Albert Camus – De eerste man

Als je het aan de Denker des Vaderlands (want ja zo mag Daan Rovers zich noemen op het moment dat dit geschreven is) vraagt is dit een van de beste boeken over kinderen en opgroeien. Dat zegt natuurlijk helemaal niet zoveel. Toch is het wel verrassend. Het boek is helemaal niet zo’n bekend voorbeeld als de andere boeken die ze noemt (namelijk Pippi Langkous, Bordewijks Karakter of Emile van Rousseau). Het boek is daarnaast ook niet ‘af’, het is niet meer dan een manuscript – Albert Camus overleed voordat hij het klaar had – en dat het niet af is kan je ook duidelijk merken als je het leest. Het is autobiografisch, dus het gaat over Camus zijn eigen kindertijd en biedt nauwelijks een dat overstijgende gedachte over onderwijs of opgroeien. Werd Rovers beperkt door wat er beschiktbaar was op de webshop van filosofie.nl? Nee, ze laat met het oude werk van Kant (haar vijfde keus) zien dat afwijken van het aanbod mogelijk was. Rovers houdt waarschijnlijk gewoon enorm van het romantische beeld dat arme kinderen ondanks alle slechte omstandigheden toch wel plezier kunnen hebben en met wat hulp van buitenaf kunnen ‘opklimmen’ en daar een dankbaarheid voor het onderwijs aan over kunnen houden. Want dat is wat ze vooral uit dit boek van Camus haalt en waarom ze het (zoals ze zelf schrijft) elk jaar aan de docent geeft waarvan haar kind afscheid neemt. Maar ze leest het boek dan onterecht alsof het vooral over ‘het plezier van kind zijn’ gaat, en hemelt de ‘ontroerende brief die Camus schrijft aan zijn leraar van de lagere school’ op aan het eind van het boek in haar bespreking van dit boek. Het is waar: zonder die leraar zou Camus namelijk nooit hebben kunnen doorstuderen en daar geeft Camus in dit boek rekenschap van. Aan het eind lezen we inderdaad een hele korte dankbetuiging van de succesvolle Camus aan zijn leraar. Maar dit boek geeft zeker geen algemeen toepasbaar onderwijs ideaal. Waarschijnlijk moet een docent ook helemaal niet graag willen dat een leerling, jaren later, schrijft aan zijn vroegere leermeerster: “uw inspanningen, uw werk en het grootmoedige hart dat u erin legde, blijven voortleven in een van uw scholiertjes die, ondanks zijn leeftijd, voortdurend nog uw dankbare leerling is“?

De situatie bij Camus is namelijk helemaal niet zo nastrevenswaardig. Bij Camus neemt de schoolmeester in zekere zin zijn vaders rol over (Camus heeft zijn vader niet gekend). In zijn schoolmeester heeft hij, zoals hij zelf schrijft, ‘eerst als kind en daarna zijn hele leven lang, het enige weloverwogen en tegelijk beslissende vaderlijke gebaar had herkend waarmee in zijn jonge leven was ingegrepen‘. Want, zo vervolgt hij, ‘meneer Bernard, zijn onderwijzer in de hoogste klas van de lagere school, had op een gegeven moment al zijn gewicht als man in de schaal geworpen om een verandering aan te brengen in het lot van die jongen waar hij verantwoordelijk voor was, en had het ook inderdaad veranderd.‘ De docent zorgt ervoor dat Camus verder kan studeren, iets wat hij zelf als beslissend voor zijn verdere leven ziet. Camus hielt al hartstochtelijk van school, omdat ze thuis ‘armoede en onwetendheid het leven harder maakten, triester, en als het ware in zichzelf opgelsoten; armoe is een vesting zonder ophaalbrug.‘, en ook stilde school een honger naar ontdekkingen. Maar deze docent en zijn ingreep was voor hem een geval apart. Het was een ‘stevig gebouwde, elegante man, ruikend naar eau de cologne en met boven zijn krachtige gezicht een restant dun maar zeer glad haar’, iemand die kinderen voor vol aanzag: hij vertelde over zijn jeugd, hij was antiklerikaal en nergens principieel, maar ‘veroordeelde met des te meer kracht wat buiten elke discussie stond: diefstal, klikken, ongemanierdheid en onhygienisch gedrag‘. De docent geeft in zijn reactie aan dat hij zichzelf ziet als ‘niet confessioneel onderwijzer’ die vooral ook het ‘heilige van het kind’ wilde respecteren en daarbij zijn eigen ideeen achterwege liet. Deze docent kon nog indruk maken op de lagere school, omdat hij – anders dan op de latere school – alles scheen te weten en alles wat hij wist op de zelfde manier kon onderwijzen, en er was geen vergelijking tussen docenten mogelijk zoals op het lyceum waar je les na les iemand anders voor je hebt. Dus dat is de eigenlijke achtergrond waarom de leraar zo’n belangrijke rol had in het leven van Camus. Camus schrijft ‘net als een vader is hij onontkoombaar en maakt deel uit van de dwang der omstandigheden‘.

