August Carl Mennicke – Sociale Paedagogie

Dit boek gaat over gemeenschapsopvoeding. Mennicke kenmerkte zijn tijd (dit boek komt uit in 1937) als een van maatschappelijke ontwrichting en juist daarom hield hij zich zo bezig met deze gemeenschapsopvoeding. Gemeenschapsopvoeding gaat om het aankweken van gemeenschapsbesef en het ontwikkelen van krachten die het gemeenschapsleven moeten dragen. Dit verloopt over de jaren heen, in een rustig en alomvattend proces. Misschien moeten er soms acute maatregelen worden getroffen om sociaal onrecht of gebrek aan gemeenschapsbesef te adresseren – die blijven in dit boek buiten beschouwing – maar uiteindelijk is enkel dit langdurige proces van opvoeding de werkelijke oplossing. Neem nu de toenmalige oorlogsdreiging: misschien moeten er in dat geval allerlei dingen direct gebeuren om die dreiging tegen te gaan, maar uiteindelijk zou enkel een goede gemeenschapsopvoeding het hele principe van oorlog overbodig kunnen maken. De gemeenschapsopvoeding is de enige manier om elk sociaal kwaad geheel en al uit te bannen en de maatschappelijke ontwrichting te overwinnen.

Mennicke wist waarover hij het had toen hij over maatschappelijke ontwrichting sprak. Hij kon buigen op een veelbewogen maatschappelijk leven en ervaring met de maatschappelijke problematiek toentertijd. Mennicke werkte aan het front, als hulppredikant, als metaalarbeider, maar ook een tijd op kantoor, en ook als lerarenopleider. Hij verbleef een lange tijd in gevangenschap, ten tijde van Hitler, de laatste periode daarvan in Sachsenhausen vanwege zijn zogenaamde ‘dissidente’ politieke en pedagogische opvattingen. Echter, dezelfde opvattingen maakten hem tot de directie van de Internationale School voor Wijsbegeerte, en lieten hem docentschappen vervullen aan de Universiteit van Amsterdam en de Universiteit van Frankfort. Mennicke wist kortom uit eigen ervaring allerhande maatschappelijke posities en functies en behoorlijk inzicht in sociale verhoudingen en perspectieven daarop. En van daaruit voelt hij zich geroepen te schrijven over onderwijs en opvoeding. Mennicke neemt meer dan andere onderwijsfilosofen dit type omvattend maatschappelijk onrecht uiterst serieus en probeert in directe reactie daarop een gedegen sociale pedagogie (klassiek geschreven als ‘paedagogie’, zie titel) te formuleren.

Ook vandaag zou een docent zich zorgen mogen maken over maatschappelijk ontwrichtende verschijnselen als racisme, fascisme, sociale uitsluiting, onderdrukking, of afstomping. Het achterliggende maatschappelijk probleem is volgens Mennicke echter uiteindelijk bestaansonzekerheid.  Over bestaansonzekerheid wordt ook vandaag de dag sterk getheoretiseerd in de vorm van precariteit of precairheid als hedendaagse neoliberale manier van besturen (zie hierover bijvoorbeeld het werk van Lorey of OPEN nr. 17) dus de actualiteit van deze analyse lijkt groot. Mennicke ziet al aan het begin van de 20e eeuw een groeiend gevoel van onafhankelijkheid en zelfstandigheid maar constateert ook dan al dat we tegelijk opgenomen zijn in een zeer omvattend net van sociale afhankelijkheid waar we nauwelijks bij stil staan. Alle techniek en sociale en economische organisatie maakt ons, en met name bepaalde groepen binnen onze maatschappij, enorm afhankelijk en onzeker met betrekking tot de minimale bestaansvoorwaarden. Denk aan hoe afhankelijk we zijn van allerlei producten die we helemaal niet zelf kunnen maken, voedselsystemen die we nodig hebben maar weinig invloed op kunnen uitoefenen, sociaal economische omstandigheden waar we helemaal niets aan kunnen veranderen maar die voor ons leven desastreus kunnen zijn, politieke keuzes die enkel zeer indirect kunnen worden beïnvloed, enz. We roepen allemaal om zelfstandigheid, vrijheid, zelf weten wat je doet, persoonsvorming – maar de maatschappelijke afhankelijkheid neemt in alles juist ontzettend toe en dit wordt meer of minder ook bewust zo gecreëerd. De bestaansonzekerheid is een groeiend en wijdverbreid probleem: volgens Mennicke zelfs hét fundamentele probleem.

