Jeroen Lutters – Sprekende objecten

sprekende objectenEen prachtig boek met illustraties uitgegeven door ArtEZ Press. De Engelse titel ‘teaching objects’ is misschien wel een betere titel dan de Nederlandse, maar het is begrijpelijk dat niet voor ‘docerende objecten’ is gekozen. Het gaat dan ook niet over het lesgeven of doceren zoals we dat normaal opvatten, maar meer over hoe bepaalde dingen – bij Lutters een aantal van de meest bekende kunstwerken – in staat zijn te laten nadenken, reflecteren, en leren.

Lutters heeft een  museum in zijn hoofd, een virtueel museum noemt hij het. ‘Via dat museum betreed ik de wereld van de droom, waar fictie en realiteit door elkaar heen lopen’. Het is de plek waar ook zijn vroegste herinneringen zijn bewaard.  Aan de virtuele muur hangt een verzameling werken die hem bijzonder dierbaar zijn. ‘Ze vertellen me over schoonheid, waarheid en goedheid, drie begrippen die voor mij altijd weer samenvallen’. Filosofisch gezien lijkt dan de insteek wel duidelijk. Zeker als dit wordt gezien als een tocht naar een beschaving – het hogere mens-zijn of bovenbewustzijn (deze laatste term vindt Lutters bij Assagioli). Plato staat uiteraard bekend om deze drie begrippen, maar Steiner ook en misschien nog wel het meest in de zin zoals Lutters het beschrijft. Lutters lijkt echter niet zoveel te hebben met deze specifieke antroposofische of filosofische afkomst, simpelweg omdat hij zich in dit boek niet lijkt te bekommeren om afkomst. Zoals ik het lees kijkt hij liever vooruit.

Daarin zie ik zowel een kracht als een probleem. De bedoeling is een ‘scientia creativa’ als positieve, verinnerlijkte wetenschap die zich baseert op het imaginatieve denken. Het startpunt voor dit type wetenschap zijn beelden. Het gaat om kijken, fantaseren. Lutters denkt het te kunnen profileren als ‘vrolijke wetenschap’, maar Nietzsche zou met deze parafrasering volgens mij niet blij zijn. Het gaat eerder om een kijken en fantaseren om nieuwe ideeën te krijgen, om creatief met de zaken om te gaan. Het belang van het creatieve denken en het kijken en fantaseren onderschrijf ik volledig. Laat iedereen vooral zijn eigen museum in zijn hoofd creëren. Juist om niet vast te roesten in een te dominante denktrant of geschiedenis. Maar is de ‘wetenschap’ hieromtrent die Lutters presenteert niet heel vrijblijvend of zelfs naïef? Een serieus spel van de fantasie is wat Lutters voor staat: maar ik vraag me af hoe serieus Lutters dit heeft doordacht. Moeten we niet uitkijken dat het wel een heel vrijblijvend theorietje over het maken van een museum in je hoofd wordt? Het onderstaande zou het volgens mij de theorievorming hieromtrent kunnen versterken.

Allereerst zou Lutters zich volgens mij rekenschap kunnen geven van het vele werk dat gedaan is om te begrijpen hoe met kan leren van of met ‘dingen’, dus niet enkel kunstwerken, maar eerder wat wel ‘cognitive artefacts‘ of ‘transitional objects‘ worden genoemd. Het zijn de ‘dingen’ die we gebruiken om denkbeelden te vormen en te vertalen, of uitdrukken, richting anderen of jezelf. Het lijkt erop dat voor Lutters die kunstwerken bij uitstek dit soort objecten of artefacts zouden kunnen zijn, maar het lijkt me waardevol om te beseffen dat voor veel mensen wellicht andere objecten of ‘dingen’ toe moeten worden gelaten in het denken over onderwijs. Dit maakt de toepasbaarheid nog veel groter en kan een wat elitair kunstonderwijs al bij voorbaat tegengaan. Misschien zijn de grote kunstwerken van Lutters  maar voor een select publiek een ‘traditional object’ of ‘cognitive artefact’. Misschien bloeit niet iedereen op bij de toch wel heel gangbare kunstwerken zoals Guernica, Rothko, Le Petit Prince, Het laatste Avondmaal die in het boek aan de orde komen. Zou de focus op ‘art-based’ niet slechts als een component moeten worden gezien van een veel bredere mogelijkheid tot het inzetten van ‘dingen’ in het leerproces, juist ook mentaal? Het lijkt me kortom waardevol om het werk van Winnicot, evenals het klassieke ‘mindstorms’ van Papert of iets over wat Young hierover schrijft te erkennen als relevante geschiedenis of referentiemateriaal voor het project van Lutters.

