Joost de Bloois – In de naam van het maagdenhuis

indenaamEwald Engelen (UVA) en Angela Wigger (RU) maken het wel heel bont. Dit boek schrijven ze in hoogdravende taal ‘het blootleggen van de neoliberale reductionistische travestie’ toe,  het is ‘het vademecum, het manifest, voor de herverovering van de universteit als publiek en politiek terrein’, ‘het neusje van de zalm op het gebied van de filosofische maatschappijkritiek’ en ‘verplichte lectuur’. Toe maar. Hieronder een iets minder hoogdravende beschrijving van de inhoud van dit wel degelijk interessante boek door Joost de Bloois, werkzaam bij de UVA. Een boekje vol met referenties naar kritische filosofie en radicale denkers uit de linkse hoek, en meer specifiek een boekje dat de ideeën uit het Maagdenhuis tijdens de bezetting probeert te expliciteren.

Bij de keuze voor de aanpak en in de algehele stellingname in dit boek staat Badiou (voor een kort beschrijving zie filosofie.nl) centraal. Daardoor vraagt De Bloois zich niet gewoon af “waar gingen die protesten rondom het Maagdenhuis nou eigenlijk de hele tijd over?” maar stelt hij de vraag ‘uit welke maatschappelijke en politieke ontwikkelingen die is voortgekomen’ en hij vraagt, in navolging van Badiou (geïnspireerd op de Franse antropoloog Lazarus) naar nieuwe namen voor wat er tijdens die protesten speelde en ‘wat vooralsnog ongehoord blijft in de politieke, ideologische en instutionele status quo‘. Hij zoekt een naam voor juist het daar geziene politiek handelen, een handelen dat volgens De Bloois lokaal en progressief is, en een wereldwijde impact kent.

Ik beschouw het Amsterdamse Maagdenhuis als conceptuele locus of conceptuele habitat: als een plek waar de maatschappelijke en politieke breuklijnen van het Nederland van de afgelopen kwart eeuw zichtbaar worden gemaakt, ter discussie worden gesteld, en van alternatieven worden voorzien; als een plek waar het scenario van de hedendaagse politiek herschreven wordt. Dit is dus geen overzicht van de gebeurtenissen aan de Universiteit van Amsterdam in het voorjaar van 2015, en geen bijdrage aan een archief dat ongetwijfeld aangelegd zal worden. … Het is ten dele die inbedding in de geschiedenis – het Maagdenhuis als progressieve lieu de memoire – die voor aandacht in de landelijke media heeft gezorgd. Nostalgie als mediastrategie? Of een gedeeld gevoel van verlies van een gedeelde horizon, van het verdwijnen van het naoorlogse sociaal-politieke project van emancipatie en gelijkheid. Méér nog dan Occupy lijkt de bezetting een gevoelige snaar te hebben geraakt voorbij de activistische en artistieke fringe, bij het maatschappelijke midden. De vraagt dringt zich op: welke vragen, begrippen en maatschappelijke verschuivingen liggen verscholen in de naam van het Maagdenhuis?

Toch lijkt me de vraag “waar gaan die protesten in het maagdenhuis nou eigenlijk de hele  tijd over?” behoorlijk de lading te dekken.

Het Maagdenhuis kan volgens De Bloois aansluiting vinden bij protesten in Quebec, maar vooral ook Canada en Groot Brittanie, naast ‘de meerstemmigheid van politieke en sociale experimenten’ waaronder ook Amsterdamse kraakpanden en de Italiaanse ‘centri sociali’ vallen. Het Maagdenhuis is een van vele acties en bewegingen. En het is ook wel goed om in een dergelijke veelheid te vallen, want dan weten we dat het maagdenhuis net als die andere voorbeelden weer een (zoveelste) nieuwe politieke ecologie wil belichamen. Een alternatieve politieke ecologie. De Bloois wil die in algemene zin niet unieke, maar wel specifieke variant politieke ecologie van het Maagdenhuis duiden. En daar is eigenlijk het hele boekje aan besteed.

