Gary Hall – Pirate Philosophy

pirateValt er nog een soort alternatief circuit te vinden voor publicaties, kennis, ideeën, het delen van ervaringen? Een circuit waar men niet zoals in het reguliere circuit meteen verzandt in academische discussies, en over elkaar heen buitelende experts die er alles aan doen om hun realiteit geld waard te laten zijn. Of de social media met duizenden ‘likes’ of juist scheldpartijen onderaan je berichtje. Of anders het welbekende media-circus of het zoveelste online platform wat constant innoveert en een nieuw ‘product’ aan de man wil brengen? Zou het onderwijs niet juist een dergelijk alternatief kenniscircuit moeten waarborgen? Juist als het onderwijs zo gericht is op kennisdeling, ideeën uitwisseling en het van generatie naar generatie meegeven van ervaringen in meest uiteenlopende vlakken en diverse disciplines?

Gary Hall is een voorstander van het blijven proberen dergelijke circuits op te richten, maar denkt niet dat het onderwijs zich (al) onttrekt aan al die bovengenoemde reducerende en vervlakkende werkingen. Zoals al werd geschreven over zijn andere, toegankelijkere en (nog) meer op onderwijs gerichte boekje is het de vraag of Hall een werkelijk alternatief weet te formuleren met zijn ‘performatieve media projecten’. Misschien dat daarom Hall in dit boek zijn pijlen richt op een nog veel dieper doel, een complexere en fundamentelere zoektocht. Een zoektocht naar zichzelf en zijn eigen drijfveren. Maar daarmee ook een zoektocht naar een nieuw soort publicerend academicus. Een zoektocht langs talloze uitgevers, platforms, intitiatieven (ook van Hall zelf) en distributiekanalen, een waanzinnig aantal filosofen en denkers dat wordt aangehaald zonder ook maar enige moeite te doen ze werkelijk een plaats te geven in de denkwereld van dit boek, en het ellenlange notenapparaat dat bijna een derde van het boek in beslag neemt.

Via Foucault, Deleuze en Stiegler komt Hall tot een kritiek op de academicus die hij met een verwijzing naar de ‘quantified self’ beweging misschien ‘quantified academicus’ zou willen noemen.

“If the university, like the school, is “becoming less and less a closed site differentiated from the workspace as another closed site,” the same can be said of another importatn aspect of how the control economy and its media technologies are inventing us and our own knowledge work, philosophy, and minds; academic publishing. … Publishing today is consequently not an activity academics take part in just for and at work: with as many as a third of scholars reported to be on Twitter, they publish, and act as entrepeneurs and entrepreneurs of themselves and their own subjectivities, in all aspects of their life, in all their “relationships, choices, behaviors.” (Actually many social media communities informally encourage this. It is difficult to acquire high status and authority on Twitter, for example, merely by sending tweets that promote you and your work. You have to share more personal aspects of your life and ‘what’s happening?’ with you. Only by constructing this carefully curated ‘self’ is it possible tot gain the trust and respect of the community to the extent that a small proportion of work-related tweets are socially acceptable.).

Het is Hall zijn verdienste dat hij de mechanismen als geen ander weet te omschrijven, het denken, schrijven en publiceren van de academicus samen neemt en dit geheel aan een kritiek onderwerpt. En het is sterk dat hij daarbij de (juist op die manier gepubliceerde) gedachten en werkwijzen van de geciteerde filosofen (met name Stiegler) niet vergeet te mede te bekritiseren. Steeds maar weer vraagt Hall zich af of hij uberhaupt met wéér een boek en nógmaals een bespreking van filosofen wel enige kans maakt een tevreden stellend alternatief te vinden? In zekere zin vraagt Hall zich af in dit boek of zijn boek er wel had moeten zijn. Hij vraagt zich af of hij en de geesteswetenschappen niet een andere weg moeten inslaan. Hall vraagt meer dan dat hij rigoreuze antwoorden geeft.

Halls aanpak is daarmee nog zoekend, maar gaat in de richting van een cultuur waar datgene wát men doet geheel gelijk is aan degene díe dit doet. De theorie van een denker moet overeenstemmen met wat de denker praktiseert en wie hij of zij is. Het keert zich kortom naar binnen, probeert het af te vragen of het denken van de denker niet nóg ingrijpender zou moeten worden herzien, of er duidelijk te maken valt hoe we zouden moeten denken en doen op basis van de huidige academische omstandigheden. Of hoe het onderzoek en de stellingnames in het denken over deze thema’s eruit moeten zien. En keert zich vervolgens pas naar buiten om een samenwerking te zoeken met de juiste structuren om een dergelijke denker de meeste ruimte te geven voor uitwisseling van gedachten en debat.

Dit gaat gepaard met sterke ontmaskeringen van de vaak gehoorde alternatieven, als het creeren van structuren buiten de universiteit om:

“While appreciating the idea that there is an outside to the university is itself a university idea, and that attempts to move beyond the institution too often leave it in place and uncontested, is it possible nevertheless to deprive impetus from the emergence of autonomous, self-organized learning communities such as The Public School and free text-sharing networks such as Aaaaarg? Does the struggle against the businessification of the university not call on us too to have the courage to attempt new economic, legal, and political systems and models for the production, publication, sharing, and discussion of knowledge and ideas?

