Joep Dohmen – Levenskunst op school

Geschreven door: Jelle Verwer / @vogelvrij

Begin dit jaar publiceerde de Vereniging voor Bijzondere Scholen een essay van filosoof Joep Dohmen getiteld ‘Levenskunst op school. Essay over een andere cultuur van omgaan met jezelf en anderen‘. Het essay is te downloaden via de site van de VBS.

Als het onderwijs een gebouw zou zijn, zou je Joep Dohmen kunnen zien als iemand die de architecten probeert te inspireren op een andere manier te gaan bouwen. In zijn essay zet hij uiteen waarom de huidige manier van bouwen niet meer voldoet. Zijn doel is niet zozeer dat architecten in het onderwijs andere bouwmaterialen gaan verwerken in hun ontwerpen, maar eerder dat er een nieuwe, betere manier van bouwen ontstaat. Jammer dat het hem uiteindelijk aan ambitie ontbreekt.

§1. Een cultuurfilosofische analyse: het dictaat van het marktdenken

De huidige Westerse cultuur komt er bij Joep Dohmen niet al te best vanaf. In de inleiding beschrijft hij ‘hoe de traditionele programma’s van morele educatie (lees: verbetering) vervangen zijn door het dictaat van de markt, door hedonisme en consumentisme, en dat alles geleid door de neoliberale ideologie van vrijheid, blijheid.’

Dohmen lijkt te suggereren dat het vroeger beter was en dat er meer aandacht werd besteed aan morele vorming, maar blijft daar gelukkig niet steken. Hij constateert dat de wereld in razend tempo is veranderd, dat verbanden zijn verdwenen, rechten zijn verworven en ideologieën zijn geslecht. Dit alles heeft echter zijn prijs. Doordat vrijheid steeds meer werd beschouwd als afwijzing van iedere vorm van inmenging, in zowel het publieke als het privé domein, ontstond een problematisch relativisme met als adagium: anything goes.

“Jongeren kampen tegenwoordig met totaal andere vragen dan vroeger.”

Hierna beschrijft Dohmen, wat mij betreft, de meest interessante wending. Hij constateert dat er vanuit die vrijheid een maatschappij is ontstaan waarin mensen systematisch geïndividualiseerd worden en elk individu van overheidswege geacht wordt een eigen levensstijl te voeren. Jongeren kampen tegenwoordig met totaal andere vragen dan vroeger. Het gaat niet meer zozeer om wie er bevrijd moet worden van het juk van zijn onderdrukker, maar veeleer om vragen als: wie ben ik? Wat is mijn herkomst? Wat wil ik zijn en hoe moet ik mijn bestaan vormgeven?

§2. Het leven van jongeren anno 2013

Het leven van jongeren is een stuk complexer geworden, zo constateert Dohmen. Dit komt omdat jongeren tegenwoordig – en je bent ondertussen jongere tot ruim in de twintig – voor een aantal nieuwe dilemma’s staan. De wereld is sterker geïndividualiseerd, waardoor jongeren steeds duidelijker verantwoordelijk zijn voor hun eigen keuzes. Dohmen noemt dit de keuzebiografie. De jongere heeft een veel duidelijker rol in het vormgeven van zijn leven en de leefwereld van de jongere is veel ruimer geworden. Alsof dat nog niet genoeg is signaleert Dohmen ook nog een verregaande informalisering, dominantie van de populaire cultuur en zwakkere verbindingen door de vele sociale netwerken.

Al deze eisen zijn niet zonder gevaar, stelt Dohmen. Doordat de druk op jongeren steeds groter wordt ontstaat het risico van ‘biografische ineenstorting’. Het is het neoliberale gedachtegoed ten voeten uit. Als individu ben je verantwoordelijk voor je eigen succes, maar de keerzijde daarvan betekent automatisch dat falen ook volledig aan jezelf te wijten is. De reactie die hierop volgt is momenteel dat mensen zichzelf uit bescherming nog belangrijker maken, het zogenaamde ‘dikke ik’. Dit is verkeerd, stelt Dohmen en hij pleit dan ook voor een tegencultuur, een cultuur waarin zelfontplooiing en morele verbetering de ruimte krijgen.

