Susan Neiman – Waarom zou je volwassen worden?

neimanDeze recensie is geschreven door pedagoog Joop Berding, onderzoeker bij het Kenniscentrum Talentontwikkeling en hogeschooldocent Instituut voor de Sociale Opleidingen van de Hogeschool Rotterdam. Hij is via twitter te volgen via @joopberding

In het boek vindt een filosofische denkexercitie plaats aan de hand van enkele klassieke denkers, waaronder Kant, Rousseau en Arendt. De kernboodschap van het boek is: wees volwassen! Laat als volwassene de kinderlijkheid die bij de kindertijd hoort achter je en ‘neem’ de volwassenheid ‘op’. Neiman laat zien dat deze redelijk gemakkelijke slogan nogal bemoeilijkt wordt door wat zij beschouwt als de totale infantilisering van de huidige maatschappij. De door neoliberaal marktdenken aangedreven productie- en consumptieprocessen lijken nog maar tot een ding in staat: zo veel mogelijk rotzooi op die markt gooien opdat ‘burgers’ in het verbruik daarvan het hoogste geluk ervaren. Voordat het lijkt alsof Neiman niet meer doet dan de vigerende kritiek op het aanzien van onze huidige samenleving weer eens herhalen: ze oriënteert zich (ook) diepgaand op de filosofische en pedagogische implicaties hiervan, gaat terug naar de bronnen van het denken hierover en legt daarmee een eigen accent. Hoe gaat ze te werk?

Het boek is opgebouwd in vier delen, vooraf gegaan door een inleiding. In de Inleiding zet Neiman direct de thematiek neer: hoe ontsnappen we aan de berusting dat ons leven ons ontglipt? Kants reconstructie van de rede voltrekt zich in drie trappen, van kindertijd naar volwassenheid maar is van een banale braafheid, geen aantrekkelijk of aansprekend ideaal. Toch maakt Kant het belang van moed duidelijk, deze is zelfs nog belangrijker dan kennis. Dankzij moed kunnen we inderdaad ontsnappen aan de ‘gelatenheid’. Kant zelf had dankzij diens honkvastheid overigens weinig empirische kennis en tot in onze tijd is wat we ‘netto’ opsteken van reizen niet zo bar veel. (Wat het internet te bieden heeft, vat Neiman niet op als ‘echte’ kennis.) De inleiding wordt afgerond met de constatering dat het beeld dat je jeugd de gelukkigste tijd is, veel jongeren op de (angstige) gedachte brengt hoe erg de volwassenheid dan wel niet zal zijn.

Hoofdstuk 1, ‘Historische achtergrond’, bouwt voor een deel voort op eerder werk van Neiman over de Verlichting, maar ze begint met een bespreking van werk van Ariès en Mead over de kindertijd. Daarna doet ze weer een stap terug om zich over Kants idee van Verlichting als volwassenwording te buigen. De weg daarna toe, opvoeding en onderwijs, is de moeilijkste die bestaat (p. 37). In onze tijd, zo betoogt Neiman, is volwassen zijn en handelen moeilijker dan ooit omdat alle belangrijke beslissingen over ons leven door anderen worden genomen. Tegen de Verlichting worden heden ten dage veel argumenten ingebracht zoals een vermeend eurocentrisme die Neiman stuk voor stuk ontkracht. Overeind blijft de mogelijkheid van de Verlichting om (krachtige) ideeën over het goede, het ware en het schone te ontwikkelen. Er is, zo concludeert Neiman, ‘geen betere optie’ (p. 47). Dat gezegd zijnde en wetende dat voor Kant Rousseau dé grote inspiratiebron was, bespreekt ze hierna in extenso diens Emile. Ze concludeert dat echte vrijheid bestaat in het meester zijn over je hele leven. Dat is iets anders dan je laten meeslepen door je wensen. De wereld waarin Emile leeft is een totaal gecontroleerde wereld: de opvoeder bezit de almacht van een godheid (p. 70). Echt goed voorbereid op de ‘boze’ buitenwereld was Emile ook niet, zegt Neiman. Hem rest niets dan de ‘hulpeloze verbijstering’ van een Peter Pan (p. 75).

