “Over Schoolwetten”). Dat is een wat ongebruikelijk startpunt voor het nadenken over onderwijs. Wat zijn dan eigenlijk ‘schoolwetten’? Het blijkt vooral een slimme insteek om uiteindelijk een behoorlijk stevig statement te maken over onderwijs.

Stirner begint met uit te leggen wat wetten zijn. Er zijn wetten van iets, zoals zwaartekracht een natuurwet is: een wet van de natuur. Maar hij maakt al gauw duidelijk dat dit ook wetten voor iemand kunnen worden. Dat het kortom een eis wordt waar je gedwongen wordt aan te houden. Het is dan niet alleen een wet van (bijvoorbeeld de natuur) maar ook voor (bijvoorbeeld voor een bepaald persoon). Het is een subtiel verschil maar volgens Stirner heel belangrijk verschil. In het laatste geval wordt de wet een gebod en daarmee ook verbod. Dan gaat het als wet gelden voor hoe iemand zich dient te gedragen. En een dergelijke wet, die werkt als gebod en verbod, daar is Stirner kritisch over. Voor Stirner moet daar altijd iets aan te grondslag liggen, waardoor het ook echt een wet is van iets en niet alleen voor iets.

Geboden en verboden kennen we natuurlijk veel op school. Dat wijst dus op zoiets als schoolwetten. Ze horen zelfs onlosmakelijk bij een school. Maar hoe zit dat dan met de schoolwetten? Zijn dit alleen wetten voor leerlingen? Of zijn er ook wetten van een school? Wat ligt er kortom ten grondslag aan de schoolwetten? Stirner probeert het geheel van regels en wetten in de klas te ontwaren. De leraar is er voor de leerling. De leerling moet de leraar niet verstoren of ‘daar zijn eigen koppigheid en ontoegankelijkheid tegenover’ stellen. De leerling mag zich niet verzetten. De leerling moet gehoorzaam zijn. Dat zijn volgens Stirner verboden en geboden die moeten gelden om zoiets als onderwijs mogelijk te maken. Het is er inherent aan. Er volgen nog allerlei verder wetten uit, een wet van de wetenschappelijke arbeid, opmerkzaamheid, ordelijkheid, enzovoorts. Maar ook het tegengaan van schoolverzuim, het tonen van respect, ook bijvoorbeeld voor het schoolgebouw, en ga zo maar door. Stirner beschrijft dit als wetten van het onderwijs, omdat zonder dat geen onderwijs mogelijk is. Het zijn als het ware de voorwaarden voor onderwijs. En zodoende is er dus inderdaad een grondslag voor de schoolwetten gevonden.

Stirner richt zich daarbij vooral op de leerling. Want daar gaat het onderwijs op school tenslotte over. Bij de leerling zijn de wetten te vinden die uiteindelijk ook die van de leraar en de school bepalen. Het kind is volgens hem eerst nog direct betrokken bij de wereld om hem of haar heen. Later weet hij een spel te spelen. Maar al gauw ontstaat er een ‘ik’. hij noemt het ‘een noodzakelijke ontplooiing van de eerdere bewustzijnsvorm’. Zo gaat dat met alle kinderen. En tussen deze kinder-ikken ontstaan verhalen, op basis van geven en nemen, en aandacht voor elkaar. “Dus de afzonderlijke mens eigent zich, terwijl hij zich ontwikkelt, tegelijkertijd (en voor beiden activiteiten is dat een en dezelfde handeling) de inhoud van de mensheid, het zuiver menselijke toe, een zich toe-eigenen, dat, omdat het een naar binnen ontwikkelen van dat wat al eerder verworven was, een naar buiten ontwikkelen blijkt te zijn van het, in de afzonderlijke mens nog steeds sluimerende, zuiver menselijke tot een algemeen begrijpen. Deze eenheid van het zich naar binnen en buiten ontwikkelen is de vorming.” En als dit uitwisselen tussen gelijke ‘ikken’ niet meer genoeg bevredigt, dan gaat de zoektocht verder naar anderen die meer te vertellen hebben. Dan ontstaat een leerling – leraar verhouding. Als het goed is, enkel tijdelijk. Daarna wordt de zoektocht namelijk nog breder, naar wetenschap, waarheid en vrijheid. Zo beschrijft Stirner de ontwikkeling van de leerling in vogelvlucht. Een tijdelijk ondergaan van diverse wetten en aanhankelijkheid richting leraren in dienst van grotere vrije zelfbeschikking. Het maakt dat de leraar een specifieke voorbeeldrol heeft, een bepaalde logische taak heeft. Stirner maakt duidelijk dat het misschien alleen de hoofdlijnen betreft en dus verder gedetailleerd kan worden.