Zes sleutelbegrippen hanteert hij hiervoor.  De eerste vier zijn rendement, neoliberalisme, cognitief kapitalisme en precariteit. Het zijn de vaak gehoorde en voor de geïnteresseerde lezer toch wat voor de hand liggende termen die hier weer eens worden uitgewerkt en geïnterpreteerd. In vogelvlucht: rendementsdenken is volgens De Bloois de hedendaagse uiting van wat Foucault biopolitiek noemt, controle en beheersing van het leven. Deleuze, Galloways nadruk op het protocol, en ook Virno geven hierbij de verdieping. Neoliberalisme is een politieke economie, een economie als beheersstrategie, waarvoor dit rendementsdenken uitermate geschikt is. Hetgeen met Berardi, Harvey en Marazzi wordt uitgewerkt. Binnen dit neoliberalisme weet De Bloois de overgang aangeven ‘naar een autoritair kapitalisme dat zich hult in bestuurskundige retoriek’. Een cognitief kapitalisme, wat ook wel postfordisme wordt genoemd. Op dit punt worden de sociologen Pascal Gielen en Willem Schinkel aangehaald ter onderbouwing. En of Lazzarato het al weer ten grave draagt of niet, volgens De Bloois is er wel degelijk sprake van een omslag naar immateriele productie, kennisproductie in geval van de universiteit. Inhoudsloze managers, intervisie, leiderschap – voor De Bloois wurgende effecten van juist dat cognitief capitalisme, resulterend in structurele onzekerheid en kwetsbaarheid van het levensonderhoud. Als symptoom van het bovenstaande (neoliberalisme, rendementsdenken, cognitief kapitalisme) zien we dus precarteit, in het onderwijs bij flexwerk, stages, freelance contracten, postdoc projecten – met als kenmerk gefragmenteerd werk, altijd beschikbaar moeten zijn, en afhankelijkheid. Het is bestaansonzekerheid die zowel financieel en juridisch, als ook emotioneel, subjectief is. De precariteit wordt een eigen keuze, bestaansonzekerheid wordt tot zelf-precarisering (Lorey). Het is de belofte van een gewoon leven dat nooit komt. Met onder andere Virno beschrijft Bloijs de virtuositeit die van ons wordt verwacht, wat ook zeker een opportunisme en cynisme kweekt, net als schaamte en angst. Op deze manier geven deze vier termen een duidelijke en toch wel relevante analyse van de huidige situatie op (bepaalde? of alle?) universiteiten en onderwijsinstellingen, die in het Maagdenhuis werd bediscussieerd.

Vanuit die analyse worden de nu op onderwijsinstellingen aangeleerde, maar inhoudsloze vaardigheden – de 21st century skills – tot enkel ‘vaardigheid tot aanpassing’ bekritiseerd. Aanpassing is namelijk zoiets als de kernstrategie van neoliberalisme, uitmondend in ongelijkheid, als in een anti-humanisme. Onderwijs is tot een soort aanpassingsinstituten verworden, universiteiten staan in dienst van de markt, de economie, de staat – waarbij deze laatste helemaal met elkaar zijn verknoopt. De Bloois volgt daarmee kortom Althussers stelling dat de universteit een ‘ideologisch staatapparaat’ is. Niet gek aangezien we te maken hebben met een sterk door Badiou geinspireerde analyse, Badiou erkent namelijk Althusser als een van zijn belangrijkste leermeesters.