Hiermee slaat Neiman een brug naar hoofdstuk 2 waarin ze de ontwikkeling van kind tot adolescent beschrijft, vooral aan de hand van Erikson en wederom Kant. Maar ze start vanuit Arendts idee van nataliteit dat volgens Neiman al zichtbaar is bij heel kleine kinderen. In deze fase van ons leven zijn we echter wel zeer afhankelijk van anderen. Een aantal empirische studies afgewisseld met eigen rake observaties passeert de revue. Haar conclusie is dat waar het jonge kinderen betreft de wereld en ‘ik’ maar ten dele op elkaar aansluiten. Kinderen ontdekken dat de wereld anders is dan hij zou moeten zijn, denk maar eens aan ‘rechtvaardigheid’ (zoals Neiman aan een klassieke casus van Plato laat zien; p. 91). Weer terug bij Kant zien we dat voor hem de overstap van dogma en zekerheid naar scepsis de volwassenwording markeert. Voor David Hume echter behoort het ‘behoren’ niet tot de wereld. Daarmee formuleerde hij het bekende is-ought probleem. Op een tamelijk ontnuchterende manier maakte Hume duidelijk dat ons leven zich vooral via en dankzij routines voltrekt: gewoonte is een betere raadgever dan de empirie of de rede. (Meer dan 150 jaar later zal John Dewey hem dit nazeggen.) Enfin, zegt Neiman, op een gegeven moment kom je er wel achter dat dit niet jouw wereld is maar tegelijk: je hebt alleen maar deze (p. 105). Opnieuw puttend uit Kant houdt Neiman (toch) een pleidooi voor de rede en de regulatieve principes die daaruit voortkomen. Dat is een machtig wapen tegen infantilisering (p. 116).

Het derde hoofdstuk gaat over ‘volwassen worden’ en Neiman constateert dat het in evenwicht brengen van zijn en behoren een permanente opgave is en dat daarom nooit een einde aan het opgroeien komt. Deze ‘taak’ kent als onderdelen het reizen, het naar school gaan en het werken. Na het bekende citaat van Arendt over opvoeding en de verantwoordelijkheid voor de wereld, bespreekt Neiman het onderwijs. Opnieuw duikt ze in de geschiedenis (Basedows filantropie, Kants lezingen) en onderstreept het belang van brede vorming (p. 133). Hierna volgt een betoog over het belang van reizen voor de volwassenwording, eigenlijk al een oud (klassiek) idee. Maar volgens Neiman ontaardt het in infantilisering (in de zin van ‘toerisme’) waarna ze een filippica houdt tegen het moderne massatoerisme. Op een ontwikkelende manier reizen is echter mogelijk en ze geeft een aantal aanbevelingen. Het derde aspect is het werk. De vertaling vliegt hier helaas uit de bocht: Neiman oriënteert zich hier op Arendts bekende onderscheid tussen arbeiden, werken en handelen en waar in de vertaling werken staat had arbeiden moeten staan.

Aan de hand van Arendts Vita activa gaat Neiman in op dit onderscheid en laat zien wat werk (in de zin van ambacht) voor Rousseau’s Emile betekende. In onze tijd is werken overschaduwd door commercie en reclame en bovendien veel zwaarder geworden. Volgens Neiman leven we in een geperverteerde consumptie-economie en symptomatisch daarvoor is de ‘geplande veroudering’ (p. 162) van gebruiksvoorwerpen. We zijn ver af van het idee dat we werken omdat we een ‘handtekening’ willen zetten, een spoor nalaten op de wereld (p. 165). Het voorzien in het levensonderhoud is geheel dominant geworden: het neoliberalisme, waarover ik in de inleiding al schreef heeft absolutistische trekken gekregen. Het is volgens Neiman geen toeval dat religieus fundamentalisme opkwam toen marktfundamentalisme de dominante ideologie werd. Ze sluit deze maatschappij- en ideologiekritiek af met de stelling dat onze huidige leefomgeving ongeschikt is voor wie volwassen wil zijn.

Het laatste hoofdstuk met als titel de titel van het boek geeft direct het antwoord: omdat het moeilijker is dan je denkt. Anders gezegd: stel je open voor weerstand. Volwassenheid wordt zelden als positief en nastrevenswaardig geformuleerd. Volwassen (willen) worden betekent opboksen tegen infantiliserende krachten (p. 173) en regelmatig terugvallen. Toch blijkt dat mensen gelukkiger worden naarmate de tijd verstrijkt. (Misschien heeft dat te maken met het verdringen of wegzakken van onaangename herinneringen of te wel ‘de tijd heelt alle wonden’.) Neiman maakt opnieuw gebruik van Kant, met name diens kritiek van het oordeelsvermogen dat hij, net als Arendt, zag als de brug tussen denken en handelen.