Dat kunst een uitzonderlijke positie inneemt in dat geheel zou overigens met Schiller, die Lutters zelf ook kort aanhaalt in zijn boek, wel kunnen worden beargumenteerd. Schillersbrieven over de esthetische opvoeding‘ werden in zijn tijd al door Von Humboldt vertaald naar ‘Bildung‘ wat heel duidelijk ook bij Lutters idee van beschaving doorklinkt. Waar Schiller echter nog tot roversbendes aan heeft gezet, wordt Von Humboldts Bildung bij meer kritische schrijvers zoals Masschelein toch ook  geassocieerd met het begin van een neoliberale onderwijspraktijk waar ook in de studentenprotesten nog zo sterk tegen werd geageerd. Lutters maakt niet duidelijk of hij net als Schiller oproept tot een esthetische cultuur los van ‘de politieke staat’ en of hij dan ook net als Schiller zich bewust is van de ‘schaduwkant van de verlichting’ waarmee Schiller volgens de Groene Amsterdammer in zijn kenschets van de moderne mens vooruit loopt op wat tientallen jaren later Karl Marx zal schrijven over vervreemding, arbeidsdeling en specialisatie. Lutters lijkt toch eerder voor de Humblodtse variant te kiezen. Waar hij Schiller aanhaalt probeert hij hem wel heel makkelijk in zijn creatieve wetenschap te ‘gebruiken’ en daarmee wel heel vrijblijvend stukjes uit de genoemde werken te kunnen isoleren. Dat Lutters’ ‘scientia creativa’ moet bijdragen aan een nieuwe vorm van meesterschap en een ‘samenleving waarin een stabiele gemeenschap ruimte schept voor vrije en gelijkwaardige individuen’ lijkt me vanuit Schillers aanmoediging dan wel weer begrijpelijk, maar ook enigszins misplaatst gezien het bereik en de kracht van het ‘poetische museum’ dat heel wat anders is dan de esthetische opvoeding waar Schiller voor pleit en wat vooral een kunstzinnige ontwikkeling behelst en zeker niet enkel een reflectie door kunst. Het boek van Lutters in een geschiedenis van Schiller en Marx plaatsen houdt dus zeker ook een kritiek in. Lutters gaat de dialoog met deze denkers in zijn boek niet aan.

Gezien de hierboven genoemde thematiek raad ik als verdere noodzakelijke referenties ook Benjamin en Rancière aan. Beide duidelijk door Schiller beïnvloedt maar op verschillende manieren op zijn denken doorgebouwd, lijken ze beide in mijn ogen een noodzakelijke verbreding of verdieping van het boek. Zo zou met Benjamin moeten worden afgevraagd in hoeverre het kunstwerk in de tijd van de technische reproductie, die hem open en transparant maakt, niet in verband zal moeten worden gebracht met een verval van het kunstwerk tot tentoonstellingswaar. Voor Benjamin zou daarmee de (zo realistisch gebleken) esthetisering van de politiek en de onvermijdelijke oorlog die daarop volgt worden aangekondigd – Benjamin zou met zijn teksten eerder willen zoeken naar een politisering van de kunst. Hier lijkt Lutters niet in mee te willen. En bij Ranciere zijn esthetiek en politiek al onherroepelijk met elkaar vervlochten, wat het boek van Lutters op een nog fundamentelere manier bekritiseerd. In schril contrast met het boek van Lutters zou dan het laatste boek van Rancière, getiteld ‘Aesthesis‘ wél een sterke filosofische en fundamentele visie geven op kunst en de manier waarop kunst verbonden is met waarden, herinneringen, politiek en kennis. Ranciere maakt daarbij ook gebruik van een verzameling fragmenten, maar die dan wel gekoppeld zijn aan specifieke plekken, werkelijk gebeurde evenementen. ‘Rancière uses these sites and events—some famous, others forgotten—to ask what becomes art and what comes of it.’

Ondanks dat dit boek op mijn filosofisch boekenplankje dus overschaduwd wordt door andere werken, is het maar de vraag of dit een zwaarwegende kritiek is richting Lutters. Zoals ik al eerder aangaf lijkt het Lutters ondanks de talloze filosofische referenties niet te doen om een filosofische verhandeling. Hij wil gewoon een voorbeeld geven.

‘Omdat ik denk dat je alleen door het goede voorbeeld te geven, mensen wat kunt bijbrengen. Zo doe ik het ook wanneer ik les geef. De studenten moeten het idee hebben dat ze over de schouder van de docent kunnen meekijken.

Meer dan dit alles lees ik dit boek dan ook als een wandeling met Lutters langs een aantal werken die hem interesseren en waar hij extra belang aan hecht. En misschien is het juist goed dat het mij aan het denken zet en de bovenstaande referenties doet voorstellen. Misschien bewijst Lutters daarmee al de kracht van zijn boek en geeft deze bespreking des te meer aan dat het voorbeeld dat Lutters wil geven inderdaad wordt gevold. Het principe van een vrije, bespiegelende, kunstzinnige en creatieve samenstelling van werken om daar doorheen te oriënteren en bespiegelen – daar vinden we elkaar ongetwijfeld. Dus hopelijk dient deze bespreking en dit boek om het belang en de kracht van ‘sprekende objecten’ voor het onderwijs te versterken. Iedereen kan zelf een aantal eigen vragen en zelfgekozen sprekende objecten te verzamelen om daarmee ‘nieuwe werelden te betreden’ zowel binnen als buiten de reguliere onderwijspraktijk. Inderdaad iets wat ook volgens mij maar weinig expliciet in het reguliere onderwijs gebeurd en waar Lutters een leuk eigentijds voorbeeld van geeft.

Deze boekbespreking is geplaatst binnen de volgende categorieen: 2015, Benjamin, Bildung, Creativiteit, Marx, Rancière, Schiller, Steiner

Geef een reactie