Jean M. G. Itard – De wilde jongen uit de Aveyron

wilde aveyronRond the jaar 1800 wordt in de Zuid-Franse bossen een wilde jongen van ongeveer 10 jaar oud gevangen. De jongen heeft jarenlang helemaal alleen in de bossen rondgezworven. Hij leefde van kastanjes, eikels en rauwe aardappelen. De jongen kan helemaal niet spreken en kent totaal geen sociale vaardigheden. Dit boek, (opnieuw) vertaald en toegelicht door Jevgenia Lodewijks, is een direct verslag van de jonge arts Itard die de jongen onder zijn hoede neemt. Itard leefde van 1774 tot 1838 en was verbonden aan het Doofstommeninstituut van Parijs. Itard wilde de jongen niet als zwakzinnige zien, maar hij wilde proberen om de jongen zich te laten ontwikkelen zodat hij (alsnog, waar mogelijk) deel kon gaan nemen aan de mensenmaatschappij.

Op de achterflap is te lezen dat de teksten uit dit boek worden gezien als een bakermat van de moderne (kinder)psychiatrie. En dat de dilemma’s die Itard opwerpt omtrent natuur en cultuur, opvoeding en taalontwikkeling en identiteit en sociale aanpassing nog altijd actueel zijn. Dat is waar, mits we die dilemma’s niet afdoen als behorende tot de in die tijd invloedrijke empirische en sensualistische stromingen, maar ze in de hedendaagse context serieus nemen. We moeten dan niet blijven hangen bij het filosofisch gedachtegoed wat in zekere zin kan worden gerepresenteerd door Locke. Locke staat namelijk bekend om zijn omvatting dat de mens geen enkele vorm van aangeboren kennis bezit maar dit verwerft door gewaarwordingen (sensaties) en waarnemingen (percepties) en dat de jonge geest daarmee worden opgevat als een onbeschreven blad (tabula rasa). Zaken waar Itard vanuit handelt en hij presenteert zijn werk dan ook als concreet bewijs van de essentiële waarheden van Locke (en overigens ook Condillac). En naast dat in de hedendaagse onderwijsfilosofie Locke niet zo sterk vertegenwoordigt is (dat zou wel wat meer mogen), zijn de dillema’s ook vanuit andere invalshoeken zeer actueel en relevant: ze gaan namelijk allemaal in mijn ogen over de waarde van beschaving.

Itards onderzoek is erop gericht na te gaan op welke manier en in hoeverre het lukt om iemand ‘beschaving’ bij te brengen. Deze jongen is een perfecte ‘proefpersoon’ juist doordat hij van nature niet machtig is gebleken of bij wie dit door eenzame afzondering onmogelijk is gemaakt. Kenmerkend is daarbij Itards opvatting dat de jongen niet idioot is of zwakzinnig, maar eerder een soort ‘afgestomd’ is. Het is niet zo dat hij het nooit zal kunnen of dat beschaving dan ook nooit meer mogelijk is. Het is eerder nog niet aangesproken, nog niet in gang gezet: er zijn nog geen hiervoor benodigde gewaarwordingen en waarnemingen gedaan. Of de gewaarwordingen hebben iets in gang gezet wat in een andere richting wijst: zo pakt de jongen moeiteloos hete kooltjes uit het vuur  – de zintuigen zijn kortom op andere zaken toegespitst dan bij ‘beschaafde’ mensen. Kortom, de afstomping is vooral ook een ontwikkeling die niet op beschaving gericht is of daar niet optimaal toe is ingezet. En beschaving is daarbij allereerst een soort verfijning. Smaakvermogen bijvoorbeeld, maar ook vele andere zintuigelijke vermogens, zijn volgens Itard bij de jongen nooit gewend aan verfijnde indrukken. Het is enkel rudimentair, gericht op de zaken (vooral voeding) die hij in eenzaamheid nodig heeft gehad. Maar het is wel een verfijning in een bepaalde richting, met een focus op bepaalde gewaarwordingen. Neem bijvoorbeeld het gehoor, dat echt de zachtste geluidjes kan waarnemen (en dus verfijnd kan worden genoemd), blijkt vooral gericht op het horen waar er kastanjes worden open gemaakt. Verschillende tonen heeft de jongen nooit leren onderscheiden. En voor zoiets als spraak of het begrip van woorden moeten juist articulatieverschillen en tonen van de menselijke stem kunnen worden gehoord en geduid. Kortom de verfijning moet zich op de juiste zaken hebben toegespitst.

