Marshall McLuhan – Understanding media

mcluhanHet onderwijs heeft een lange tijd behoefte gehad aan een gefragmenteerde en hapklare indeling. Het nationaal curriculum is daar nog altijd een duidelijk voorbeeld van: een set aan vakken opgedeeld in onderwerpen en bijbehorende eindtermen. Vertaald naar een lesprogramma staat het onderwijs klaar om deze stap voor stap met de leerlingen te doorlopen. McLuhan noemt deze manier van werken een ‘mechanische’ organisatie van onderwijs. Vandaag de dag staat deze organisatie echter onder druk van een ‘alles-tegelijkertijd wereld’ van elektrische media, aldus McLuhan. Die ‘mechanische’ organisatie is achterhaald.

Misschien was McLuhan een visionair en moeten we hem geniaal verklaren: hij schreef dit namelijk in 1964 en er waren toen nog geen PC computers, laat staan tablets, smartphones of laptops die vandaag de dag zijn teksten heel herkenbaar maken. Hoe dan ook moeten we denk ik concluderen dat de urgentie van denken over de relatie tot de overal doordringende ICT en ons gehele leven enkel is toegenomen en dat daarmee de algemene redenering van McLuhan nog altijd heel actueel is. Zonder McLuhan mist u een wezenlijke referentie omtrent onderwijs en media, en loopt u nog altijd het risico deze ‘mechanische’ organisatie te omarmen terwijl McLuhan al dik 50 jaar geleden vond dat dit niet meer recht deed aan de technologische ontwikkelingen van die tijd.

McLuhan stond dan ook aan de vooravond van de vlucht die elektronische media hebben genomen en waar we nu mee vertrouwd zijn. McLuhan wilde begrijpen hoe juist die media functioneren en wat dit betekent voor onze sociale relaties en ons persoonlijk functioneren. Zijn conclusie: je kan het volgens hem zien als je elektrisch licht en het licht van vuur vergelijkt. Mensen rond het vuur zijn niet zo makkelijk in staat hun eigen individuele gedachten te volgen en taken te doen, in elektrisch licht kan iedereen veel meer zijn eigen gang gaan. Als men door elektrische energie onafhankelijk is geworden van plaats en tijd, beginnen er netwerken te komen die functioneren op basis van decentralisme en diversiteit. We kunnen veel individueler, en op eigen behoeften aangepast, werken en handelen. Zo zijn bijvoorbeeld  onderwijskundige relaties na de toepassing van elektrische media tot een onderwijsnetwerk verworden waar zelfontwikkeling en autonomie voorop moeten staan. Iets wat we nu vaak genoeg ook in scholen horen en wat zelfs onder leraren in Nederland volop in de belangstelling staat, zie bijvoorbeeld ‘the crowd‘ of Het Alternatief II.

Dit alles komt door een andere manier van informatie verwerken. Net zo goed als automatisering een eind maakt aan banen, maakt een verandering naar elektronische media een eind aan het belang van een gestructureerd geheugen met afzonderlijke kennisgebieden. Die op elektriciteit gebaseerde organisatie van alles creëert namelijk een instant geheugen die onafhankelijk is van tijd en plaats. Er blijft heus nog wel een mechanische basis nodig (denk aan de bewegende onderdelen in een computer of laptop) maar die functioneert enkel voor een op elektriciteit gebaseerde informatiestroom. Nieuwe ICT zijn in vergelijking met oudere machines, net zoals de werking van een electronisch instrument is in vergelijking met een hobo in een orkest. Met het electronisch instrument kan in principe elke toon worden geproduceerd in elke intensiteit voor hoe lang me waar willen. Waar de hobo nog met de andere afzonderlijke instrumenten een organisch geheel vormde, is bij elektronische muziek het geheel onmiddellijk een geheel in perfecte synchronisatie. Alles wat we eerder mechanisch met veel oefening en coördinatie voor elkaar moesten krijgen gaat nu moeiteloos en razendsnel.