De gemeenschapsopvoeding wil echter juist dit probleem te boven komen, dus in weerwil van deze tendens biedt Mennicke een alomvattend emancipatoir ideaal: onderwijs en opvoeding los van ‘de strijd der belangen … opgebouwd‘ en ‘dienstig aan de bouw van het rijk der vrijheid‘. Mennicke hield dit soort formuleringen als een gemeenschapssynthese vol, iedereen zou zich hierin moeten kunnen vinden als ideaal die ons denken en handelen kan sturen. Juist de meer gangbare kerkelijke of rationalistisch-idealistisch humanistische wereldbeschouwingen zijn in vergelijking met dit ideaal beperkt: enkel een op vrijheid gerichte gemeenschapsopvoeding waarmee de bestaansonzekerheid wordt opgeheven en die vanuit volledige samenwerking tussen verschillende groepen wordt aangegaan is volgens hem de enige werkelijke oplossing. Dát moet dus het uitgangspunt vormen van opvoeding en onderwijs. Hij dwingt daarmee niemand zijn principiële beginselen en overtuigingen op te geven, en hij wil eerder graag het eigen karakter van de groepen bevestigen en verdiepen, maar wel binnen dit synthetisch kader en met wederzijdse welwillende steun. Dit was de manier. Dit is Mennicke’s sociale pedagogie.

Het is natuurlijk wel heel abstract geformuleerd en Mennicke geeft ook aan dat het verdere uitwerking behoeft. In dit boek concretiseert hij het in ieder geval al in verschillende deelgebieden die opvoeding en onderwijs kent: hij wil van de opvoeder in het gezin het ‘volle meeleven’ met het kind, hij wil een veel minder door de overheid aan banden gelegde (en daarmee veel diverser) aanbod van crèches en scholen, en ziet ook noodzakelijke volksontwikkeling naast de economische, hygiënische, industriële ontwikkeling van ieder mens. Meest exemplarisch legt Mennicke evenwel in zijn pleidooi voor gemeenschapsopvoeding grote nadruk op de vrije jeugdbeweging: hier vind zijn ideaal in ieder geval óók zeer sterke aanknopingspunten want in deze jeugdbeweging zie je dat een gemeenschapsideaal inderdaad op een vrije manier vorm zou kunnen krijgen – dat de jeugd zich bewust manifesteert op een vrije en eigen manier en dat ze daarvoor ook de ruimte krijgt. Ook al ligt in de jeugdorganisaties van die tijd evenzeer ‘het zwaartepunt van de dictatoriale stelsels‘ (hij noemt Rusland, Duitsland en Italië), wanneer ze vrij blijven van dit soort indoctrinerende trekken is het juist een geweldig fenomeen. Hier spits zich het toenmalige probleem op toe, het doet Mennicke komen tot de kern van de kern van zijn boek, zoals hij schrijft: hoe kan je een bewuste vrijheid vormgeven en ontwikkelen? Dat betekent in de jeugdbeweging volgens Mennicke niet complete autonomie, maar Mennicke wil de jeugdbeweging expliciet gericht zien op het bovengenoemd gemeenschapsideaal en zo naar een nog veel vollere en rijkere vrijheid doen streven dan een toch beperkte jeugdautonomie. Een bewuste gemeenschapsopvoeding gericht op vrijheid en in handen van een ‘vrij werkende pedagogische kracht van de maatschappij’ – daar komt het op neer. Bijvoorbeeld straf en dwang zweert Mennicke dan ook niet principieel af, maar hij schrijft dat we ‘alle trapsgewijze zwakheden en tekorten’ van de praktijk moeten accepteren wanneer we werken aan dit uiteindelijke vrijheidsideaal. Het hangt af van de pedagoog, die zelf ook moeten ontwikkelen richting het ideaal en op weg daar naartoe moet leren alternatieven te vinden voor die straf en dwang, dus zelf in staat moeten blijken zich ook te bekwamen richting die bewuste vrijheid. Het is daarmee een veelomvattende en moeilijke pedagogische taak waarvoor de opvoeder en onderwijzer zich gesteld ziet – een historische taak, die we niet onvervuld mogen laten aldus de afsluitende woorden van dit boek:

Wanneer het ooit ongeoorloofd was, een historische taak te miskennen en onvervuld te laten, dan is hier het geval.

Bij het bepalen van deze pedagogische taak wilde Mennicke een wetenschappelijke aanpak volhouden en niet bij een dergelijk stemmingmakende oproep blijven. Op allerlei manieren moest die taak worden verantwoord en doordacht. Mennicke levert echt een volwaardig werk op dat zowel sociologisch als historisch is onderbouwd en met oog op (sociaal)psychologische inzichten en door middel van fenomenologie en methodologie van onderwijs is verdiept. Jawel: een geschiedenis van de opvoeding en ontwikkeling, een historie van de pedagogische theorieën (het ontstaan van de theorie daaromtrent), een pedagogische psychologie (psychische feiten en ontwikkelingen om rekening mee te houden), een pedagogische fenomenologie (beschrijving van vormen waarin opvoeding gegoten wordt), een pedagogische methodologie (beschrijving en beredenering van de te volgen weg van opvoeding en ontwikkeling) en een pedagogische ideologie (idealen van de opvoeding, om van daaruit bepaalde vormen en middelen extra aandacht te geven): het komt allemaal aan bod en moet volgens Mennicke ook aan bod komen om een degelijke theorie te presenteren. Voor elk degelijke (pedagogische) theorie kan een dergelijke veelvuldige onderbouwing ten voorbeeld dienen! Maar het is vooral ook een rijke bron voor iedereen die over opvoeding en onderwijs nadenkt: verschillende vooraanstaande denkers uit die tijd omtrent de sociale pedagogie worden aangehaald, zie de hiernaast overgenomen literatuurlijst.