Enkel bij die rudimentaire indrukken lukt het aanvankelijk Itard slechts om de jongen plezier te doen of zelfs maar ergens enthousiast over te krijgen. Maar dit is wel een belangrijk en heuglijk feit: dat er überhaupt zoiets als ‘beloningen’ mogelijk zijn. Er valt dan namelijk een oefening te beginnen om de jongen te prikkelen en uit te dagen en in die zin zijn gewaarwordingen op de juiste manier te verfijnen en ontwikkelen. En dat zou hem wel eens verdere ontwikkeling en beschaving kunnen laten opbouwen. Hier kan opvoeding en onderwijs aanvangen.

Itard doet daarvoor talloze experimenten en probeert de jongen nieuwe gewaarwordingen eigen te laten maken die bijdragen aan verdere beschaving. Soms succesvol en soms niet.  Ook gemoedstoestanden worden actief gezocht en versterkt. Soms worden gemoedstoestanden ook afgedwongen of juist doorbroken. Een buitenissig voorbeeld daarvan is de schokmethode die Itard kende van Boerhaave: driftaanvallen van de jongen probeert Itard (overigens aardig succesvol) te genezen door hem bij zijn heupen te pakken en met zijn hoofd in de richting van de afgrond over de balustrade te hangen – juist de balustrade waar de jongen toch al ontzettend bang voor was.

Itard concludeert meermaals dat het opdoen van specifieke gewaarwordingen en waarnemingen en het daarmee aanleren van bepaalde gedragingen zeker na de kindertijd minder makkelijk gaat. In een voetnoot geeft hij aan dat naarmate een mens verder afraakt van zijn kindertijd, het gebruik van zijn zintuigen steeds minder alomvattend wordt. In de prilste periode van zijn leven wil de mens volgens Itard nog alles zien en aanraken en stopt hij alles wat hem wordt aangeboden in zijn mond, maar later is deze leertijd van de zintuigen voorbij en kent hij voorkeuren en gewoontes. De snelheid waarmee een jong kind in staat is nieuwe indrukken op te doen kan dus later niet meer plaatsvinden. Maar nergens concludeert Itard dat daarmee het kind onherroepelijk tot een ‘wilde’ is gedoemd te blijven. De jongen is ‘een bijzondere jongeman’, hij is alle aandacht en zorg waard. Itard bekrachtigt dit wanneer hij hem een naam geeft: de jongen heet vanaf dat moment Victor.

Wel concludeert Itard dat hij zelf, als opvoeder of leraar, heeft gefaald of dat het gewoon haast ondoenlijk is die jongen werkelijke beschaving bij te brengen. Enerzijds gezien de tijd die het kost en anderzijds vanwege de disbalans tussen de resultaten en de methoden die moeten worden gebruikt. Het is hem niet gelukt de juiste methoden en praktijken aan te bieden om de jongen alsnog zover te krijgen, of hij wil dat op een gegeven moment gewoon niet meer. Hij wenst niet verder te gaan.

Hoewel Itard nog een eind komt met het aanleren van het alfabet, het koppelen van letters tot woorden, de woorden te koppelen aan dingen en vervolgens de jongen te leren bij het tonen van bepaalde woorden een bepaald object ergens uit huis te halen, is ‘spreektaal’ uiteindelijk niet gelukt. Het imitatievermogen was daarvoor – zo zou Itard beargumenteren – te weinig actief om het succesvol in een aantal jaar alsnog te kunnen ontwikkelen. Het loopt ergens spaak in het toepassen van woorden juist wanneer dit verwijst naar bepaalde type objecten (dus een boek is niet enkel dat ene boek maar misschien ook een daarop lijkend boek). Hoewel dit op sommige momenten hele creatieve vondsten oplevert van de jongen, is aan de andere kant nog niet sprake van perfectie zoals Itard dat wil zien. En wanneer dit wordt aangevuld met bijvoeglijk naamwoorden en als ook onderdelen van dingen kunnen worden aangeduid is al weer een stap gemaakt, maar grammatica blijft moeilijk en hoewel juist de toch vrij complexe imitaties die bij schrijven lijken te lukken, blijft de jongen klanken maken die ongearticuleerd zijn. Ondanks een tijd lang aanhouden en blijven proberen geeft Itard het op. Hij levert zijn ‘pupil over aan een ongeneeslijke stomheid’.