§3. Het belang van een cultuur van de levenskunst

Dohmen verstaat onder levenskunst ‘een actuele moraal die zeer goed aansluit, kritisch en positief, bij de huidige individualisering.’ Omdat dit wel erg vaag is geeft hij vervolgens nog een aantal uitwerkingen, waaronder:

• Levenskunst is het vermogen om in voor- en tegenspoed van het leven te blijven genieten;
• De kunst van het overleven. Overleven gaat niet alleen over de dood, maar ook over volhouden, uithouden, verdragen, zegt Dohmen;
• We kunnen ook denken aan morele helden. Levenskunst verwijst dan naar de verbinding van je eigen leven met dat van anderen. Je leven daadwerkelijk inzetten voor de gemeenschap is een toonbeeld van morele levenskunst;
• Het vermogen om alles uit het leven te halen wat erin zit.

Uiteindelijk vat Dohmen het samen als: ‘Levenskunst gaat over vormgeven. Ze is de kunst om aan je leven een bepaalde, liefst geslaagde vorm te geven.’ Dit thema is, volgens Dohmen, nauw verbonden aan het wezen van de filosofie.

Hoewel Dohmen uitvoerig over levenskunst schrijft en de term ook in de titel van zijn essay terug te vinden is, besluit hij halverwege dat deze term toch niet duidelijk de lading dekt van wat hij wil zeggen. Met behulp van Socrates, Michel Foucault en Wittgenstein zegt Dohmen dat levenskunst ons eigenlijk de verkeerde kant op stuurt. Hij introduceert de term zelfzorg. Dat is namelijk de taak die voor ons ligt, besluit hij. Het is een voortdurende poging om, zonder in narcisme te vervallen, voor onszelf te zorgen. Om op die manier ook voor anderen te kunnen zorgen.

Dohmen gebruikt de rest van zijn ruimte om verschillende aspecten van zelfzorg uit te werken, met onder andere aandacht voor zelfkennis, het ontwikkelen van goede gewoontes en morele oriëntatie. Dit laatste vindt is in essentie een vorm van (leren) omgaan met eindigheid. In het essay zelf zijn deze verschillende punten verder uitgewerkt en hoewel de uitwerkingen moeite van het lezen waard zijn, volsta ik er hier mee dat Dohmen met deze verschillende aspecten een tegencultuur voorstelt. Een tegencultuur die volgens hem krachtig genoeg is om voorbij te gaan aan het platte hedonisme dat onze huidige cultuur bedreigt.

§4. De crisis voorbij

In het vierde en laatste deel van zijn essay bespreekt Dohmen de crisis in het onderwijs en de betekenis van levenskunst/zelfzorg bij het bestrijden van deze crisis. De crisis in het onderwijs komt er in het kort op neer dat studenten meer en meer klaargestoomd worden volgens de regels van de markt. Het onderwijs staat in dienst van de economie, in plaats van de democratie en dat is een probleem. Dit deel van de tekst heeft Dohmen eigenlijk volledig overgenomen van Martha Nussbaum, die deze problemen in haar eigen tekst Niet voor de Winst heeft geconstateerd. Dohmen pleit met Nussbaum voor een socratische pedagogiek en een eigen sensibiliteit, waarin empathie en mededogen centrale aspecten zijn.

Hoewel Nussbaum de crisis grotendeels situeert in het hoger onderwijs vindt Dohmen dat levenskunst/zelfzorg niet pas daar moet beginnen. Hij heeft ontdekt dat juist bij adolescenten belangrijke thema’s en motieven van het goede leven voor het eerst aan de orde komen.

Door inzicht te krijgen in die thema’s en motieven krijgen adolescenten meer vat op hun leven. Ze zijn dan beter in staat om zichzelf en het leven te begrijpen en om hun eigen biografie vorm te geven. Dit is een fundamenteel punt omdat verhalen volgens Dohmen een geneeskrachtige werking hebben. Hij zegt: ‘Het statische verhaal legt vast, er zit geen schot in het leven, het verdriet blijft en het trauma heelt niet. Het dynamische verhaal trekt vlot, opdat de toekomst het verleden weer goedmaakt.’

Nu beseft Dohmen dat er nog altijd geen garantie bestaat, ook met alle voorgestelde wijze lessen, dat het leven langs het meest ideale pad zal verlopen. Aan pijn, lijden en het noodlot valt immers niet te ontkomen. Ook hier leent Dohmen weer het gedachtegoed van Martha Nussbaum.

(Nussbaum heeft namelijk uitgebreid geschreven over het noodlot en de rol van mededogen. Zij acht deze emotie fundamenteel voor een gezonde democratie. Door hier aandacht aan te besteden leren jongeren dat het noodlot onontkoombaar is. Levenskunst is dus ook jezelf leren verhouden tot het noodlot.)