Paniek over deze automatisering en invloed van elektronische media is slechts een projectie van oude mechanische standaarden en specialismen op een toekomst die niet meer mechanisch is. De wereld is radicaal veranderd. Toch moeten we het wel degelijk heel serieus nemen. Het juiste denkkader ontwikkelen om met deze ontwikkelingen om te kunnen gaan. En vooral niet denken dat het onderwijs hierin een helder afgebakende rol in speelt. Het is allesomvattend. En zo ook het denkkader van McLuhan.

De belangrijkste uitgangspunt van het denkkader van McLuhan is dat media gezien moeten worden als ‘extensies van de mens’. Een vrij bekende gedachte, vaak aangehaald als het over McLuhan gaat, maar een gedachte die nog altijd niet is doorgedrongen in het algemene dagelijkse bewustzijn. Gaat u maar na. We zijn nog altijd niet gewend om over onze smartphone te praten als uitbreiding van onszelf. Nog altijd weer denken we dat we de telefoon als een soort product te kunnen gebruiken. Waarbij wij zelf in controle zijn, dat we hem bedienen. Waar we verslaafd aan kunnen raken of die we vaker uit moeten zetten. McLuhan ziet het echter fundamenteel anders: het is een uitbreiding van onszelf. Het is een vergroting van ons eigen kunnen door middel van een verlengstuk van ons lichaam. Prikkels en zintuigelijke waarnemingen die ons zonder de media niet bereiken, komen nu wel binnen via die verlengstukken. ICT of media zijn in algemene zin een uitbreiding van het menselijk bereik.

Als die elektronische media dan niet zozeer door ons worden ingezet, maar vooral een extensie zijn van onszelf: dat betekent dat een radicale verandering van media dus ook betekent dat we te maken hebben met een radicale verandering van onszelf. We moeten het direct op onszelf betrekken. En elke extensie van het lichaam heeft daarbij direct een impact op het gehele lichaam, alle extensies hebben invloed op de gehele psychische en sociale samenstellingen.

McLuhan begint zijn boek dan ook met een alomvattend en drastisch statement omtrent deze verandering: onze gemeenschappelijke wereld is aan het imploderen. Hij spreekt van vernietiging van plaats en tijd aangezien we over lange afstanden en over eeuwen heen kunnen waarnemen. Hij spreekt van het naderen van de laatste fase van de extensies van de mens. Het is de tijd van angst, want we zijn gedoemd tot participatie, los van een bepaald perspectief of een eigenheid waar we ons in terug kunnen trekken. Het geeft ons een alomvattend besef, een enorm sociaal geweten. Het existentialisme als filosofie past deze sociale betrokkenheid. Geen individuen meer die los van elkaar een eigen blik hebben op de wereld: we hebben allemaal de mensheid als geheel in onze achterzak. Of zoals McLuhan schrijft ‘we wear all mankind as our skin’.