Dan blijven er nog twee begrippen over die door De Bloois worden uitgewerkt. Pas met een na laatste begrip ‘schuld’, iets wat op deze site al in het boekje ‘The Undercommons’ van Harney en Moten was langs gekomen, weet De Bloois te prikkelen en zou een verdere uitwerking niet misstaan. Schuld in het onderwijs gaat namelijk niet alleen over het leenstelsel (schuld die opbouwt met onderwijs). Lazzarato heeft uitgebreid over schuld geschreven en zijn analyse wordt hier door De Bloois samengevat in verband met het onderwijs: schuld wordt een cruciaal onderdeel van de studiebeleving, het academische bestaan, en ook een pedagogiek. Een pedagogiek van service aan een klant. Kritische reflectie op cultuur en maatschappij wordt naar de marges van het publieke domein en het publiek debat verbannen. Schuld is daarmee een groot probleem, het maakt van burgers calculerende individuen, ondergeschikt aan de schuldenaar (de staat), machteloos, zonder toekomst. Het hangt daarbij ook nog eens samen met de privatisering van de universiteit en de (hypotheek)schuld die de universiteit zelf vertegenwoordigd, de universiteit is eigenlijk (in zekere zin) eigendom van de bank. De vastgoedschuld is volgens De Bloois symtomatisch, de universteit kannibaliseert publiek bezit. Hét onderwijsprobleem van deze tijd is kortom misschien wel deze ‘schuld’ in al zijn vormen. En met Lazaratto wordt tenminste ook het weerwoord duidelijk: weiger je als schuldenaar te gedragen. Ook al heb je een lening, je hoeft niet schuldig te zijn of je zo te voelen. Weiger de sociale rolverdeling die daarbij hoort. De Bloois schrijft:

‘de ultieme inzet van de bezetting van het maagdenhuis was het hervinden van autonomie door middel van de opschorting en de exodus. Dat wil zeggen: ‘autonomie’ niet opgevat als autarkie (als zelfvoldoening, die een gesloten gemeenschap wil behouden), maar als een hernieuwde, onvoorwaardelijke voorstelling van ons werk, van onze verhouding tot elkaar (van docent tot student, van bestuur tot medewerker), en van de publieke rol van de universiteit. Autonomie als prefiguratie.’

Een publieke, onschuldige opstelling van het onderwijs. Daar zou meer over geschreven kunnen en moeten worden. De Bloois geeft daarvoor de aanzet.

Blijft er nog één begrip over. Die laatste term doet een poging die schuldvrije, autonome samenwerking te duiden: het is het begrip ‘democratie’. Deze term is dan misschien het doel geweest in veel toespraken en debatten, evenals in de manier van organiseren binnen het maagdenhuis, maar het is ook wel een zelf bediscussieerde term. Democratie is namelijk makkelijk te bekritiseren: democratie is toch de vorm van politiek die we kennen en waarbinnen juist het neoliberalisme, cognitief kapitalisme en rendementsdenken welig tiert? In welke zin zou democratie dan een alternatief kunnen bieden juist daarvoor? Wat De Bloois betreft maken we echter de volgende move: als we het over democratie hebben, dan hebben we het over iets dat iets wat vooraf gaat aan politiek, wat politiek ‘open houdt’, waarbij we zowel subject als actor kunnen zijn, iets wat je emancipatoir zou kunnen noemen. Met democratie bedoelen we dan dus geen vorm van politiek, zoals we er normaal over praten. Met democratie bedoelen we geen type politiek organisatie of politiek systeem. De Bloois denkt het begrip democratie ‘terug te kunnen eisen’, een ‘herdefinitie’ te moeten maken. Zodat we daarbinnen ‘diversiteit tot uitgangspunt kunnen maken’ en democratie (weer?) kunnen zien als vorm van verzet van opkomende sociale bewegingen. De Bloois ziet wel iets in het einde van de representatieve democratie, en wil daarvoor in de plaats emancipatoire politiek, wat we dan dus democratie noemen. Een verzet tegen de elite. In woorden van Agamben: een profantie, het ‘teruggeven voor gebruik door de gemeenschap, het collectief’. En dat past erg mooi bij wat over schuld werd geschreven. De Bloois probeert het met Ranciere te verduidelijken: democratie moet dissensus zijn, als nieuwe verdeling van het zintuigelijk waarneembare, fundamentele openheid, van een fundamentele an-archie. Wat natuurlijk goed past bij de dekolonisatie (vooral ook van het denken) waartoe zo krachtig en terecht werd opgeroepen in het Maagdenhuis met name door University of Colour. Maar De Bloois volgt toch met name ook hier weer Badiou in zijn idee van een ‘werkelijk democratische’ beweging. Democratie wordt in dat geval opgevat als een populair en emancipatoir politiek middel. Het maakte ‘iedereen gelijk’ voor zover dat mogelijk, en het doet er geeneens toe of die idealen ooit in het groot verwezenlijkt kunnen of gaan worden. Net zoals Derrida over de universiteit, die namelijk pleit voor een ‘horizon’ van een onvoorwaardelijke universiteit, ondanks dat die onmogelijk is kunnen we dat wel tijdelijke en plaatselijk in grote mate realiseren. En dat is noodzakelijk. Juist ook (en dat is op dit essentiele punt dus weer Badiou) om iedereen de kans te geven een aanpassing van de bestaande situatie te laten eisen. Het is een complexe maar bekende filosofische positie die De Bloois hiermee inneemt, of die hij uit naam van het Maagdenhuis expliciteert, die je met Badiou communistisch zou moeten noemen, aldus onderstaand citaat uit het werk van Badiou zelf:

From the point of view of philosophy, democracy is neither a norm nor a law nor an objective. Democracy is only one of the possible means of popular emancipation, exactly in the way the mathematical constraints are also a condition of philosophy. … At the source, as formal condition, it designates in fact the submission of all validations of statements to a free protocol of argumentation, independent of the position of the person who speaks and open to be discussed by anyone whatsoever. At the endpoint, as real democratic movement, it designates one of the means of popular emancipatory politics. I propose to call ‘communism’, philosophically speaking, the subjective existence of the unity of these two meanings, the formal and te real. That is to say, it is the hypothesis of a place of thought where the formal condition of philosophy would itself be sustained by the real condition of the existence of a democratic politics wholly different from the actual democratic State.

De Bloois noemt het niet communisme, maar neemt precies dit standpunt in. Dit wordt met name duidelijk omdat hij juist vanuit deze positie komt tot een kritische blik op het Maagdenhuisbezetting zelf of het vervolg dat het heeft gekregen. We moeten uiteindelijk (nog altijd in lijn met Badiou) een nieuw soort politieke subjecten hebben en daar heeft de bezetting nog niet toe mogen leiden. Het Maagdenhuis is blijven hangen bij pre-politiek. Het is contour scheppend geweest, maar meer niet. De hele maatschappij is (nog) niet bereikt, het nieuwe politieke subject is nog niet gevormd. Zoals in het nawoord wordt geschreven: waar we blij mee moeten zijn is vooral dat er weer even kritisch is nagedacht, misschien zelfs in een nieuwe vorm. En ook al is het bijna onmogelijk, vandaag de dag moeten we dat toch vooral blijven voortzetten, het open en publiekelijk kritisch blijven denken, gevaren benoemen, onvoorwaardelijk zelfs. Zodat iedereen, vanuit een radicale gelijkheid, de kans krijgt zich tot een dergelijk nieuw politiek subject te vormen.

Ik denk dat veel lezers, ook de kritische denkers, zich bij een dergelijk standpunt makkelijk kunnen aansluiten – los van de vraag of ze zich communistisch willen noemen. Het is een positieve opvatting van gelijkheid, mogelijkheden open houden, participatie, autonomie, democratie – met natuurlijk een sterke oproep tot kritisch denken en stellingname. Het is precies het soort boodschap dat de lezers van dit soort boekjes denk ik aan spreekt. Maar het zijn toch ook een beetje de vrijblijvende, op experiment en ‘horizonnen’ gerichte denkbeelden die zo makkelijk weer aan de kant worden gezet of vergeten in de alledaagse (neoliberale) praktijk. Precies dat risico dat De Bloois zelf eerder beschreef in het kader van ‘commonism’: namelijk dat een dergelijk initiatief blijft ingeschreven in de groeiende socio-economische ongelijkheid, toegankelijk enkel voor vrij specifieke segmenten van de maatschappij, en geen werkelijk alternatief (maar eerder pauze van) de neoliberale hegemonie. Een dergelijke opvatting kan je volgens mij te makkelijk tegen zijn analyse in dit boek gebruiken. Maar goed, De Bloois blijft bij zijn uitgangspunt, dit is nou eenmaal wat er vervat zit ‘in naam van het Maagdenhuis’. Waarschijnlijk terecht, en misschien ís dit ook het probleem geweest van de bezetting en moeten we dit onder ogen zien.