Het spreken van taal is misschien nog wel het belangrijkste in de hele ontwikkeling, juist vanwege de prominente rol die het inneemt in ons beschaafde dagelijkse leven. Itard ziet de jongen een taal gebruiken die hij ‘handelingstaal’ noemt. Het zijn geen woorden, maar met bepaalde tekens of gebaren weet de jongen wel dingen duidelijk te maken, hij begrijpt ook bepaalde gebaren van anderen. Voor Itard betekent dit iets belangrijks: hij ziet hierin een voorloper van spreektaal. De jongen zal vanzelf, op een bepaald moment ertoe komen deze gebaren ook als spreektaal uit te drukken. Een veelheid aan nieuwe indrukken en behoeften zal instaan wanneer hij in de maatschappij wordt opgenomen en als hij begint eigen gemaakte klanken verder te benutten. Hij schrijft:

“Misschien gebeurt wel precies hetzelfde bij het kind dat eerst ‘pappa’ brabbelt zonder daar enige betekenis aan te hechten, het vervolgens overal en bij elke gelegenheid uitspreekt, daarna iedere man met deze benaming gaat aanspreken, en er uiteindelijk pas na allerlei redenaties en abstracties in slaagt om aan het woord zijn enige juiste betekenis toe te kennen.”

En langzamerhand toont zich in het boek daarmee een gedachte van Itard die in het boek meermaals terugkeert, namelijk dat er zoiets als een ‘enige juiste betekenis’ is van woorden en dat een mens ook binnen die beschaving tot ‘perfectie’ kan komen. Kortom, voor Itard gaat die ontwikkeling tot een soort hoogtepunt, tot een moment dat het af en klaar is. Het is het moment dat de mens vertoeft in een orde van dingen die geen directe relatie heeft met zijn primaire behoeften. Het is geen zoektocht naar intelligentie – de wilde jongen toonde zich volgens Itard op meerdere momenten duidelijk intelligent – maar het gaat om een benutten van gewaarwordingen, het ontgroeien van de natuurlijke staat en komen tot een morele superioriteit op basis van de dominantie van sensitieve gevoeligheid die de mens kenmerkt. Itard spreekt hier van een perfectionering van de menselijke soort op basis van een vrijelijke toepassing van de menselijke intelligentie. Woorden die we nu maar met moeite kunnen lezen zonder daar het risico bij op te merken dat dit betekent dat bepaalde mensen (met een zekere afkomst of met een zekere cultuur) op basis daarvan makkelijk als imperfect of niet superieur kunnen worden weggezet.

Maar we moeten dat bij Itard vooral liberaal opvatten. Het heeft vooral te maken met een minimalisering van sociale of maatschappelijke beperkingen. Juist een zeer grote hoeveelheid aan behoeften in beschaafde culturen dan ook worden gezien als juist datgene wat onze menselijke ontwikkeling helpt. Veel keuzemogelijkheden, veel diversiteit, veel kansen, veel indrukken. Kortom, het behelst bovenal voor Itard een politieke stellingname:

dat alle toevallige plaatselijke of politieke gebeurtenissen die ertoe leiden dat onze behoeften worden uitgebreid of ingeperkt, noodzakelijkerwijs ook zullen leiden tot groei of beperking van onze kenniswereld en wetenschap, van onze schone kunsten en maatschappelijke bedrijvigheid.

Steeds zou bij maatschappelijke instituten of praktijken dus de invloed hiervan op de neigingen en behoeften van de betreffende mensen centraal moeten staan. Een voorbeeld daarvan is het strafsysteem: bij diefstal van kastanjes door Victor legt Itard duidelijk die link naar de maatschappij.

In het begin pakte hij ze meer dan dat hij ze stal en dat deed hij met een vanzelfsprekendheid en eenvoud die iets ontroerend hadden. Het riep een droombeeld op van vroegere primitieve tijden waarin de notie van bezit nog geboren moest worden in de menselijke geest. Om deze natuurlijke neiging tot diefstal te beteugelen, strafte ik hem een aantal keer toen ik hem op heterdaad betrapte. Het resultaat was hetzelfde als wat de maatschapij doorgaans bereikt met haar strafsysteem: geen werkelijke correctie, maar alleen een aanpassing van de ondeugd. Victor ging ertoe over om in het geheim te stelen waar hij dat daarvoor openlijk had gedaan.

Ondanks die nadruk op het aanspreken van behoeften en neigingen en de liberale opvattingen besluit Itard overigens wel om ‘een pas op de plaats te maken’ op het gebied van sexualiteit. ‘Ik weet zeker dat als we aan deze jongeman het geheim achter zijn onrust en het doel van zijn verlangens hadden kunnen onthullen, dat een aanzienlijke vooruitgang had kunnen opleveren’ schrijft Itard, maar hij durft het niet aan. Hij is bang dat de jongen zijn behoefte zo openlijk zou willen bevredigen dat het hem tot schaamteloze daden zou brengen. In dat geval staat de ontwikkelende beschaving van de jongen wellicht de beschaving van anderen teveel in de weg? Dat lijkt de liberale gedachtegang wel te passen. Maar voor Itard is dit in ieder geval geen vanzelfsprekendheid. Het is maar de vraag waar hij goed aan doet.

