Emmanuel Levinas – Totaliteit en het oneindige

Hoe belangrijk kan het zijn om een serieus gesprek te voeren met elkaar? Volgens Levinas is het ontzettend belangrijk. Alles bepalend zelfs. Vooral als het niet blijft bij enkel een uitwisseling van een ideeën of discussie, maar dat we even onze vastgeroeste persoonlijkheden en opvattingen ontstijgen en ons laten meevoeren door het gesprek zelf. Misschien weten we dan namelijk elkaar echt ‘aan te spreken’, rechtstreeks en direct. Er zijn dan niet meer ‘ik’jes die met elkaar in gesprek zijn, maar het is een gesprek ‘van-aangezicht-tot-aangezicht’. In een dergelijk gesprek kan je er helemaal ‘zijn’. Het is niet vooraf te bepalen wat er dan precies gebeurt, je zal het dus vooral eens moeten proberen. Maar volgens Levinas is een dergelijke gesprek van algemeen menselijk belang. Zonder dit geen waarheid, geen rechtvaardigheid, geen menselijkheid.

Dit rechtstreekse aanspreken, in een gesprek, noemen wij rechtvaardigheid. Als de waarheid ontstaat in het absolute ervaren waarin het zijn schittert door zijn eigen licht, doet de waarheid zich alleen voor in het waarlijke gesprek of de rechtvaardigheid.

Zou een dergelijke manier van een gesprek voeren niet door het onderwijs kunnen of moeten worden omarmd? Levinas pleit inderdaad voor onderwijs dat daarop gericht is, en  hij noemt dit ‘onderricht’. Het is onderwijs wat we volgens Levinas ‘ethisch’ kunnen noemen, het gaat voorbij aan alle reguliere praktische ethiek en reguliere normen en waarden. Het is onderwijs waar we op een specifieke manier van kunnen genieten, volgens Levinas, een vorm van genieten die verder gaat dan een persoonlijk, bezitterig, afgezonderd ergens blij mee zijn. Ook heeft een dergelijk onderwijs te maken met een ‘liefde voor het leven’ en onzekerheid. Het is een soort onderwijs waarvoor we in een juiste modus moeten komen, een modus van gevoeligheid. En dat alles tezamen genomen ziet Levinas dit als het summum van wat onderwijs kan zijn. Hij zet het af tegen ‘zielkunde, de demagogie, de opvoedkunde, die de retoriek meebrengt’ waar hij van af wil. Het onderricht waar Levinas voor opkomt is het ware onderwijs. Het is een soort onderwijs dat over het algemeen weerklank vindt bij docenten die meer ‘bezieling’ willen in de alledaagse onderwijspraktijk, of die een gevoelvolle onderwijsfilosofie zoeken met veel diepgang, met nadruk op relaties en onderlinge uitwisseling.

Tegelijk is Levinas vooral voor docenten en leraren die houden van complexe en (naar men dan beweert) diepzinnige formuleringen om je op te ‘bezinnen’, in tegenstelling tot praktische methoden of tips. Heel concreet maakt Levinas het namelijk niet. De volgende fragmenten zijn waarschijnlijk de meest toegepaste aanwijzingen uit het hele boek, maar op geen enkele manier echt handzaam of duidelijk. Je moet er maar van houden.

Het onderricht is een gesprek waarin de meester datgene aan de leerling kan geven wat deze nog niet weet. De meester werkt niet als de maieutica, maar zet het in mij brengen van de idee van het oneindige voort. De idee van het oneindige impliceert een ziel, die in staat is meer te bevatten dan de ziel aan zichzelf kan ontlenen. De ziel duit op een interieur zijn, dat in staat is tot relatie met het exterieure, dat zijn interioriteit niet houdt voor de totaliteit van het zijn.

De relatie met het kind – d.w.z. de relatie met het Andere, geen kunnen maar vruchtbaarheid, brengt in relatie met de absolute toekomst of de oneindige tijd.

Hulp van het zijn aan zijn aanwezigheid – het spreken is onderricht. Het onderricht brengt niet simpelweg een abstracte en algemene inhoud, die ik en een Ander al gemeen hebben, over. Het aanvaardt niet slechts een subsidiaire functie, om een geest te verlossen, die reeds de drager van zijn vrucht is. Het spreken stelt alleen een gemeenschap in door te geven, door het fenomeen als gegeven aan te bieden, het spreken geeft door te thematiseren. Het gegeven is het feit van een zin. In de zin verliest de verschijning haar fenomenaliteit door als thema gefixeerd te worden; in tegenstelling tot de zwijgende wereld, tot de oneindig uitgebreide ambiguïteit, tot het stilstaande water, tot het slapende water van de mystificatie die voor mysterie gehouden wordt, brengt de volzin het fenomeen tot het zijnde, tot de exterioriteit, tot het Oneindige van het Andere, dat niet bevat wordt door mijn denken.