En ondanks dat je vanwege deze omstandigheden kan begrijpen waarom deze docent op Camus zo’n grote indruk kan hebben gemaakt en daar een zekere inspiratie uit kan halen als docent, lijkt me misplaatst om in dit alles een ‘ode aan het onderwijs’ te zien, zoals Rovers doet. Het lijkt me ook misplaats om te suggereren dat elke docent hieruit kan halen hoe ‘zinvol hun werk is’. Jawel, voor sommige kinderen kunnen docenten een hele belangrijke, persoonlijke, haast alomvattende aanwezigheid krijgen in de levensloop, misschien zelfs ongemerkt. Zeker voor arme kinderen, die als het ware hun omstandigheden tegen zich hebben. Maar dat zal toch voor de kinderen van Rovers of voor kinderen in het algemeen niet direct het geval hoeven zijn. Dus enige nuance lijkt me op zijn plaats. Hooguit kan hiermee in herinnering worden geroepen hoe groot de impact van een docent in sommige specifieke gevallen kan zijn.

En de Franse filosoof Albert Camus heeft overigens nog wel iets meer in te brengen, iets wat in het bovenstaande compleet onderbelicht blijft. Hij heeft bijvoorbeeld nooit willen suggeren dat onderwijs de grote redder zou moeten zijn om kinderen uit armoede omhoog te helpen. Meermaals schreef hij dat ook de armoede op zichzelf altijd ook een zekere positieve invloed op zijn leven heeft gehad, zelfs positief is, en zeker niet als tegenstelling tot rijdom moeten worden gezien. Zie daarover bijvoorbeeld zijn inleiding bij ‘Keer en tegenkeer‘, het jeugdwerk waar de belangrijke thema’s al aan bod kwamen en de toon al werd gezet. Zijn werk is eigenlijk nooit zo eenvoudig of eenduidig. Zijn denken kenmerkt zich eerder door een dualiteit of ambivalentie, en spanning, die Camus altijd wilde behouden: altijd liefde én levenswanhoop, altijd hoop én absurditeit, die ook een zekere hardheid behelsde juist in de medemenselijkheid en liefde die uit zijn werk spreekt. Camus verkoos de opstand in plaats van vluchten in de religie of ‘zelfmoord’ ook in de zin van het neerhalen van wat je denkt te begrijpen of zeker te weten. Enkel de revolte geeft aan het leven zijn waarde, zo vond hij, als aanvaarding van het leven. Hij verkoos de absurditeit omdat het de mens zijn verantwoordelijkheid van zijn doen en laten op zich laat nemen. Camus ging ervan uit dat het menselijk leven absurd is. Hiermee bedoelt hij dat het leven geen doel, zin of essentie heeft. In zijn essay ‘De mens in opstand’ schrijft hij: “Ik schreeuw dat ik nergens in geloof en dat alles absurd is, maar ik kan niet twijfelen aan mijn schreeuw en moet minstens in mijn eigen protest geloven.” Volgens Camus komt een opstand voort uit de ervaring van het absurde. Camus was een tijdje lid van de communistische partij, leed aan tubercolose als jong volwassene, en zag toch vooral Grenier als zijn eigenlijk leermeester van zijn werk. Het lijden is een van de centrale thema’s uit zijn werk. Zijn betrokkenheid bij Algerije, zijn strijd voor waarheid en gerechtigheid, zijn vriendschap met en kritiek op Sartre, het heeft behoorlijk wat stof doen opwaaien. Hij werd daarnaast ook in 1944 lid van de ondergrondse Combat, die een krant uitgeeft waarvan hij ook nog even de hoofdredactie op zich nam rond de Tweede Wereldoorlog. Romans, toneelstukken, filosofische beschouwingen schreef hij. De kunstenaar, zoals hij zichzelf ook schoorvoetend noemde, is het prototype van de ware opstand, “de hardnekkige opstand tegen zijn situatie, een inspanning volhouden, die onvruchtbaar geacht wordt. De absurde askese.” Zo schrijft Bakker over het werk van Camus: “De zin van het scheppen is het verlenen van zin aan het lijden! In de kunst komt de solidariteit met de wereld tot expressie.” Camus heeft kortom al met al zeer belangrijke, diepgravende, krachtige teksten geschreven, altijd in het teken van de mens, de menselijkheid maar nooit met een simpele conclusie of te lezen als eenvoudige ode. Er zijn wel degelijk in het werk van Camus heel interessante invalshoeken te vinden om na te denken over onderwijs – en dan zeker in relatie tot opstand, absurditeit, humanisme, armoede, lijden, kunst – dus laten we vooral ook dáár naar kijken als we Camus aanhalen als referentie of inspiratie voor onderwijs en filosofie!

Deze boekbespreking is geplaatst binnen de volgende categorieen: 1994, 2004, Onderwijspraktijk, School

Geef een reactie