Christopher Winch en John Gingell – Key concepts in the philosophy of education

Het is geen encyclopedie of woordenboek, maar het komt erbij in de buurt: het is een alfabetisch geordende weergave van een reeks aan onderwijsfilosofische begrippen. Door de besproken begrippen langs te lopen krijgt je een leuk beeld van een scala aan mogelijk interessante onderwijsfilosofische thema’s. Om een voorbeeld te geven: bij de ‘e’ komt naast ‘education’ nog ‘effectiveness’, ‘elitism’, ’emotions’, ‘entitlement’, ‘epistemology’, ‘equality’, ‘erotetic’, ‘excellence’, ‘existentialism’, ‘experience’, ‘experts’ en ‘expression (free)’ aan bod. En dat is dan pas één letter! Een zeer breed overzicht van diverse onderwijsfilosofische onderwerpen komt in dit boek dus bij elkaar. Een heerlijk boek om je rustig, onderwerp voor onderwerp, mee te bezinnen op onderwijs.

De auteurs noemen die onderwerpen in dit boek ‘key concepts’. Sommige van deze ‘key concepts’ zijn vrij gemakkelijk samen te vatten of in een paar zinnen uiteen te zetten, inclusief de problemen of vragen die het dan nog oproept. Maar het boek is ambitieus. Het probeert met een paar verrassende interpretaties en slimme doorwerkingen meer te doen dan het klassieke en vaak gehoorde denken over onderwijs samen te vatten. Het probeert deze concepten als concept te doordenken. Dus er wordt eerder een kritische beschouwing van het concept zelf gegeven dan dat er een soort geschiedenis van het concept wordt gegeven. Dat maakt het boek spannender dan dat je op basis van de titel en de kaft misschien zou denken en maakt dat het boek veel meer is dan een algemene samenvatting van belangrijke onderwerpen. Het ís een onderwijsfilosofie op zichzelf (in de vorm van een aanpak omtrent filosoferen over onderwijs) die ze beschrijven onder de ‘d’ van ‘definition’:

Philosophy of education—like philosophy itself— is largely a question of conceptual investigation. Because this is so there is a proper emphasis on conceptual clarity and thus an emphasis on the definitions of the concepts used in educational discourse. After all, we cannot be concerned to promote, say, creativity or intelligence, unless we first enquire what the concepts of ‘creativity’ and ‘intelligence’ mean. Such a search for definition is not merely a search for verbal equivalents—as in a dictionary—but rather a search for the conditions which must be satisfied before we are prepared to call anything creative or intelligent.

Dit zoeken naar definities en condities houdt een openheid en soms ook kritische houding in die scherp het onderwijsdebat in kaart probeert te brengen zonder daar gelijk met een vooringenomenheid een mening over te hebben. Daarin zie je dus een voorkeur voor de meer analytische filosofie in terug. Maar het spectrum van filosofen die worden aangehaald is groter, de belangrijkste die aan bod komen zijn: Whitehead (oa. met Vygotsky en Piaget over ontwikkeling), Wittgenstein (oa. over aandacht), Foucault (oa. discourse, opvallend genoeg niet bij discipline), Plato (over oa. kennis en geheugen), Marx (bij ideologie, maar ook een eigen vermelding als concept ‘marxisme’), Locke (over rechten), Chomsky (opvallend vaak genoemd, bij bijvoorbeeld competentie, psycholinguistiek en cognitivisme) en natuurlijk Dewey (omtrent oa. democratie, maar ook met Rousseau natuurlijk over ervaring). Daarnaast komen ongeveer alle ‘stromingen’ die van belang zijn of waren voor de onderwijsfilosofie langs: cognitivisme, behaviourisme, constructivisme, connectionalisme, innatisme, feminisme, paternalisme, pluralisme, pragmatisme, elitisme, nationalisme, communitarianisme en multiculturalisme worden allemaal, ook tegenover elkaar, besproken. Zeker bij deze ‘ismes’ is sterk uiteengezet wat het betekent en wat de implicaties zijn voor onderwijs, zonder dat er een uiteindelijke waarheid of algemeen geldige conclusie wordt gepresenteerd. Objectiviteit of neutraliteit wordt zelfs expliciet geproblematiseerd, juist als het gaat over onderwijs: er is geen algemene waarheid of praktische wijsheid die universeel geldig is, het is juist goed om de verschillende perspectieven, inclusief bijbehorende wereldbeelden en praktijken naast elkaar te zetten. Met een verwijzing naar Gramsci maken ze duidelijk dat er veel voor te zeggen is dat er meerdere ‘common senses’ zijn en dat er geen meest algemeen perspectief te geven is. De zuiverste manier van filosoferen is volgens de schrijvers om zoveel mogelijk bij ongegronde aannames en persoonlijke waarden weg te blijven en vervolgens de verschillende mogelijkheden uiteen te zetten en te onderzoeken. Daar ligt de weg om je als filosoof op al die verschillende concepten te oriënteren en uitspraken te doen over betere of mindere invulling van dergelijke concepten.