Ik herhaal wat ik aan het begin stelde: namelijk dat het boek ingaat op dilemma’s betreffende de waarde van beschaving. In het praktische geval van de jongen: wat is het Itard waard om de jongen beschaving bij te brengen? Als hij besluit niet de ‘proefneming’ te doen omtrent sexualiteit – betekent dat niet dat een wezenlijk deel beschaving buiten zijn bereik zal blijven? Maar kan dat worden goedgepraat door te verwijzen naar de beschaving als geheel, dus de nadelige invloed op anderen uit die beschaving? Of is Victor beschaafd genoeg en zouden verdere ontwikkeling richting beschaving dusdanig onbeschaafde methoden vergen dat het daarmee onwenselijk wordt? In dat geval heeft het ook te maken met de beschaving van Itard zelf: wat kan hij zelf nog als beschaafd mens voor de jongen betekenen? Hij laat meermaals zien dat hij zelf vind dat hij eigenlijk ‘over de grens gaat’ van de normale beschaving om de jongen verder te proberen te krijgen.

In meer algemene zin gaat het boek in mijn ogen over de waarde van beschaving als politiek fundament, als ‘iets wat af te dwingen is’, dan wel ‘waar mensen recht op hebben’. Moet een dergelijke jongen eigenlijk wel worden ‘gered’ door hem uit de bossen te halen en op te voeden tot een beschaafde knul? Maken we het daarmee voor die jongen, of voor wie dan ook beter? Itard schrijft hierover dat de jongen altijd een grote voorkeur blijft houden voor een vrij leven in de natuur. Hij blijft onverschillig voor het meerendeel van de geneugten die de maatschappij biedt. De jongen zit kortom helemaal nergens te wachten op die beschaving. Toch ziet hij dat Victor zich ‘dankbaar toont voor onze zorgen, in staat is tot warme vriendschap, er plezier in scherp goed te doen, zich schaamt voor zijn fouten en spijt heeft van misdragingen.’ Itard lijkt te suggereren dat dit dingen zijn die we de jongen niet moeten ontzeggen, dat dit dusdanig menselijke zaken zijn dat je zonder dit haast geen ‘mens’ zou kunnen heten. Itard stuurt aan op een plicht voor iedereen uit de beschaving om álle mensen (die dit kunnen ontwikkelen) dit minimum aan menselijke genegenheid en sociaal contact te verzekeren, ondanks dat Victor zelfs later nog bij tijd en wijle graag ontsnapt en dan dus moet worden opgesloten tegen zijn eigen wil in. Minimale beschaving is dus voor Itard belangrijker dan persoonlijke vrijheid en wil, zelfs ondanks dat Victor geen vlieg kwaad doet in de bossen waar hij het liefst alleen vertoeft. En daar probeert Itard dus ook de gezaghebbende politici van te overtuigen: zij moeten daar namelijk wel voor betalen. Wat overigens ook lukt want Victor wordt zijn gehele verdere leven in zijn onderhoud voorzien.

Meer filosofisch zou je echter kunnen zeggen dat het hele idee van de waarde van beschaving problematiseert. Die specifieke verfijning van de gewaarwordingen die we beschaving noemen maakt het namelijk pas mogelijk om überhaupt ideeën te ontwikkelen over waarde of het concept van beschaving uit te wisselen. We kunnen niet anders dan een minimum aan beschaving te verwachten en te eisen om iemand überhaupt te kunnen laten verhouden tot onze morele en maatschappelijke normen. Bij wie dat niet verwacht kan worden kunnen we niet meer doen dan ze in onze maatschappij te verplichten en verzorgde en afgebakende plaats in te nemen. Maar het laat ook zien hoe het idee van de waarde van beschaving – waneer dit in een hiërarchie wordt ingedeeld en als absolute maatstaf wordt gehanteerd – makkelijk als dubieus of zelf verfoeilijk uitgangspunt kan worden gehanteerd om meer en minder beschaafde mensen in te delen op basis van behoeften en neigingen en ze daarmee verdere rechten te ontzeggen of plichten op te leggen. Het problematiseert in mijn ogen dus het idee van de waarde van beschaving als absoluut criterium. Op dit punt lijkt me een kritiek op Itard hoogstnoodzakelijk.