Is de verandering van media zo fundamenteel? Volgens McLuhan zijn dit geen overdreven uitspraken. Dit hangt samen met het de bekende conclusie van McLuhan, dat media zelf de boodschap zijn: ‘the medium is the message’. De persoonlijke en sociale consequentie van media – als extensie van onszelf – moet worden begrepen als de introductie van een nieuwe schaal. Het voorbeeld is een heel simpel medium: een elektrisch lampje. Als we het lampje gebruiken om boodschappen te verzenden op basis van signalen (uit, aan, dimmen, kleur, enzovoorts) hebben we het normaliter pas over media, maar we moeten volgens McLuhan concluderen dat de inhoud van die boodschap eigenlijk bestaat uit een nieuw medium. Het signaal van het medium bestaat uit een nieuw medium. Uiteindelijk zijn het variaties in elektrisch licht en dit elektrische licht is zelf ook weer een medium. Het lampje zelf is enkel als lampje, dus zonder enig signaal, een medium. En McLuhan maakt duidelijk dat het niet zoveel uit maakt of je dit lampje gebruikt om er een boek bij te lezen ‘s nachts of er een spelletje mee te doen in het donker. Het gaat erom dat we langer de tijd hebben actief te zijn. Dit licht is daarmee net zo goed een extensie van onszelf. De inhoud van het medium is echter niet iets wat door het medium heen als signaal wordt verstuurd: de boodschap  die dit lampje zend is de boodschap van het medium zelf. De boodschap van het elektrische licht op zichzelf is een radicale, alles doordringende decentralisatie. Dat is de boodschap van het medium zelf. Ze elimineert namelijk tijd en plek als factoren in menselijke associatie. We zijn daar ontzettend mee vertrouwd en ons handelen is er mee verweven.  Het breekt ons plaatselijke, tijdelijke handelen af en stelt ons in staat overal en altijd te kunnen doen wat we willen. Die decentralisatie is een doorbreking van enige vaststaande menselijke schaal. Er is geen manier om weg te blijven van elektrisch licht en je op te blijven houden in een menselijke schaal: het is niet een kwestie van gebruiken of niet. Het raakt ons allemaal of we het willen of niet. De media zitten overal, zelfs waar u het niet meer door heeft. Daarom werkt het voorbeeld van een simpel lampje ook zo goed in de uitleg van McLuhan. Kunt u elektrisch licht nog vermijden?

We koersen af op een alomvattend informatiesysteem waar we zelf onderdeel van zijn. En steeds vaker lijkt volgens McLuhan de regie te verschuiven van de mensheid naar die elektronische media zelf. Als we niet eens meer door hebben dat we zo alom in de media zitten en er zo onlosmakelijk mee verbonden zijn: zou het dan niet kunnen dat de media ons dusdanig beïnvloeden dat we niet meer onafhankelijk van media kunnen denken. Dat we onderdeel zijn geworden van een mediaontwikkeling die ons overstijgt. Dat alle technologie dusdanig onze indrukken beïnvloed, en dat we enkel nog via die technologie kunnen waarnemen: dat we enkel nog zien en denken wat die technologie ons meedeelt. Niet dat die technologie een eigen bewustzijn krijgt, maar dat we dusdanig zijn ingekapseld en geobsedeerd door al die extensies dat we bedwelmd worden door de werking. McLuhan constateerde in 1964 al dat de mensen steeds meer gefascineerd zijn door hun eigen extensies, ze er zelfs door worden geobsedeerd en zijn enkel nog bezig te leven voor hun eigen extensies. McLuhan suggereert zelfs dat de mens wordt tot het seksuele orgaan van de technologie.

“… man in the normal use of technology (or his variously extended body) is perpetually modified by it and in turn finds ever new ways of modifying his technology. Man has become, as it were, the sex organs of the machine worlds, as the bee of the plant worlds, enabling it to fecundate and to evolve ever new forms. The machine world reciprocates man’s love by expediting his wishes and desires, namely, in providing him with wealth. One of the merits of motivation research has been the revelation of man’s sex relation to the motorcar. Socially, it is the accumulation of group pressures and irritations that prompt invention and innovation as counter-irritants. War and the fear of war have always been considered the main incentives to technological extension of our bodies.”

Die bedwelming te boven komen, en ontsnappen aan de rol als seks-orgaan van de machinewereld: we moeten uit die afstomping geraken, dat is wat McLuhan ons ondanks alles wil voorhouden. McLuhan ziet de oplossing als een soort immuun worden. Immuniteit is namelijk een ziekte hebben of krijgen, zonder er daadwerkelijk ziek van te zijn. En de kunst helpt ons bij het ontwikkelen van die algemene media-immuniteit.

“In the history of human culture there is no example of a conscious adjustment of the various factors of personal and social life to new extensions except in the puny and peripheral effort of artists. The artist picks up the message of cultural and technological challenge decades before its transforming impact occurs. He, then, builds models or Noah’s arks for facing the change that is at hand. “The war of 1870 need never have been fought had people read my Sentimental Education,” said Gustave Flaubert.”