Het leuke is daarbij dat dit boek uit eind jaren 90 zich ook met name oriënteert op wat er in de jaren daarvoor voor belangrijke denkbeelden waren ontwikkeld. Denkers zoals J.P. White die eind jaren zestig schreef over creativiteit, autonomie en indoctrinatie, Barrow, R. (oa. schrijver van een introductie onderwijsfilosofie uit 1975 maar al die tijd enorm veel gepubliceerd over onderwijsfilosofie) en Noddings, N. en Peters, R.S. die beide een eigen boek hebben geschreven onder de titel ‘Philosophy of education’ (beide zeer de moeite waard) blijken belangrijke onderwijsfilosofen. Deze onderwijsfilosofen worden nu echter nog maar weinig aangehaald ondanks hun inderdaad grote bijdrage aan, en nog altijd flinke relevantie voor, belangrijke discussies omtrent onderwijsfilosofie. Maar ook de auteurs zelf mogen niet worden vergeten: Winch heeft ook zelf talloze boeken geschreven en weet zich goed thuis in de liberale traditie en Gingell lijkt zich in vergelijking met hem meer op kunst en politiek te orienteren, kunstonderwijs met name, waar hij zelf in de praktijk ook een flinke stempel heeft gedrukt.

Het is ondoenlijk om alle onderwerpen uit het boek hier inhoudelijk te bespreken. Als er al een centraal onderwerp is in het boek, waar bij meerder ‘key concepts’ naar terug wordt verwezen, dan is dit ‘de doelen van onderwijs’. Dit is misschien wel het meest centrale ‘key concept’ van allemaal. De aanpak van de schrijvers bij dit centrale onderwerp is exemplarisch voor de aanpak die ze bij de meeste concepten kiezen: argumenten voor en tegen bepaalde definities, condities of classificaties worden gegeven, in een altijd wat kritische maar plezierige toon, en uiteindelijk toch een soort conclusie of afsluiting waarin de schrijvers (soms meer de een, soms meer de ander) de balans opmaken. De mogelijke opvattingen over de doelen van onderwijs worden toegelicht aan de hand van de twee bekende tradities (zoals die in dit soort boeken vaak terugkomen) namelijk het ‘intrisieke’ (onterecht ook wel ‘liberale’ genoemd in het boek) en het intrumentale denken over onderwijsdoelen. Het schematiseert die twee stromingen, wat het makkelijk maakt om allerlei verschillende posities te vergelijken. Zo bestaat het instrumentele denken over onderwijsdoelen uit vocationele, socialiserende en persoonlijke gerichte doelen die prima naast elkaar kunnen blijven bestaan (hier zien we bijvoorbeeld de opvatting die Biesta verkondigt) maar die volgens té zeer conflicteren en waar dus noodzakelijk minimaal een hiërarchie in moet worden aangebracht. Dit boek maakt in aanvulling daarop duidelijk dat dit soort instrumenteel denken zich afzet tegen intrinsieke doelen van het onderwijs (het onderwijs kent doelen die op zichzelf nastrevenswaardig zijn, die geen vooraf bepaald effect, uitkomst of noodzaak kennen): interessant om die twee vrij strikt van elkaar te scheiden omdat er wel of niet iets buiten het onderwijs moet worden gezocht waaraan onderwijs dienstbaar moet zijn. Aan de andere kant lijkt het boek ook te suggereren dat dit soort discussies in de praktijk helemaal niet zo relevant zijn, dat er veel overlap is omtrent wat er in de praktijk moet gebeuren en dat degenen die zich erover uitspreken meestal gewoon een persoonlijke voorkeur uitspreken. Het lijkt me met dat alles een aardig startpunt om het denken over de doelen van onderwijs mee te starten voor iedereen die niet de volledige boeken van al de verschillende onderwijsfilosofen erop wil naslaan maar die zich beseft dat op basis van een visie op die doelen onderwijs heel verschillend kan worden vormgegeven.

Maar neem vooral zelf dit boek is op om u verder kritisch te verdiepen in de prachtige veelheid van onderwijsgerelateerde concepten die het biedt.

Deze boekbespreking is geplaatst binnen de volgende categorieen: 1999, Dewey, Foucault, Introductie, Marx, Onderwijsdoelen, Piaget, Plato / Socrates, Wittgenstein

One Comment

  1. Pingback: Judith Suissa – Anarchism and Education | onderwijs filosofie

Geef een reactie