Ik zou dit boek, juist omdat het naar het begin van dit soort gedachten voert, liever willen gebruiken om te laten zien dat beschaving op zichzelf niet waardevol is en dat er niet zoiets bestaat als de perfectie van de mens. Door je in te leven in de jongen en zijn gedachtewereld zou je Itard namelijk misschien wel net zo goed als idioot kunnen beschouwen. Laat het inwerken op jezelf en je zou kunnen gaan inzien dat onze beschaving ook maar een resultaat is van onze eigen gewaarwordingen en onderwijs. En volgens mij moeten we erg uitkijken om onze eigen ingeslepen patronen en gewoontes tot ‘het goede’ te veralgemeniseren en ‘perfectie’ op te vatten als datgene waartoe we door onze zintuigelijke waarnemingen zijn geconditioneerd. We moeten blijven waarnemen en gewaarwordingen opdoen ook al kost dit na de kindertijd heus veel moeite. Misschien juist daarom. En daarom is dit boek, vandaag de dag ook of juist, ontzettend actueel. Inderdaad bij allerlei onderwerpen die gaan over natuur en cultuur, opvoeding en taalontwikkeling en identiteit en sociale aanpassing zoals de achterflap vermeldt en waar ieder dag weer het onderwijs (in alledaagse keuzes en meningen) mee te maken heeft. Juist ook wanneer ons idee van beschaving door andere culturen in twijfel wordt getrokken of zelf gewelddadig wordt geprobeerd te ontregelen.

En juist in het verlengde daarvan moeten we de tekst van Itard volgens mij allereerst op waarde schatten vanwege de werkelijk aandoenlijke beschrijvingen van Itard over het gedrag van de jongen. Itard geeft blijk van een grote aandacht, liefde en opmerkzaamheid wat die jongen betreft. Itard geeft ons daarmee namelijk vooral ook nieuwe gewaarwordingen omtrent de openheid voor nog niet ingesleten of normaal niet gedane gewaarwordingen. Ik hoop dat iedereen gegrepen wordt door de tekst en dat hij vele anderen gewaarwordingen geeft om daarmee te komen tot genuanceerde theorieën of ideeën over (de eigen en andere) beschaving(en). Itard is meer specifiek voorbeeld voor docenten met betrekking tot een steeds weer terugkeren naar waarneming. Zoals hij zelf schrijft over zijn eigen werk:

“Ik heb hem vaak urenlang geobserveerd in deze houding en het deed me onbeschrijflijk veel plezier om te zien hoe zijn stuiptrekkende bewegingen en obsessieve gelieg stilaan afnamen en tot rust kwamen om plaats te maken voor een meer ontspannen houding; hoe zijn uitdrukkingsloze grimassen als vanzelf overgingen in een expressie van treurigheid of dromerige melancholie naarmate hij langer naar het wateroppervlak keek, waarbij hij soms zelfs blaadjes in het water gooide. Wanneer bij heldere nacht de maneschijn doordrong in zijn kamer, stond hij bijna altijd op om uit het raam te gaan kijken. Volgens het verslag dat zijn gouvernante hiervan deed, bleef hij daar dan gedurende een deel van de nacht zo staan, onbeweeglijk, met gestrekte hals, zijn blik gericht op de door de maan verlichte velden, terwijl hij zich overgaf aan een soort beschouwende extase. Zijn stilte en onbeweeglijkheid werden alleen met lange tussenpozen onderbroken door een diepe ademhaling, die meestal gepaard ging met een zacht klaaglijk geluidje.”

En hoewel het boek in een eerdere vertaling online te lezen is, denk ik dat juist in de nieuw uitgegeven editie er alles aan is gedaan om de tekst die gewaarwordingen zo goed mogelijk over te dragen.

Zie het dan ook meer als een wellicht aardige maar ook gedateerde aanvulling op deze om daarbij nog de goed gewaardeerde onderstaande film uit 1970 van Truffaut te bekijken. De film waaraan waarschijnlijk dit boek van Itard zijn bekendheid te danken en waarom het nu nog steeds geregeld de aandacht krijgt die het verdient. Ook Truffaut wordt gekenmerkt door een ‘eerlijkheid in het onderzoeken van menselijke relaties, vaak onder extreme omstandigheden’ (nrc.nl) en heeft juist dat aspect, zonder sentimentaliteit, willen benadrukken.

Deze boekbespreking is geplaatst binnen de volgende categorieen: 2015, Cultuur, Discipline, Ervaring, Experiment, Leertheorie

One Comment

  1. Pingback: Maria Montessori – De methode | onderwijs filosofie

Geef een reactie