Stirner was (met oog op het voorgaande niet onbelangrijk) zelf ook leraar, een hele kritische ook. En deze tekst is een doctoraalscriptie, dus ook binnen/vanuit het onderwijs gerealiseerd. Het is interessant dat hij hier dus probeert te beschrijven hoe hij het onderwijs ziet. Vooral ook omdat Stirner toch vooral bekend is als een radicaal anarchistisch denker, controversieel ook. Hij had niets met alle abstracties die mensen moesten leren en die hun leven dan gaan vormgeven. Hij wilde niet de mens ondergeschikt maken aan allerlei mooie woorden of concepten. Dus ook niet aan geloof, aan idealen, aan concepten als ‘vrijheid’, ‘de maatschappij’, ‘de wetenschap’ of bijvoorbeeld zoiets als ‘gelijkheid’. Dat zijn allemaal abstracties die we soms wel kunnen gebruiken, maar die niet hoger moeten worden geacht dan jezelf. Je moet daar niet dienstbaar aan, of afhankelijk van worden, volgens Stirner. En al helemaal niet aan andere mensen die zeggen het beter te weten dan jijzelf: de machthebbers, de betweters, de meesters, de demagogen. Terwijl dat nu juist is wat op scholen altijd maar weer voorop lijkt te staan: socialisatie en ondergeschikt maken aan de maatschappelijke belangen, goed luisteren naar de docenten, enzovoorts.

De school-kwestie is voor Stirner een levenskwestie, schreef hij in Das unwahre Prinzip unserer Erziehung (in het Engels vertaald als ‘The False Principle of Our Education‘) uit 1842. Hij schetst hier een humanistische opvatting van onderwijs en zet dat tegenover een realistische opvatting van onderwijs, maar bekritiseert ze beide want “Education creates superiority and makes one a master” of dat nu een realistiche of humanistische (universele) meester is. Stirner ziet slaaf-eigenaar en ook tegelijk ook zelf slaven worden gemaakt van de meest getalenteerde mensen. We moeten de pedagogie weer in handen geven van de filosofen (zoals hij). Kennis, vrijheid, bewustzijn: dat zijn ook maar abstracties en daar moeten die filosofen geen genoegen mee nemen. Er zal een nieuwe vrijheid opstaan: de vrijheid van de wil. Een recalcitrant soort wil, vanuit jezelf, zelfbewust.“Our good background of recalcitrancy gets strongly suppressed and with it the development of knowledge to free will. The result of school life then is philistinism. Just as we found our way into and permeated everything with which we were confronted during our childhood, so we discover and conduct ourselves in later years, resign ourselves to the times, become its servants and so-called good citizens. Where then will a spirit of opposition be strengthened in place of the subservience which has been cultivated until now, where will a creative person be educated instead of a learning one, where does the teacher turn into a fellow worker, where does he recognize knowledge as turning into will, where does the free man count as a goal and not the merely educated one? Unfortunately, only in a few places yet.”

En dat maakt zijn reflectie op schoolwetten zo relevant. Het maakt het mogelijk om na te denken over een onderwijs waarbij geen abstracties of pedagogische fundamenten voorop staan, maar die juist iedereen zelf vanuit eigen (ook recalcitrante) wil en zonder onderdrukking kan deelnemen en waar slechts tijdelijk – omdat dit nu eenmaal bij onderwijs hoort – een aantal wetten gelden die buiten het onderwijs ook meteen weer vervallen. Kennis zou volgens Stirner weer simpel en direct moeten worden, en vooral ook persoonlijk en voelbaar in elke actie, voor het praktische leven. Het past bij wat Illich of de situationisten voor kritiek hadden op het schoolse onderwijs. Het is eigenlijk een fundamentele verwerping van onderwijs zoals we dat kennen. Stirner wil geen enkele onderdanigheid, geen schools gedoe dat los staat van de daadwerkelijke wil en ontwikkeling van de leerlingen.

Het mooie is dat dit als het ware wordt uitgewerkt of doorgedacht in een meer algemene filosofische radicale uitwerking die Stirner geeft in zijn meest bekende boek ‘De enige en zijn eigendom‘. In dat boek, radicaal en subversief, wordt eigenlijk elke vorm van religie, ideologie en filosofische school onderuit gehaald. Bewuste zelfcreatie staat voorop. Voor die zelfcreatie kan je misschien religieuze zaken, filosofie of ideologische opvattingen voor gebruiken, maar dan moeten ze dienstbaar zijn aan jouzelf en niet andersom. Dat is het hele punt dat Stirner steeds weer maakte en wat zovelen tegen de borst stuitte. Hij houdt namelijk vol dat er niets ‘groters’ is dan jijzelf, in die zin dat het boven je staat of je iets op zou mogen leggen. Ook niet je medemens. Het betekent niet dat je zomaar alle anderen om je heen moet negeren of je gewoon maar helemaal op basis van persoonlijke grillen moet uitleven. Dat zou ook een naïeve opvatting zijn (alsof heel asociaal leven heel prettig zou zijn, alsof die grillen alles zijn wat je in je hebt). Stirner denkt juist dat we als zelfbewuste en helemaal vanuit jezelf levende mensen pas op een echte vrij manier met anderen om kan gaan en dat ideaal wil hij proberen te verwezenlijken. Niets moet je in een hiërarchische positie ‘boven’ jezelf plaatsen, waardoor het macht over je krijgt of je in dienst stelt.