En zou je niet tevens moeten concluderen dat de Badiouaanse vraag naar de naam van het Maagdenhuis wel heel opvallend wordt beantwoordt met een Badiouaanse uitweiding over democratie: maakt dit de hele (beschouwing van de) Maagdenhuisbezetting niet wel heel erg Badiouaans? Waarschijnlijk lezen we hier gewoon een interesse en denkperspectief van de auteur terug. Dat lijkt ook te blijken uit het nawoord, waarin De Bloois in eenzelfde lijn concludeert dat we nu, na de bezetting, moeten werken aan en wachten op nieuwe gelegenheden, nieuwe symbolen, nieuwe politiek activisten – wat allemaal nog altijd sterk aan Badiou doet denken. Het lijkt me goed om het Maagdenhuis en vooral ook alles wat daaruit (nog) volgt niet teveel gelijk stellen aan waartoe Badiou oproept en aan de Badiouaanse voorkeuren van De Bloois. Dat lijkt me te eenzijdig, het boekje heeft dan de neiging om beperkend te werken. Of we zouden kunnen concluderen dat het verzet nu wel voorbij is en dat we ons beter op de ‘nieuwe (geo)politieke veranderingen van het afgelopen jaar’ kunnen richten zoals De Bloois wil.  Maar dat zou voor het onderwijs en het denken hierover jammer zijn.

We zouden daartegen enkel ( de zich mede op Badiou baserende) Tiqqun hoeven volgen om een ander plan te schetsen om de sentimenten die in het Maagdenhuis aanwezig waren een heel ander vervolg te geven. Tiqqun ziet enkel heil in een type verzet dat bestaat uit handelingswijzen (en bijbehorende kennisvormen) die ontregelen vanuit een zekere onzichtbaarheid. Een verzet vanuit ondergronds (onder de brug), onnavolgbaar, niet meer met boekjes en publieke discussies, misschien zelfs niet eens meer ‘in naam van’ wat dan ook? In de naam van een nieuw soort onzichtbaar Maagdenhuis, als in…

…een ondergronds (communicatie)netwerk dat opereert tegen het idioom en de informatie van de macht. De opstand is niet het werk van brute kracht, maar van een ‘weten en kunnen’ (savoir-pouvoir). De onzichtbaarheid … is hierin een voorwaarde om te kunnen communiceren.

… het is juist onzichtbaarheid – de sabotage van iedere vorm van representatie – die de voorwaarde vormt voor de vrije gedachte…

Dat De Bloois wel degelijk weet heeft van deze optie mag blijken uit zijn eerdere werk dat hier wordt geciteerd, maar in dit boekje neemt hij Tiqqun slechts in hun analyse van Bloom serieus. Blijkbaar wil De Bloois zich, ergens zelfs wel tevreden klinkend over de concreet behaalde resultaten, niet verbinden aan meer opruiende bewoordingen van Tiqqun waarmee de behaalde resultaten van de bezetting als schijnresultaten of zelfs non-resultaten kunnen worden weggezet. Misschien is dit net te radicaal of ‘ondergronds’ dan wat De Bloois zich vanuit zijn positie op dit moment kan of wil permitteren?

Deze boekbespreking is geplaatst binnen de volgende categorieen: 2016, Althusser, Badiou, Dekolonisatie, Demonstreren, Derrida, Politiek en overheidsbeleid, Rancière, Subversiviteit, Universiteit, Virno

Geef een reactie