Met verwijzingen naar onder andere Forster, Shakespeare, Yeats, Auden en Joyce maakt McLuhan wel duidelijk dat hij dan ook veel van die kunstenaars gebruikt en daarmee dus ook zelf die soort immuniteit heeft ontwikkeld, of toch op een of andere manier in staat is om enigszins te kunnen reflecteren op die media aan de hand van die kunstenaars. En dat is al moeilijk genoeg. McLuhan wil vooral niet als Plato, in al zijn streven om een ideale school te ontwerpen, vergeten dat Athene als stad een meer omvattende school was dan hij ooit zou kunnen bedenken. Oftewel: de allergrootste en omvattende school bestond al voordat er iemand hierover ging nadenken en datzelfde geldt voor media: het valt pas te bedenken op het moment dat het er al is en sterker nog: op het moment dat het er is zal het zelfs steeds moeilijker worden er überhaupt nog bij stil te staan. Kunst moet meer in generieke zin voorlopen en voorvoelen. Kunst moet gebruikt worden om te duiden hoe de ontwikkeling zal zijn. Het vergt van de kunstenaar een ‘sensitive inspection and appraisal’. Enkel de toegewijde kunstenaar heeft de kracht om de hedendaagse actualiteit te confronteren. En iedereen die over de hedendaagse media en de werking hiervan wil nadenken zal zich moeten keren naar de actuele kunstenaars.

Die kunstenaars lopen voorop en kunnen gebruik maken van een zekere vrijheid. Kunstenaar kunnen momenten voorvoelen waarop twee media met elkaar in botsing komen. Als twee media als hybride of ontmoeting tot een nieuwe vorm gaan komen. Want de parallel tussen twee media houdt ons op de grens tussen vormen, geeft ruimte voor nieuwe mogelijkheden, kent nog een onbepaaldheid waarin de kunstenaar als anticipator nieuwe vormen kan voorzien. Onze zintuigen die normaal door die media worden geïndoctrineerd zijn dan even vrij en ontsnappen aan de dagelijkse trance: er is als je je ophoudt bij die nieuwe hybride vormen nog geen ingesleten manier van doen, er is nog geen trance ontwikkeld. In de hybride overgang of samenkomst van mediaculturen zit dus de vrije ruimte. Juist een creatieve voorloper is de enige die een dergelijke vrijheid weet te genieten. Het is de enige manier om niet bedwelmd te worden door de menselijke extensies die de media zijn. Om niet onder te gaan in een wereldomvattende informatiestroom. Kortom om niet zelf (als docent, maar vooral nog als mens) tot ICT te verworden.

“By putting our physical bodies inside our extended nervous systems, by means of electric media, we set up a dynamic by which all previous technologies that are mere extensions of hands and feet and teeth and bodily heat-controls – all such extensions of our bodies, including cities – will be translated into information systems. “

McLuhan is naar mijn mening zelf al veel te vaak tot ‘data’ in die informatie verworden: afgestompd en onderdeel van een informatiestroom aan vertalingen en verwijzingen. McLuhan gedetailleerd lezen laat echter zijn poging tot immuniteit zien hiervoor, of op zijn minst een strategie zien die immuniteit kan bewerkstelligen. Waarin de discussie over media niet gaat over verslaafd zijn aan facebook of teveel achter de tablet ziten – maar waar alomvattende aspecten van media worden uiteengezet en wordt gezocht naar de vrije momenten waarop we zelf in staat zijn media te vervormen: vanuit het ontstaan van toekomstige media, waar huidige media in hybride vormen samensmelten, waarin de extensies nog geen vaste vorm hebben aangenomen. En misschien zit het boek daarom dan ook vol met schijnbaar onnavolgbare verwijzingen, associatieve referenties en kent een grote dichtheid aan rommelige argumentaties. Deze kunnen wellicht een rol spelen in het weerhouden om het boek te reduceren tot enkel de meer bekende statements (‘media zijn extensies van de mens’ en ‘the medium is the message’) en juist die hybride vormen proberen uit te stippelen en daarmee iets van invloed op het verloop hiervan uit te oefenen. Het doet ze onderdeel worden van een veel meer vertakt geheel, en ze inbedden in een veelvoudig betekenis-netwerk. Dat McLuhan een grote invloed heeft gehad op mediatheorie en cultuurfilosofie is een feit, maar het zou tegen zijn eigen werk ingaan als we hem zien als een eenvoudig referentiepunt in een makkelijk en lineair mediatheoretisch discourse.

