Friedrich Nietzsche – Morgenrood

Nietzsche schreef terugblikkend op zijn leven over Morgenrood: ‘met dit boek begint mijn veldtocht tegen de moraal’. Meerdere boeken zouden nog volgen die gangbare moraal en ethiek ondergroeven, met name ‘Voorbij goed en kwaad’ en ‘De genealogie van de moraal’. Alle zedelijkheid, de zogenaamde ‘goede opvoeding’, allerlei vormen van ‘goed doen’ (zeker de Christelijke!), inclusief alles waarmee dit gefundeerd wordt – dat alles wordt in deze boeken door Nietzsche helemaal afgebroken. Nietzsche gaat op zoek naar de fundamenten en probeert die aan alle kanten onderuit te halen. Na het lezen van dit boek valt daarom haast niet meer te beroepen op enige algemeen geldige moraal. Men zou niet (meer) moeten geloven in alle gebruikelijke vooroordelen en gedachtespinsels die men doorgaans gebruikt om iemand anders te vertellen hoe iets moet.

En dat is wel een uitdaging voor het onderwijs te noemen. Alle ethiek wordt ondergraven, weg dus met alle gangbare moraliteit en ethische richtlijnen! Weg met al het geredeneer in oorzaak en effect van ons handelen. Weg met het denken van ons dat ons verleidt tot schuld geven, straf, minderwaardigheid en berisping. Weg ook met geneuzel over deugden, klassieke vorming, inwijding in het leven! In talloze aforismen neemt Nietzsche stelling tegen dit alles, waarvan er hieronder een aantal zijn opgenomen.

195 De zogenaamde klassieke opvoeding. – […] En nu, bij een terugblik op de weg des levens, eveneens ontdekken dat er iets niet meer goed te maken valt: de verspilling van onze jeugd, toen onze opvoeder die weetgierige, vurige en dorstige jaren niet gebruikten om ons binnen te leiden in de kennis van de dingen, maar in de zogenaamde ‘klassieke opvoeding’! De verspilling van onze jeugd, toen men ons even onhandig als treiterend een gebrekkig weten omtrent Grieken en Romeinen en hun talen bijbracht, en wel tegen de eerste stelregel van alle vorming in: dat men slechts hem, die ernaar hongert, spijs moet geven! Toen men ons wiskunde en natuurkunde op agressieve wijze opdrong, in plaats van ons eerst tot de wanhoop van de onwetendheid te brengen en ons kleine dagelijkse leven, onze bezigheden en alles wat ertussen morgen en avond in huis, in de werkplaats, aan de hemel, in het landschap gebeurt in duizenden problemen uiteen te leggen, pijnigende, beschamende, uitdagende problemen, – om onze begeerte vervolgens te tonen dat wij vóór alles kennis van de wiskunde en van de mechanica nodig hebben, en ons dan de eerste wetenschappelijke verrukking over de absolute consequentie van dit weten bij te brengen! […] Dit is niet meer goed te maken – aan ons! Maar laten we niet alleen aan onszelf denken!

Van dit alles afstand nemen: dat wil niet zeggen dat we ons keren naar irrationaliteit, dat we beter maar kunnen ophouden met al het redelijke gedrag, of dat alle opvoeding en onderwijs moet stoppen. We moeten juíst redelijk worden, nóg redelijker wellicht. We moeten eerder niet te makkelijk voor makkelijke (morele) denkbeelden vallen.

Onder die makkelijke denkbeelden valt bijvoorbeeld het altruïsme. Beroep je alsjeblieft niet op een medemenselijkheid, medelijden of meevoelen met de ander: dat is je reinste onzin en het is allemaal evengoed egoïstisch te noemen vanuit andere redenatie. Te makkelijke denkbeelden zijn ook civilisatie, beschaafdheid, rechtvaardigheid, menselijkheid, matiging, dapperheid, intelligentie, en volwassenheid: uiteindelijk zijn dit allesbehalve goede gronden om onderwijs of opvoeding op te bouwen. Zelfs je meest intieme gevoel of het meest hardnekkige geloof is gewoon aangeleerd en dus echt niet iets om uiteindelijk op te vertrouwen. Nietzsche ondergraaft als geen ander kortom stuk voor stuk alle mogelijke gronden voor ethiek, moraal en ‘goed’ handelen. Zelfs een poging onszelf als ‘subject’ in de ‘wereld’ te doorgronden zou Nietzsche verfoeien: we kennen onszelf nauwelijks en de wereld die we kennen is slechts datgene wat onze organen waarnemen: ‘de gewoonten van onze zinnen hebben ons ingesponnen in de leugens en het bedrog van de gewaarwording: die op hun beurt vormen de grondslagen van al onze oordelen en ‘inzichten’, – er is op geen enkele manier aan te ontkomen, er zijn nu eenmaal geen sluip- en vluchtwegen naar de werkelijke wereld!’ Zowel ‘ik’ als ‘mijn wil’ als allerlei doelen en ontstaansgronden zijn niet meer dan lachwekkend als fundament.