In al deze quotes valt de verwijzing naar het oneindige en de ‘Ander’ op. Dit toont aan dat Levinas oproept tot iets wat van doorgaande aard is, ook in de tijd, ook in het denken, ook in de praktijk. Wat Levinas wil is iets wat nooit af of klaar is, wat nooit als geheel te overzien is, wat voor ons als simpele stervelingen nooit helemaal te bereiken is. Het ‘Andere’, wat hij dan stellig met een hoofdletter schrijft, is datgene buiten al het andere wat we ons kunnen voorstellen, en het oneindige is buiten al het eindige wat we kennen: dus écht helemaal anders en overal voorbij. Het is altijd maar afwezig en voorbij aan elk denkkader of alledaagse ervaring: daarom heeft Levinas het in die laatste quote ook over ‘exterioriteit’. En ja, daarmee is het nu eenmaal complex en is het moeilijk concreet te maken. Juist in die moeilijke en vreemde taal die hij hanteert zit volgens Levinas de mogelijkheid om aangeroepen te worden en daar gaat het om in de praktische toepassing: hij noemt het een ‘openbaring’ die daardoor mogelijk wordt, want ‘alleen het absoluut vreemde kan ons onderrichten‘.

Het woord ‘openbaring’ suggereert het natuurlijk al: dat is uiteindelijk vooral iets om in te geloven. We kunnen het ‘oneindige’ of het ‘Andere’ niet direct zien. We kunnen het niet helemaal begrijpen of uitdenken, enkel op het spoor zijn of nastreven. We kunnen het niet bevatten. Het is uiteindelijk religieus of mystiek, het gaat voorbij aan ons logische denken en alledaagse verstand. Levinas spreekt er zelf over als een vorm van ‘eschatologie‘, een religieuze term voor de leer van het einde van, of datgene buiten, de totaliteit van de huidige wereld. Dit is waar Levinas zich mee bezig houdt en wat hij bij een goed gesprek denkt te kunnen ontwaren. Je met Levinas inlaten, betekent dus je inlaten met een uiteindelijk religieus/mystieke denkwijze, voorbij het leven en de wereld zoals we die kennen.

Maar Levinas kiest bewust níet voor enkel religieuze of mystieke taal om dat te beschrijven. Levinas omschrijft dit boek zelf als ‘een verdediging van de subjectiviteit‘. Het begrip ‘subject’ is een sterk filosofisch getint begrip voor het unieke eigene van elke persoon wat juist het egoistische ikje of (zelf)beeld ontstijgt. Het onbevattelijke van die subjectiviteit is waarmee Levinas zich filosofisch gezien mee bezig houdt. En gelijk in het voorwoord zet Levinas al meteen stevig de toon: het gaat over fenomenologische deductie en over een transcendente of metafysische intentie. Victor Kal spreekt van ‘een gehumaniseerde en geseculariseerde opvatting van religie’ om te omschrijven wat men bij Levinas kan vinden: als geen ander heeft Kal de positie van Levinas in relatie tot religie en filosofie proberen te duiden. Het leest als een opmerkelijk verdichte mengvorm van verschillende denktradities: ‘Gevormd door de Hebreeuwse Bijbel en de grote Russische literatuur, de Franse filosofie van Bergson tot Marcel, de Duitse fenomenologie van Husserl en de klassieke traditie van Plato tot Heidegger, heeft hij een geheel eigen denkstijl ontwikkeld‘, zo staat er op de achterflap van ‘Het menselijke gelaat‘, een verzameling van essays die een paar jaar later als boek werd uitgebracht. Die verzameling zou een meer toegankelijke inleiding moeten zijn, maar evengoed als in dit boek blijft de schrijftrant daar literair, pedant en gaat het over altijd maar grote filosofische begrippen als vrijheid, waarheid, dood, betekenis en zin. En telkens moet dus worden beseft dat we dit moeten lezen als een door middel van filosofie gepresenteerde religieuze theorie, of iets in die richting.