Stirner noemt dat streven, enigszins ongelukkig, egoïsme. Dat doet denken aan het ego wat gezien wordt als een onjuist ‘objectief’ zelfbeeld. Maar Stirner gebruikt het anders. Het gaat om een vrijwillig egoïsme waar geen bezetenheid of ingenomenheid in steekt. Voor hem gaat iemands egoïsme over het geheel van die persoons eigen unieke levende ervaring: uniek omdat diegene het precies is en niet iemand anders. Het unieke daarin is dus belangrijk: het is dus alles wat jij (ten opzichte van alle anderen) hebt ervaren en in jezelf hebt opgenomen. Iets wat ook nooit helemaal uit te leggen of over te brengen is, juist omdat het uniek is. Jason MQuinn schreef een goed stuk waarin hij dat met referenties naar andere filosofen en een korte biografie uitlegt. Al is er ook volgens hem geen echt goede uitleg van deze opvatting van egoïsme, juist omdat het voor iedereen uniek is. Het moet vooral ook niet als iets heiligs of mystieks worden begrepen: dan krijgt het een waarde waarmee het weer levens kan overheersen. Bij elke les, opvatting, mening, zouden we onszelf moeten afvragen of het ons als uniek iemand sterker maakt of verder helpt als uniek persoon zonder dat er iets anders verveners of hogers wordt voorgehouden. En dat zou iedereen moeten doen. Zelfs ‘mens-wording’ of persoonsvorming, ‘volwassenheid’ of ‘menselijkheid’ of ‘goede manieren’ of ‘welzijn’ of ‘algemeen belang’ of wat dan ook aanhangt is niet waar het Stirner om gaat: dat zijn toch weer idealen of abstracties waar we afhankelijk van worden gemaakt – hij kiest radicaal voor datgene wat iedereen uniek maakt.

Zelfs vrijheid, in liberale zin, of in een vorm van socialisme, bevalt hem helemaal niet, dan gaat het namelijk enkel om concurrentie, ‘vrije gedachten’ of een nieuw soort staat die dat gaat bewaken of toestaan. Stirner was sterk tegen elke vorm van overheid of staat gekeerd, maar resoluut voor ieders eigen volle vrijheid van zichzelf. “Ik zal de vijand zijn van elke hogere macht” schreef hij. En ook wil hij dat soort egoïsme niet alleen in het weekend, of in de speeltuin waar je lekker uit mag razen. Dat is allemaal te beperkt. Hij wil geen vrijheid zoals je vrij kan zijn van hoofdpijn, maar volmaakte vrijheid, vrijheid van iedereens unieke eigenheid. Een implosie van allerlei maatschappelijke visies, speculaties, alle onzin van economische motieven, pedagogie, of abstracte levensvisies. Alles wordt met de grond gelijk gemaakt bij Stirner, of beter: hij roept op om daar helemaal aan voorbij te gaan en je niets van aan te trekken en gewoon je eigen gang te gaan. Ook aan het politiegezag of een wet moet je je niet onderwerpen. Recht bestaat niet buiten jezelf, je bepaalt zelf wat rechtvaardig is. Buiten mijzelf bestaat geen recht, schrijft Stirner. En ook misdaad (in algemene maatschappelijke zin) bestaat niet (want daarmee erken je een wet of bepaalde opgelegde regels). Alle voorrechten en privileges vallen ineen als we niet meer gehoorzamen. En dat is maar goed ook, dan zijn we al die onzin en opsmuk ten minste kwijt. Anton Constandse schreef in 1976: “Volgens het geldende recht is eigendom (ding, dier, mens) datgene, waanidee men naar goeddunken kan handelen, dat men volkomen in zijn macht heeft, en dat door de staat, door geweld wordt beschermd. Van zulk een eigendom wil Stirner niets weten. Slechts wat in mijn eigen, individuele macht is behoort me toe. Aldus maak ik mezelf tot waarde. In het huidige bestel is dit niet mogelijk.” Stirner heeft ook punten waarop hij lijkt door te slaan in een wel heel Hegeliaans denken waarbij de ontwikkeling van de geest in de wereld en in de persoon specifieke fasen doorlopen. En waarbij hij uiterst dubieuze uitspraken doet over het ‘uit- en afwerken’ van ‘onze aangeboren negerachtigheid’. Wat zijn invloed aangaat heeft men hem vooral vergeleken met Nietzsche (Bauer vormt een duidelijke link tussen deze denkers). Maar de verschillen tussen Stirner en Nietzsche zijn toch ook groot. “Stirner roept arbeiders op, een verbond van egoïsten te vormen, samen te weigeren de arbeid te verkopen tegen te lage prijs, zonodig te nemen wat er nodig is. Nietzsche is een aristocraat, die de kleine mens veracht ‘met wie het lot hem tijdgenoot heeft gemaakt’, de mens die tot ondergang zou zijn gedoemd, omdat hij slechts de overgang kan zijn tot een hogere soort, de Uebermensch.” Aldus wederom Constandse. Geen revolutie, want dat geeft alleen een nieuwe inrichting. Stirner wil iedereen oproepen tot een (Individuele, maar uiteindelijk veelomvattende) opstand: tegen elke inrichting. En dus ook tegen school als inrichting.