Nietzsche schrijft dan ook, niet direct in betrekking tot het voorgaande maar er helder verwoordend hoe hij erover denkt: ‘in werkelijkheid is het zo, dat wie aan deze voorstellingen gewend is geraakt, een leven zonder deze niet wenst: laten het dus maar voorstellingen zijn die voor hem en zijn behoud noodzakelijk zijn, – maar wat een aanmatiging, te decreteren dat alles wat voor mijn behoud noodzakelijk is ook werkelijk dient te bestaan!’ en ‘de onderwerping aan de moraal kan slaafs of ijdel of zelfzuchtig of berustend of bot-dweperig of gedachteloos of een daad van wanhoop zijn, net als de onderwerping aan een vorst: op zich is zij niets moreels.’ Hieruit wordt ook de complexiteit duidelijk van wat Nietzsche wil doen en wat men later bij Foucault sterk ziet terugkeren: juist de geschiedenis (ook Foucault spreekt terecht liever over genealogie) met bijbehorende strategie en technieken te analyseren en algemeen geaccepteerde ideeën omtrent bijvoorbeeld straf binnen een dergelijk veelbetekenende analyse te begrijpen en daarmee een zekere kritiek werkzaam te maken. Want het gaat er bij deze schrijvers om te begrijpen, te beredeneren, om zo algemene geldigheid of absoluut imperatief onderuit te halen en vervolgens te kunnen laten zien welke vormen het aanneemt en hoe het werkt – en dus ook de beperking en de uitdaging die het meebrengt aan te tonen.

Ondanks deze genuanceerde denkbeelden probeert Nietzsche je sterk in te palmen, hij zet je aan het denken en vuurt allerhande overdenkingen op je af. Hij schrijft vaak in de vorm van een directe aanklacht of expliciete oproep:

13 Naar de nieuwe opvoeding van het mensengeslacht. – Helpt, gij behulpzamen en weldenkenden, toch mee aan dit ene werk, het begrip straf, dat de hele wereld overwoekerd heeft, uit haar te verwijderen! Boosaardiger onkruid bestaat niet! Niet alleen in de gevolgen van onze handelingswijzen heeft men het gelegd – en hoe vreselijk, hoezeer in strijd met de rede is alleen al om oorzaak en effect op te vatten als oorzaak en straf! – maar men heeft meer gedaan, men heeft heel de zuivere toevalligheid van wat gebeurt van haar onschuld beroofd, met die laaghartige interpretatiekunst die in het begrip straf besloten ligt. Ja, men heeft de dwaasheid zover doorgedreven dat men gelastte het bestaan zelf als straf te ervaren, – het lijkt erop dat de fantastische dromerijen van gevangenbewaarders en beulen tot dusver over de opvoeding van het mensengeslacht de leiding hebben gehad!

Het is zeker niet zo dat Nietzsche daarmee niets meer heel laat (ondanks de ook in dit boek sterk nihilistische toon). Let wel: Nietzsche wil niet alle vormen van straf afschaffen maar bekritiseert het ‘begrip’ straf dat ‘de hele wereld overwoekerd heeft’. Door zijn manier van schrijven wordt Nietzsche maar al te vaak als te bot of radicaal afgedaan maar iemand die secuur leest en erover nadenkt weet wel beter. Desalniettemin is de boodschap hard en veelomvattend voor het onderwijs: Nietzsche wil wel degelijk resoluut een andere weg bewandelen en al het gangbare denken over onderwijs kan met dit (en volgende) boeken van Nietzsche dus sterk worden bekritiseert. Laten we in plaats van morele of ethische overwegingen ons verlaten op ‘enkel’ voortgang. Nietzsche wil het gestolde afstompende onderwijs dat we kennen een zet vooruit geven. In beweging blijven, nieuwe gronden zoeken, nieuwe mogelijkheden verkennen. Juist het onderwijs moet door! Juist het onderwijs moet zich niet ingraven, zich op een absoluut fundament baseren, of zich op een laatste ethiek baseren. Doorbreek dit alles telkens weer!