Hall zoekt liever realistische, praktische oplossingen in nieuwe samenwerkingsverbanden en infrastructuren. ‘Communities’ dus, gemeenschappen, groepjes die samen besluiten een nieuwe manier te zoeken om hun gedachten te ordenen en wijsheden uit te wisselen. Die gaan experimenteren. Waarbij men wel degelijk op bepaalde maillijsten, fora of ‘vrije’ platformen probeert een collectiviteit te vormen of samenwerking te vinden, maar dan wel zo veel mogelijk op basis van ongereduceerde en zo min mogelijk vervlakkende regels. En met bijvoorbeeld een ‘copyfarleft‘ oogmerk. Geert Lovink, een Nederlandse grootheid op dit gebied en met name bekend van het institute of network cultures, wist het onlangs als geen ander te karakteriseren:

… small-scale ‘minoritarian’ practices built up over the past decade that ignore top-down debates in society-at-large have created real existing commons. Think of free software, Wikipedia and Creative Commons (the alternative copyright license, mostly used for music and publications). Or all the initiatives that the P2P Foundation lists on its impressive web resource. Creative Commons is a reformist approach inside intellectual property law – and thus a domain of lawyers. As Gary Hall notices in his Pirate Philosophy : ‘Exponents of this understanding of copyright have been able to form a “coalition of experts with the legal access and resources” to mount a powerful campaign that frequently overshadows often more interesting and radical approaches.’ Agreed, ‘copyleft’ goes further than Creative Commons. However, it is a still legal contract and in the end also forces its legal will upon others, ultimately with the Power of the Law, threatening with repressive sanctions. Another approach in comparison to Creative Commons would be Dmytri Kleiner and his band of Telekommunisten, which came up with the copy-farleft license.

Maar met Lovink kunnen we ons wel degelijk afvragen of een dergelijk alternatief voor copyrights echt doorslaggevend zal zijn. Het gaat om de infrastructuur als geheel, de infrastructuur om het gemeenschappelijke, dat wat we echt van mens tot mens delen, dat buiten elk eigendom, prijs, of controle kan of mag bestaan. Voor Lovink is het met name ook iets was in zekere zin aan recht vooraf gaat, wat er bovenuit stijgt (nb: Lovink zegt hier Esposito te quoten maar dat is ook gewoon Hall zelf).

At times it can also be a place of lively debate and disagreement. It is not a place of consensus. The commons I have in mind consists of dozens of fractions. It is a place where people gather and discuss, such as the recent occupations of public squares and universities across the globe. As Roberto Esposito writes, ‘The Commons is a place where the interests of a large number of diverse groups … come together but also exist in a state of tension and conflict and are in fact often demonstrably incompatible and incommensurable.’ It is this aesthetic metastructure that we can call the commons. It is both metaphysical (in terms of the law) and material. … These days the challenge is to overcome the perpetual present. How can there be a dialectics in the real-time regime? Being a forerunner is a project with a clear sell-by date. How can a group or network achieve today’s mission to ‘destroy worlds’ as ‘Dark Deleuze’ Andrew Culp coined it? How can we de-familiarize ourselves with social media and transform it into a radically alien environment?

Laat ik er niet om heen draaien: Lovink is op dit punt een paar stappen verder dan Hall en hij weet onder andere op basis van het (in dezelfde reeks als Halls eerdere boekje uitgebrachte) werk van Andrew Culp dieper door te dringen en een meer gefundeerde filosofische kritiek te vormen. Hier zit qua denkwerk, concepten en nieuwe inzichten dusdanig veel meer kracht dat Hall erbij verbleekt. Hall richt daarentegen zijn peilen sterker op de huidige geesteswetenschappen, ‘digital humanities’, posthumanities en humanisme, object oriented philosophy, the computational turn, en een bespiegeling over het boek en datgene wat een boek een boek maakt. Hall blijft daarbij toch bij de meer veilige en brave Deleuze die affirmatie en creativiteit zou najagen. Hebben we echt wat aan deze verdere affirmatie en creativiteit, deze bijdrage van Hall in een tijd waar het al zo ontzettend vol is aan referenties, doordenkingen, uitpluizen en alternatieven creëren? Is dit niet juist hetgene wat ons verstikt? Moeten we niet juist naar een veel stroevere en ondergrondse organisatie waarbinnen ideeën kunnen circuleren?

Vanuit praktisch oogpunt moeten toch veel (ook kritische) denkers hun gedachten (in de tussentijd op zijn minst) ook bovengronds en zonder veel moeite moeten kunnen blijven verspreiden, zo zou Hall waarschijlijk betogen. Een boek via MIT uitbrengen geeft nou eenmaal meer reacties dan via de meer ondergrondse circuits. ‘Might acting as something like pirate philosophers be one way for us to do so?’: volgens Hall wel. Maar dan wel een opvatting van piraten bij de oude Grieken werd gehanteerd, waar piraten uitprobeerders waren, testers, onderzoekers. Waarbij piraten uiteraard ook wel voor problemen zorgden, dat hoort erbij. Waar niet lineair, maar heterogeen en poly-centrisch werd gewerkt. Het moet dynamiek geven, verrassen, soms indirect werken of antagonisme laten zien. En dat doet Hall, dat doet dit boek. Juist daar is hij zelf, met dit boek, een goed voorbeeld van. En het bekt natuurlijk ook nog eens lekker, het blijft hangen, het zou wel eens een goede ‘buzz’ kunnen blijken: piratenfilosofie.

Deze boekbespreking is geplaatst binnen de volgende categorieen: 2016, Deleuze en Guattari, ICT in onderwijs, Kennisoverdracht, Stiegler, Subversiviteit, Toekomstgericht

One Comment

  1. Pingback: Gary Hall – The Uberfication of the University | onderwijs filosofie

Geef een antwoord