Gary Hall – The Uberfication of the University

uberficationUber en Airbnb zijn prima voorbeelden: we gaan naar een situatie waarin we alle spullen samen delen, en betalen doe je enkel om toegang te krijgen tot de gedeelde waar voor een specifiek moment. De kamer of stoel in de taxi wordt op die manier gedeeld. En waarschijnlijk vindt het merendeel van de lezers dit heel normaal: je hoeft toch ook geen telefoon te betalen, maar je betaalt voor toegang tot het netwerk wanneer je belt – dat kennen we toch al jaren! En natuurlijk, de voordelen van deze platforms voor de gebruiker zijn duidelijk (goedkoper, makkelijk, …), naast dat het een grote efficiëntie biedt om die kamer of taxi (of wat dan ook wordt gedeeld) maximaal te benutten – dat is toch heel duurzaam en zuinig en goed? Lang leve de ‘sharing economy’!

Maar als je vanuit het perspectief van de werkgever kijkt zit er volgens Hall een behoorlijke adder onder het gras. Bij deze nieuwe sharing economy is staatsbescherming (daar waar de staat opkomt voor de rechten van de burgers en werknemers) buiten spel gezet. De werknemers van dit soort bedrijven kunnen überhaupt haast niet meer collectief optreden of uit solidariteit deze gang van zaken aanvechten. Iedereen is eerder een klein beetje werknemer of zou dat kunnen zijn, niemand écht, niemand langdurig, vaste contracten zijn taboe. Je kan op sommige momenten misschien blij zijn met de autonomie en onafhankelijkheid die daarmee gepaard gaat. Je hebt natuurlijk controle over het aantal uren dat je werkt en je bent flexibeler om je eigen werktijden te bepalen. Er is vast ook minder administratie en bureaucratie en je hoeft niet meer face-to-face bij je manager te praten over je toekomst. Maar de keerzijde is voor Hall veel belangrijker: dat het bedrijft compleet buiten schot blijft als het gaat over de verantwoordelijkheid die het heeft voor de werknemer, en dat  iedereen moet maar een soort micro-ondernemer zijn, en dat de werknemer (evenals de klant) tot in de kleinste details wordt gecontroleerd en vastgelegd (monitoren, surveilleren). Het maakt werknemers tot een zelf-disciplinerend en zelf-gepreoccupeerd individu:

“In fact, the sharing economy is a regime of subjectification designed to produce a specific form of self-preoccupied, self-disciplining subjectivity: that of individuals who function as if they are their own freelance microenterprises.”

Wat betekent dit voor het onderwijs? U begrijpt het al: een zelfde vorm wordt de laatste jaren ook in het onderwijs geïntroduceerd. Ook daar ontstaan platformen (kenmerkend voor die zogenaamde ‘sharing economy’) die onderwijs volgens een zelfde logica organiseren. Platformen die als een soort tussenpartijen de verantwoordelijkheden vaak van zich af kunnen schuiven naar de gebruikers zelf. Platformen die werken op basis van algoritmen en data, op basis van de logica van enen en nullen. En echt, dat is het stadium van een paar eerste verkennende MOOCs of een paar  startups die met leerplatformen bezig zijn voorbij. Neem bijvoorbeeld Lynda.com en de daarop geboden online cursussen, recent door LinkedIn overgenomen. Dit zijn ontzettend grote platforms met talloze werknemers, met een omzet in de miljoenen en met een zeer agressieve vorm van business. We moeten ze zeker niet onderschatten:

“.. if a company like LinkedIn made the decision to provide this level of finely grained information and data for its own unbundled, relatively inexpensive online courses … it would surely have the potential to be at least as disruptive as Coursera, Udacity, FutureLearn, and others have proven to be to date, if not considerably more so. For the kind of information about degrees and student final destinations, and ability to react to market changes any traditional bricks-and-mortar institution is capable of providing on its own would appear extremely unsophisticated, limited, and slow to compile by comparison. And lest the adoption by a for-profit sharing economy business of such an aggressive stance toward public universities seems unlikely, it is worth noting that Google maintains its dominance of search in much the same way. In the words of its chief research guru, Peter Norvig, the reason Google has a 90 to 95 percent share of the European market for search is not because it has better algorithms than Yahoo! and Bing but rather “it just has more data.” Indeed, one of the great myths about neoliberalism is that it strives to create competition on an open market. Yet, as the venture capitalist Peter Thiel, cofounder of PayPal and early Facebook investor, emphasizes in his book Zero to One, what neoliberal businesses actually want is to be a monopoly: to be so dominant in their areas of operation that they in fact escape the competition and become a market of one. “Competition,” as Thiel puts it elsewhere, “is for losers.” As if to testify to this belief, LinkedIn was itself bought by Microsoft in mid-2016 for $26.2 billion.”

Voor de werknemers in het onderwijs is volgens Hall de impact al zichtbaar. Hall spreekt in een vraaggesprek over parasitaire praktijken die in het onderwijs zijn intrede maken. Het zijn praktijken waarbij de mens wordt getransformeerd in precaire eenheden die in een omgeving werken die nauwelijks meer houvast biedt en impliciet volledig is ingericht op winst – het bedrijf parasiteert op de werknemer. Daarbij zal het werk (net als bij Uber en Airbnb) zich toespitsen op een hele specifieke dienst waartoe tijdelijk toegang toe wordt verschaft en zal al het andere als inefficient worden wegbezuinigd. Dit betekent voor de docent dat je eigenlijk enkel nog betaald wordt om je lessen zo goed en effectief mogelijk te geven ten koste van jou als mens. Geen enkel soort ondersteuning dus voor je welzijn, geen onderzoek, voorbereiding of echte persoonlijke ontwikkeling dus. Onderzoek wordt een elitaire bezigheid bij ‘excellente’ programma’s.

En dit lesgeven als tijdelijk en hoog effectief product moet worden geoptimaliseerd door de micro ondernemer: de docent. Hiervoor is (ja hier gaat de vergelijking nog altijd op) een heel systeem van monitoren en evalueren ingebouwd, waarbij persoonlijke ‘ratings’ de uitslag geven over of iemand goed of niet heeft gepresteerd. Waar dit soort ‘ratings’ misschien nu nog zou moeten gaan over het soort feedback dat een docent geeft, zal dit in de realiteit volgens Hall logischerwijs steeds meer gaan over hoe ‘leuk’ of plezierig docenten zijn (en misschien goede leraren juist afstraffen?). En dat soort ratings gaan meer en meer doorslaggevend zijn in de mate waarin je inkomsten zijn gegarandeerd. Zo lang je een vast contract hebt speelt dat misschien niet zo, maar vandaag de dag zijn (volgens Amerikaanse cijfers, door AFT) al 76% van alle werknemers in onderwijs op basis van niet permanente conctracten, waarvan 70% deeltijd. Tergelijkertijd (Cijfers UK, door UCU) is 49% van de docenten werkzaam op basis van onzekere contracten. Nog prangender is het onderzoek onder 2500 werknemers uit het onderwijs van diezelfde UCU dat een derde van de werknemers moeite heeft de rekeningen thuis te betalen en een vijfde problemen heeft om hun voldoende eten te kunnen kopen.

Volgens Hall zie je veel van deze werknemers (die toch om wat voor reden ook in het onderwijs actief willen blijven) om dit vol te blijven houden naast hun werk andere activiteiten ontplooien.

So they have developed what Eileen Joy dubs “alt-cult” or “alternate-cultural” organizations and projects that occupy the institutional interstices instead: autonomous universities, schools, presses, journals, and magazines. It is a section of the population that is still interested in scholarly research and ideas—in critical theory, continental philosophy, and so forth—and who often collaborate with those who are employed in higher education on a more secure footing. Only now it is from “the position of the ‘para’ [the ‘beside’], a position of intimate exteriority, or exterior intimacy.”