Het maakt misschien dat hij de bestaande onderwijsfilosofie een meer diepzinnig, sociaal of relationeel fundament kan geven waarin de ‘ander’ en ‘openbaringen’ een belangrijke plek krijgen. Je zou kunnen zeggen dat Levinas andere filosofieën aanvult met meer religieuze of gevoelige dimensies, en dat het daarom als filosofie mogelijk meerwaarde biedt voor het onderwijs. Maar je zou ook kunnen zeggen dat zijn filosofische taal zijn religieuze denkbeelden onnodig complex, geseculariseerd of ‘academisch’ zijn uitgedrukt en onmogelijk abstract blijven. Dat hij nog teveel blijft bij een ‘grote’ westerse religieus/filosofische wereldvisie die universalisme en abstract humanisme nastreeft. Of dat Levinas toch tenminste faalt aangezien hij blijft bij de bestaande eurocentrische filosofische traditie en de daarin gebruikelijke terminologie, ondanks dat hij (in zekere zin) een alternatief voorstaat en daar van los wenst te komen (iets heel Anders namelijk). Sommigen hebben zelf beweerd dat Levinas ondertoon racistisch en seksistisch is; zo wees recent Moten nog op wat hij noemt Levinas’s ‘phal-logo-euro-centrism‘.

Los van deze overwegingen is een belangrijke en maar weinig behandelde vraag vervolgens vooral nog of een dergelijke theorie van Levinas inderdaad is waar het onderwijs op dit moment op zit te wachten. Waarom zouden we vandaag de dag weer of alsnog met de geseculariseerd uitgedrukte religieuze openbaringen van Levinas aan de slag moeten? Onlangs heeft met name Biesta het denken van Levinas uitdrukkelijk overgenomen in een (volgens hem) weer hedendaags pedagogisch denken. Ook Key heeft (als grote Levinas kenner en met jarenlange ervaring als basisschooldocent) nog onlangs een vertaling naar de (zorg)praktijk willen maken. Zij voelen zich er kennelijk nog altijd toe aangesproken maar geven toch vooral het (persoonlijke) aangesproken-zijn en openbaring die het kan zijn als reden. Prima natuurlijk, maar ze willen het beide zo graag ook aan anderen voorschotelen, het centraal zetten in het hedendaagse denken over onderwijs: kan of moet een ieder zich dan net als zij gewoon aangesproken laten worden, en die openbaring proberen te ervaren? En misschien mis je dan gewoon iets als je die openbaring niet ervaart? En wat mis je dan eigenlijk? De actualiteit of noodzaak voor een herwaardering van Levinas in relatie tot hedendaagse onderwijsuitdagingen blijft voor de skeptische lezer behoorlijk onderbelicht.

Hoe dan is het voor het filosofisch geïnteresseerde publiek interessant het werk van Levinas te lezen in relatie tot het bekende werk van Heidegger en Arendt (waarbij de onderlinge banden tussen de joodse denkers Arendt en Levinas en de met de nazi’s sympatiserende Heidegger nog een verhaal apart zijn). Naast dat het van belang kan zijn om het te lezen in relatie tot het werk van Derrida, die dit boek erg heeft geprezen en in wiens werk de sporen van dit boek duidelijk zichtbaar zijn. Er is in de loop der jaren al een enorme lijst van interpretaties en besprekingen ontstaan die je daarbij kunnen helpen. Op wikipedia is bijvoorbeeld al een indrukwekkende lijst van referenties opgenomen, en ook de studiekring biedt veel informatie en uitwisseling. Zeker in Nederland overigens krijgt Levinas veel aandacht: Levinas werd al vroeg in Nederland geëerd en gelezen en het hier besproken boek werd als eerste door een Nederlandse uitgever uitgegeven. Alle reden om het boek toch in ieder geval eens een keertje open te slaan en wat fragmenten op je in te laten werken.

Nb. De titel van dit boek is in de uitgave van Boom ‘Totaliteit en oneindigheid’ maar we houden hier de eerste vertaling (uitgave van Lemniscaat) aan die net als bij de Ambo uitgave in de titel kiest voor ‘het oneindige’.

Deze boekbespreking is geplaatst binnen de volgende categorieen: 1961, Biesta, Derrida, Heidegger, Levinas, Methoden, Moten, Onderwijswoorden, Pedagogie, Persoonsvorming, Racisme, Verantwoordelijkheid

Geef een reactie