De liefhebber zal natuurlijk ook de afzonderlijke hoofdstukken over ‘games’, fotografie, de telefoon, film, radio en tv lezen. Juist de bovenstaande redeneertrant die vooraf gaat aan die afzonderlijke hoofdstukken heb ik hierboven echter willen reproduceren. Dit maakt het namelijk mogelijk om dit werk van McLuhan te lezen in relatie tot meer hedendaagse ontwikkelingen en mediatheorieën. Zelfs wanneer we dan de exacte terminologie van McLuhan achtergelaten en er nieuwe woorden worden gebruikt om te beschrijven welke tendensen zich voordoen in relatie tot mens en media kunnen zijn redeneringen dan ons denken scherpen. Bijvoorbeeld bij het ambivalente begrip ‘machine’ dat in het werk van Deleuze en Guattari ook of juist in relatie tot onderwijs uiterst belangrijk is. Die ‘machine’ laat in het midden of media een extensie zijn van de mens of dat de mens wordt aangevoerd door de media. Het gaat om een praktijk van het constant met elkaar verbonden zijn in een bepaalde gezamenlijke tendens – dat is wat het een machine maakt. En juist die tendenzen kunnen afhankelijk van specifieke contexten, nieuwe mediavormen of bepaalde (ook politieke) inzet worden geanalyseerd en gecreëerd. Raunig vat dit kernachtig samen in zijn boekje ‘a thousand machines’:

“By distinguishing the machine from something that simply extends or replaces the human being, Deleuze and Guattari not only refuse to affirm the simple cultural-pessimism figure of the machine’s domination over the human being. They also posit a difference from an all too simplistic and optimistic celebration of a certain form of machine, which from Futurism tot cyber-fans is in dager of overlooking the social aspect in ever new combinations of “man-machine”. Technical prostheses as sheer useless retension of the inadequate human being, fictions of artificial humans following Mary Shelley’s Frankenstein, stories of machines increasingly penetrating into the human being usually provoke to be reductionist complements to the paradigm of alienation. … It is no longer a matter of confronting man and machine to estimate the possible or impossible correspondences, extensions and substitutions of the one or the other, of ever new relationships of similarity and metaphorical relations between humans and machines, but rather of concatenations, of how man becomes a piece with the machine or with other things in orde to constitute a machine.”

Daarmee zijn we echter McLuhan al ver voorbij en zien we zoals Raunig beschrijft een nieuw perspectief waar mens en media aaneengeschakeld zijn tot een samenhangend open geheel. Je moet dit uiteraard lezen als een afschrijving van het denken van McLuhan, maar tegelijkertijd zou een dergelijk ‘machine’ begrip op een paradoxale manier McLuhaniaans kunnen heten. Is dit niet de enige nog mogelijke vertaling van McLuhan die overblijft wanneer we vandaag de dag daadwerkelijk elk moment onder dreigen te gaan in de informatiestroom die hij 50 jaar terug al voorzag?

Deze boekbespreking is geplaatst binnen de volgende categorieen: 1964, ICT in onderwijs, McLuhan, Plato / Socrates, Toekomstgericht

One Comment

  1. Pingback: Jan Ligthart – Over opvoeding (tweede bundel) | onderwijs filosofie

Geef een reactie