Recent schreef Ruth Kinna in ‘The Government of no one’ omtrent Stirners opvatting over onderwijs:

“The general critique of education that Stirner’s argument supports is that the conflict between the elitist advancement of learning and the egalitarian impulse for universal education results in the ruin of education and the manintenance of knowledge hierarchies. … Learners are induced to learn what is regarded to be valuable or useful and denied the latitude that elites traditionally enjoyed to engage creatively with the full range of social and cultural influences they encounter. … Mass education was used to counter the spread of revolutionary doctrines and in the process it became a colonizing, replressive instrument. Since the nineteenth century, anarchists have argued that state regulation of education enables governments to mould or set curricula, select and enforce languages of instruction, reinforce patriarchy through gendered training programmes and build allegiance to manufactured national cultures.”

Stirner schrijft het behoorlijk kernachtig: ‘Een mens is tot niets “geroepen” en heeft geen “opdracht”, geen “bestemming”, zo min als een plant of dier een “roeping” heeft.’ Het gaat enkel om wat eigen gemaakt kan worden. En hoe ik dat doe volgt uit hoe ik ben en valt daar dus ook onder. Net als bijvoorbeeld mannelijkheid of vrouwelijkheid: het zijn eigenschappen die je niet moeten overheersen, je maakt het je eigen, je bent er zelf de uniek concrete geval van, of afwijking bij. En zo ook liefde moet geen gebod zijn. Offer jezelf niet aan de hartstochten. Ik hou van iedereen omdat dit mij gelukkig maakt – zo zegt Stirner. Het is echt een uitgangspunt wat je op vanalles kan toepassen: werk, sport, seksualiteit, medische zorg, noem het maar op. En in al die domeinen is het een radicaal maar ook behoorlijk genuanceerde stellingname die wellicht eerst wat kort door de bocht lijkt maar – wanneer je dit uitgangspunt je eigen maakt – geen makkelijk of onzinnig uitgangspunt vormt. En zo ook voor onderwijs.

Stirner is dus tegen het onderwijs zoals we dat kennen, tegen onderwerping aan schoolwetten, tegen een abstract verhaal over leren of opvoeding of wat dan ook. Maar niet tegen onderwijs of tegen bepaalde wetten. Die schoolwetten: je kan ze (tijdelijk) in acht nemen, omdat dit onderwijs mogelijk maakt, en omdat onderwijs iets is waar je – voor jezelf – zeker wat aan kan hebben. Stirner roept iedereen op om zelf de macht te krijgen over je eigen gedachten, over je eigendom, over je onderwijs. En er is eigenlijk niemand naast Stirner die dat meer resoluut of alomvattend heeft gedaan. Volgens Stirner bezit je zelf de macht om te pakken en gebruiken wat je wil, en dat is je eigendom. Je kan een boom vellen of het fruit plukken, en juist die macht, dat is je eigendom, en niet de boom zelf. Zo ook in het onderwijs: je hebt de macht om zelf te pakken en gebruiken wat je wilt. Neem waar je je sterk genoeg voor voelt. Neem wat je nodig hebt. En daarmee zal je de schoolwetten (tijdelijk) moeten respecteren. Om geen andere reden dan dat je onderwijs wilt. Pak wat je nodig hebt, haal eruit wat voor jou van belang is. Het enige waar je ontwikkeling op gericht zou moeten zijn is jezelf: “Niet als mens en niet de mens ontwikkel ik, maar als ik ontwikkel ik – mijzelf.”

Deze boekbespreking is geplaatst binnen de volgende categorieen: 1834, Autodidact, Autoriteit, Beschaving, Creativiteit, Cultuur, Diversiteit, Ervaring, Kaboem!, Nietzsche, Ontscholen, Pedagogie, Persoonsvorming, Politiek en overheidsbeleid, Subversiviteit

Geef een antwoord