Let wel, met een groot risico: maar al te makkelijk kan een dergelijke positie haast worden opgeslokt als noodzakelijk onderdeel binnen die parasitaire praktijken – want het zou misschien nog de enige manier kunnen blijken om goed je werk te doen en daarmee de juiste ‘ratings’ te halen en expert te blijven. Toch kan volgens Hall hiermee ook een ander doel worden bereikt, en daarvoor haalt hij Lyotards opvatting aan van experimenteerders die (anders dan experts) hun doel juist tegen de heersende condities in bepalen:

“In contrast to experts, experimenters … remain unperturbed by the notion that the vast majority of people may not readily understand what they do. They are unconcerned by this notion because they do not have a pregiven addressee, whether this be known as a “public,” “readership,” “audience,” or “market,” that they are trying to win over and seduce. Rather, philosophers, artists, and writers are by definition involved in questioning the limits of preconstituted fields— along with the accepted criteria of judgment (i.e., of performativity, of “what works best”) by which they would be held to account if they were to be criticized for not being intelligible, useful, profitable, or political enough.”

Dit soort experimenteerders gaan in tegen de werking van die parasitaire praktijken. Het daarmee samenhangende soort output gaat juist in tegen de manier van werken van de zogenaamde ‘disrupters’ zoals Uber of de vergelijkbare partijen in het onderwijs: de zaak van deze experimenteerders is het ‘disrupten’ van de disrupters. En dat is allesbehalve makkelijk, maar de enige weg uit de moeilijkheden. We moeten niet tegen die parasitaire praktijken zijn en ons laten verleiden tot een ‘anti’ positie, maar ze eerder in de war schoppen doordat we op een positieve manier naar iets anders streven. Aangezien ze streven naar ‘microentrepreneurs’ moeten wij een affirmatieve disruptie nastreven van onszelf als microentrepreneur.

Hoe dan? Hall schrijft dat hij het zelf aan het proberen is.

“I have been doing so along with a number of different actors, groups, and organizations, some of which operate under the names of Culture MachineOpen Humanities Press, and the Centre for Disruptive Media. The result has been a series of performative media projects—performative in the sense that they are concerned not so much with representing the world (or not just with doing so) as with acting in or intraacting with it. They include Media Giftsthe Liquid Books seriesLiquid Theory TVPhotomediations Machine, and Photomediations: An Open Book. The Uberfication of the University is part of an expanded, iterative text involved in creating just such a performative media project, the aim of which is to affirmatively disrupt platform capitalism and the corporate sharing economy.”

En aan de ene kant kan daarmee Hall’s boek worden gelezen als een gedegen opmaat tot het aan de man brengen van een paar van zijn persoonlijke projecten en publicaties om daarmee zijn rol als expert te verstevigen. Aan de ander kant, als we Hall volgen, is dat natuurlijk niet terecht. Dan moeten we alles wat Hall aanhaalt evenals dit boekje zelf zien als een poging om wel degelijk een disruptie van de disruptie te realiseren en kunnen we hem scharen onder de experimenteerders. Juist het schrijven van dit soort boeken is namelijk een begin van de verstoring van de bedrijven volgens Hall. Hoe dan ook, de lastig te bepalen grens tussen die twee moge duidelijk zijn en de vraag is of de ‘sharing economy’ echt wakker ligt of in de war raakt door dit soort publicaties. Waarschijnlijk pas als veel mensen uit het onderwijs een dergelijke manier van denken omarmen en zich net als Hall storten op ‘performatieve media projecten’. En dat dit helemaal niet zo onrealistisch is valt wellicht op te maken uit het net verschenen ‘pirate philosophy‘ hoewel daarin de complexiteit nog wel wat wordt opgeschroefd.

Vooralsnog houdt het hier op met een al met al niet onverdienstelijke stellingname van Hall. Het boek is gepubliceerd (en ook online te downloaden als pdf) in een interessante reeks boeken genaamd ‘forerunners‘ waarbij het de bedoeling is het denken te vangen terwijl het nog ‘in-process’ is en die de potentie hebben een doorbraak te zijn: dat er meer van dat soort boeken met gedachten ‘in process’ over onderwijs mogen worden geschreven!

 

Deze boekbespreking is geplaatst binnen de volgende categorieen: 2016, Eigentijds onderwijs, Experiment, ICT in onderwijs, Toekomstgericht

One Comment

  1. Pingback: Gary Hall – Pirate Philosophiy | onderwijs filosofie

Geef een reactie