Uiteindelijk blijft Mennickes opvatting ondanks deze wetenschappelijke aanpak overigens wel degelijk religieus. Mennicke is in laatste instantie te karakteriseren als ‘een diep-gelovig, realistisch humanist’, aldus Van Gelder in het Parool. Mennicke ziet namelijk niet in hoe we die (weg naar) vrijheid verder kunnen beschrijven dan het te omschrijven als zijnde ‘in de relatie tot het oneindige‘, in een poging om ‘de zinsinhoud van het geheel te vatten‘, en dat we ‘ieder ogenblik een oneindige verantwoordelijkheid‘ voelen en bewust zijn van een ‘eigen zin en deelname aan het groeiende rijk der vrijheid‘. En dit soort referenties naar oneindigheid en zin blijft het uiteindelijk bij. Mennicke kan of wil juist die oneindigheid niet verder in dit boek doordenken en houdt het bij een wat vaag geloof of religieus gevoel waar hij aanspraak op probeert te doen. Het kan misschien ook niet anders, alles proberen te omvatten betekent misschien ook automatisch vaagheid en religiositeit. Het enige probleem hierbij zijn voor Mennicke onderwijsfilosofen of sterke kritische denkers (die hij zeker gelezen had, met name Nietzsche) die een dergelijke uiteindelijk religiositeit of alomvattend denken zélf verwerpen. Dat soort kritiek of radicaliteit past niet in zijn visie, en hij verwerpt die dan ook op basis van de in zijn ogen ‘betrekkelijk kleine‘ kritische kracht van de mensen en de ontzaglijk grote ‘behoefte en bereidheid zich te laten beïnvloeden‘. Het is een dubieuze denkconstructie. Hij lijkt te zeggen: dit soort radicale sociale kritiek (bijvoorbeeld nihilisme of religieus extremisme) doen er niet zoveel toe want in de werkelijke omstandigheden hangt eigenlijk iedereen wel een veel milder ideaal aan en zijn we allemaal gebaat bij een gemeenschapsvorming die uiteindelijk dan ook niemand zou miskennen. En hij zegt eigenlijk vrij open in zijn boek dat een verdere (noodzakelijke) filosofische doordenking van die oneindigheid en zin maar door andere (sterker filosofisch geschoolde) denkers zal moeten worden gegeven.

Het is blijft daarmee een voornamelijk heel betrokken, doordacht en rijk geschakeerd verhaal dat niet oproept tot revolutie en ook niet streeft naar hervorming – maar even stringent iets meer subtiels en wezenlijks probeert te verwoorden: een verandering door middel van suggestie, door tekens, symbolen, onderscheidingen, woorden, formules, persoonlijkheden, handelingen. Een streven ‘dat in de scheppende persoonlijkheid leeft en voor de verwezenlijking waarvan deze zelf door een langdurige ontwikkeling heen de krachten in zich heeft ontplooid‘ zoals hij dat over Boeke zegt maar wat ook als oproep kan gelden. Montessori’s succes lijkt daarbij een heuglijke ontwikkeling, vooral vanwege de roep tot zelfbeschikking of mede-verantwoordelijkheid van kinderen voor school. Grote differentiëring is evenwel gewenst: talloze heel eigen soort navolgingen moet het gaan krijgen, talloze voorbeelden en uitdagingen, inspiratie en uitwisseling moet zorgen voor de uiteindelijke gemeenschapsopvoeding. En daarmee geeft het alle ruimte aan een ieder om op geheel eigen manier hierop verder te denken, nieuwe invalshoeken aan te dragen, nieuwe woorden te kiezen of eigentijdse besprekingen te maken. Dat is natuurlijk ontzettend sterk: dat men na het lezen van dit boek alleen al bewust is van de talloze mogelijkheden die je zelf hebt om een (al is het maar kleine) bijdrage te leveren aan die daadwerkelijke gemeenschapsopvoeding. Waarschijnlijk zou elke filosofie van de gemeenschapsopvoeding dat toch op zijn minste willen en moeten bereiken.

Deze boekbespreking is geplaatst binnen de volgende categorieen: 1937, Autoriteit, Cultuur, Nietzsche, Onderwijsdoelen, Pedagogie, Toekomstgericht, Verantwoordelijkheid, Wereld

2 Comments

  1. Pingback: Ger Harmsen – Blauwe en rode jeugd | onderwijs filosofie

  2. Pingback: Maria Montessori – De methode | onderwijs filosofie

Geef een reactie