De kern is: je kunt je geest verruimen (p. 187), weliswaar niet door het oordeelsvermogen onderwezen te krijgen maar door het oefenen. Het ouder worden biedt de mogelijkheden – tijdens reizen, op school en op het werk – om de benodigde ervaringen op te doen. Uiteindelijk is de bedoeling zelf te denken, zoals Kants maxime luidde. De ouderdom als levensfase staat echter maatschappelijk gezien niet in een gunstig daglicht (denk aan ‘oudjes’; ‘ouwe knarren’, enz.) en alles wordt alleen maar ‘minder’. In haar conclusies benadrukt Neiman vooral dat het aandacht geven aan een kwestie als ‘waarom zou je volwassen worden’ belangrijker is dan het uiteindelijke antwoord. Ze constateert dat er veel krachten zijn die volwassenwording tegenwerken – en dat we daarin mee gaan. Om daar tegenin te gaan vereist moed en het boek sluit af met de oproep daartoe.

Van de boeken die Neiman tot nu toe schreef, waarvan eerdere, ook in het Nederlands vertaald, gingen over het kwaad en over morele helderheid, is dit het meest toegankelijke. Ze hanteert een losse stijl, geeft veel concrete voorbeelden en gebruikt zo nu en dan aanstekelijke ‘tongue in cheek’-humor. Toch verhult dit niet dat haar project weliswaar primair filosofisch is maar dat de bandbreedte van de door haar geconsulteerde filosofen nogal beperkt is: Kant, Rousseau, Hume en Arendt. De geschiedenis van de filosofie is uiteraard veel rijker en met name recente en contemporaine filosofie komen er bekaaid af. Het lijkt erop als Neiman vooral probeert de Verlichting – die overigens (ook) een pedagogisch project is – te redden. Daar is op zich ook wel alle aanleiding toe. De zogenaamde rationaliteit van de markt is een wolf in schaapskleren, zoals Neiman overtuigend laat zien. Binnen een dergelijke ideologie is volwassenheid eigenlijk geen betekenisvol concept en al helemaal geen aantrekkelijk ideaal, anders dan de voortzetting van kinderlijke consumptie. Wat in het betoog van Neiman echter hier en daar stoort is dat ze uitweidt en daarbij de rode draad – de prikkelende vraag in de titel – uit het oog verliest.

Een tweede kritiekpunt is dat op een aantal plaatsen empirie en filosofie door elkaar lopen. Zo is de beschrijving van de stand van zaken in het huidige onderwijs empirisch gezien nogal onder de maat maar krijgt wel een sterk filosofische lading.

Dat brengt me bij een derde kritiekpunt. Sinds mensenheugenis zijn filosofie, politiek en pedagogiek verknoopt (van Plato’s Staat tot en met Biesta’s Het prachtige risico …) maar in het denken over opvoeding en volwassenheid moet meer gebeuren dan beschrijven wat filosofen over deze zaken dachten. De pedagogiek (opvoedingstheorie of –filosofie) ontbreekt eigenlijk in deze beschouwing, anders dan in de vorm van ‘toegepaste filosofie’. Voor pedagogen en professionals zoals leraren die in een dagelijkse praktijk met kinderen en jongeren werken, formuleert Neiman maar weinig inspirerende vergezichten of praktische handelingssuggesties. Dat maakt dat het boek weliswaar de vorm heeft van toegepaste filosofie maar qua toepasbaarheid in een pedagogische context eigenlijk te kort schiet. Daar staat tegenover dat dit boek blijk geeft van een interesse in en een gedetailleerde lezing van ‘klassieke’ bronnen en dat is ook een waarde in zichzelf, in een tijd en een praktijk die vaak volledig lijkt te zijn afgesneden van deze bronnen. Het is de verdienste van Neiman dat ze deze weer op de kaart zet. Ten slotte zij opgemerkt dat een van de belangrijkste actoren in het boek, Arendt, ontbreekt in het register; foei Ambo/Anthos!

Deze boekbespreking is geplaatst binnen de volgende categorieen: 2014, Arendt, Berding, Kant, Kinderen, Pedagogie, Politiek en overheidsbeleid, Rousseau

One Comment

  1. Pingback: Gert Biesta – The rediscovery of teaching | onderwijs filosofie

Geef een antwoord