En juist dat antwoord is voor Nietzsche wel degelijk een positieve oplossing. Juist deze  ‘voortgang’ ís een volwaardig alternatief. Waarbij die voortgang niet ‘vooruitgang’ is, want vooruitgang is vanzelfsprekend, dat is al onderdeel van het juist zo beperkende denken dat we kennen (in de huidige tijd zeker, in een cultuur van ‘handeldrijvenden’ zoals Nietzsche die omschrijft). Nee, voortgang is het ‘zichzelf telkens weer achter zich laten en er helemaal niet bij nadenken of iemand anders hen volgt. “Waar ik halt houd, daar vind ik mijzelf alleen: waartoe zou ik halt houden! De woestijn is nog groot!” – dat voelt iemand die zo voortschrijdt.‘. Zo schrijft Nietzsche met een metafoor: ‘De slang die niet kan vervellen, gaat te gronde. Zo ook de geesten die men verhindert van mening te veranderen; zij houden op geest te zijn.‘ of verwijst hij in het allerlaatste aforisme naar de vogels die zo ver vliegen als ze kunnen en dan neerstrijken – om vervolgens te weten dat andere vogels weer verder zullen vliegen. Vooruitgang is een verlichtingsgedachte, geschikt voor iemand die Socratische deugden, Rousseau’s opvattingen en Kants filosofie aanhangt: Nietzsche maakt er korte metten mee. Voortgang is daarentegen een soort zuivering die Nietzsche in elke cultuur aanhangt. Zuivering betekent niet zozeer ulitarisme of racisme (Nietzsche spreekt wel van verschillen in ras maar zonder vooroordelen en zonder verwijzing naar enige superioriteit van enig ras of wat dan ook). Zuivering betekent voor hem een immer doorgaande verbetering, als een soort ‘dieet’ misschien, of een doorgaande oefening, als avonturiers, als ontdekkers, van en door iedereen, ook door ieder volk of gemeenschap. We moeten zelf experimenten zijn, we moeten proefstaten stichten, we moeten slechts ‘voorlopig’ bestaan, we moeten passend handelen bij wat in ons werkt, bij wat ons maakt tot wie we zijn. Voorbij alle ethiek en moraal dus. Een imperatief tegen alle moraal.

Misschien kunnen we dát ook pas leren noemen. Leren is ook jezelf begiftigen met juist datgene wat je eerst door ethiek of moraal of opvatting uitsluit. Leren is niet makkelijk, het is iets wat je moet kunnen. Het is niét een verdedigende houding aan te nemen tegen iets vreemds of nieuws, het is een leergierige houding aannemen – het in je opnemen, instuderen, toe-eigenen, ervaren van wat je eerst als niet-eigen beschouwde. Als een soort dief iets toe-eigenen wat niet van jou is. Alsmaar een nieuw studieplan, alsmaar een verder leren, alsmaar je fundamenten op het spel zetten: dat is leren. Het is jezelf telkens verfijnen, bevragen, confronteren. Het vraagt nogal wat van ons, het is waarschijnlijk niet voor iedereen weggelegd. Het gaat gepaard met waarschuwingen, eenzaamheid, het zoeken van goede leraren, het afstoten van datgene wat ‘de wereld’ in ons waardeert. Maar dit is wel precies waar Nietzsche voor staat.

443 Over opvoeding. – Langzamerhand is mij het licht opgegaan over het meest universele manco van ons soort vorming en opvoeding: niemand leert, niemand streeft ernaar, en niemand leert de ander – de eenzaamheid te verdragen.

495 Onze leraren. – In onze jeugd kiezen we onze leraren en wegwijzers uit het heden en uit de kringen waarop wij toevallig stuiten: wij hebben het gedachteloze vertrouwen, dat het heden wel leraren moet hebben die voor ons meer dan voor ieder ander geschikt zijn, en dat wij hen moeten vinden zonder veel te hoeven zoeken. Voor dit kinderachtige gedoe moeten we later een bitter losgeld betalen: men moet zijn leraren boeten aan zichzelf. Dan gaat men wel naar de juiste wegwijzers op zoek, over de hele wereld, de voorwereld incluis, – maar dan is het misschien te laat. En in het ergste geval ontdekken wij dat zij leefden toen wij jong waren – en dat wij toen ernaast hebben gegrepen.

447 Meester en leerlingen.  – Tot de humaniteit van een meester behoort het, zijn leerlingen voor zich te waarschuwen.

Nietzsche’s aforismen klinken uit het hart gegrepen. Dat is niet gek aangezien het is geschreven als Nietzsche zijn vrijheid heeft herwonnen na een vervroegd pensioen van de universiteit (1879) en na een losmaking van Wagner. Dat maakt dit boek misschien ook zo openhartig en vrijheid minnend. Nietzsche praktiseert in dit boek vooral ook wat hij zelf voorstaat om het eind steeds weer verder te zoeken. Hij schrijft wat hij zelf als zijn opdracht ziet: ver weg van vrienden, in eenzaamheid verder te leren, te studeren, te ontwikkelen. Hij voelt zich jonger en wijzer dan voorheen, en misschien moet zijn filosofie ook wel een brug slaan tussen datgene wat het kind leert en wat de ouderen hebben ingezien, als een soort verzoening, in het steeds weer verder ontwikkelende en voortschrijdende. Nietzsche wil tegelijk op de mensheid vooruit lopen als kinderlijk blijven. Een open, speelse, serieus kinderlijke, zuiverende, voortgang-gedreven onderwijsfilosofie dus: Nietzsche neemt daarmee in de onderwijsfilosofie nog altijd een uiterst belangrijke positie in!

Deze boekbespreking is geplaatst binnen de volgende categorieen: 1881, Experiment, Kant, Leertheorie, Nietzsche, Plato / Socrates, Racisme, Rousseau, Wereld

Geef een reactie