§5. Waar Dohmen ambitie mist

In de conclusie stelt Dohmen dat het niet nodig is om van levenskunst een vak op school te maken. De cultuur van het zelf zou veeleer deel uit moeten gaan maken van de missie van het voortgezet onderwijs. ‘Ik denk dat de meeste docenten dit heel goed begrijpen en hun eigen lessen, geïnspireerd door aspecten uit het levenskunst programma dat ik zojuist heb geschetst, met veel vrucht en plezier kunnen geven. Dat is pas echt ‘genieten’’, zo stelt hij in de laatste paragraaf.

Dat is misschien wel het enige, maar daarom niet minder fundamentele, punt waarop ik het oneens ben met Dohmen. In de eerste plaats omdat hij hier het belang van zijn tegencultuur, volgens mij, teveel mee relativeert. De analyse over de toestand van de huidige maatschappij is stevig. Dohmen geeft in eerste instantie heldere, overtuigende kaders tegen deze situatie, maar lijkt te eindigen met het door hem zo gehate anything goes. Een aparte positie voor levenskunst zou verhelderend kunnen werken.

Ten tweede denk ik dat levenskunst interessant en belangrijk genoeg is om er wel degelijk een vak van te maken. Een vak dat niet alleen een plek heeft in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs, maar ook op alle lerarenopleidingen. Dohmen werkt in zijn tekst al een groot aantal peilers van zijn programma uit. Hij hoeft vervolgens niet zelf op de stoel van de architect te gaan zitten en het curriculum tot in detail uit te werken, al kan dat natuurlijk prima. Maar er moet in ieder geval iemand zijn die deze taak op zich neemt.

Het komt er, in mijn visie, op neer dat Dohmen in te grote stappen denkt. Ja, als de cultuuromslag eenmaal heeft plaatsgevonden, dan heeft levenskunst zijn plek gevonden in alle vakken op school. Dan zit levenskunst in het dna van de school, zoals het dan in het dna van de maatschappij zit. Om daar te komen zou het vak levenskunst (of zelfzorg) echter eerst een plaats moeten krijgen in het curriculum. Kortom, Dohmen mist ambitie en lijkt een te losse opvatting van cultuurverandering te veronderstellen.

Dohmens ideeën zijn belangrijk en goed doordacht, maar ergens ook aan de veilige kant. Door te kiezen voor levenskunst als vak krijgt Dohmens pleidooi meer urgentie. Het is volgens mij ook niet toevallig dat Dohmen uitvoerig citeert en samenvat uit het werk van Martha Nussbaum. Ook over haar werk wordt nog wel eens gezegd dat het belang groot is, maar dat het weinig controversieel is. Nu wil ik niet beweren dat filosofische essays altijd weerstand of controverse moeten oproepen, maar de kritische lezer kan het moeilijk oneens zijn met het pleidooi van Dohmen. Over de analyse van de huidige maatschappelijke toestand is discussie mogelijk, maar zelfzorg, mededogen, goede gewoontes ontwikkelen en morele oriëntatie zijn aspecten die op ieders instemming kunnen rekenen.

De vraag die bij mij blijft hangen is of deze belangrijke punten voldoende mensen in beweging zullen brengen om de gewenste cultuuromslag te bewerkstelligen. Ik hoop het van harte, want uiteindelijk heeft Dohmen gelijk dat het huidige onderwijs te weinig aandacht besteed aan deze grote vragen. Want, zoals John Hattie stelt:

‘The development of common curricula, the evidence about approriate ordering for teaching the curricula, and most importantly the debates about desirable curricula in a democratic society are often presumed to be answered by (…) more test-outcome-based questions, rather than based on a debate about what is worth preserving in our society, and what is worth knowing in order to live the desired ‘good life’.

Jelle Verwer
Reageren kan hieronder, via @vogelvrij of via info@jelleverwer.nl

Biografie

Jelle Verwer is directeur en docent op De Bontekoe, de Nederlandse school in Kuala Lumpur, Maleisië. Eerder gaf hij les in Amsterdam en Hoorn. Hij studeerde tevens theaterwetenschappen waarbij hij afstudeerde op een scriptie getiteld ‘Het Goede Leven: Ethiek in het theater‘. Hiervoor verdiepte hij zich in het onderwerp morele vorming bij onder meer Martha Nussbaum

Deze boekbespreking is geplaatst binnen de volgende categorieen: 2013, Cultuur, Eigentijds onderwijs, Foucault, Plato / Socrates, Wittgenstein

Geef een reactie