Fred Moten – Blackness and Nonperformance

In een reeks lezingen bij het MOMA over de archivering van ‘ephemeral arts’ oftewel de kunsten die geen materieel correlaat hebben (dans, theater, enzovoorts), sprak Fred Moten over uiterst relevante, hedendaagse onderwijsfilosofische ideeën. Zijn ideeën gaan in op  het thema ‘performance’ wat ook in Nederland is opgedoken bijvoorbeeld naar aanleiding van de filosofische beschouwingen omtrent de bezetting van het Maagdenhuis. Fred Moten geeft een veel vrijere interpretatie en ook veel filosofischere onderbouwingen. Moten neemt alle tijd om zijn verhaal uit de doeken te doen, beter gezegd: voor te lezen. Het is een vrij pittige en complexe lezing, maar inhoudelijk enorm de moeite waard. In het onderstaande poog ik zijn betoog daar waar het direct het onderwijs raakt samen te vatten.

Overigens, de inleidende bijdrage van Becker die zij voordraagt als inleiding op de lezing van Moten is in zijn geheel uitgeschreven op een aparte pagina van deze website: deze lezing is iets toegankelijker en meer toegepast op het onderwijs dat wij kennen dan de ideeën van Moten hieronder. Bij Moten gaat het om meer abstracte uitgangspunten en filosofische beschouwing.

Ante-normatief

Fred Moten geeft een prachtige, vaak poëtische lezing die in zekere zin kan worden gelezen als een verdere filosofische uitwerking, persoonlijke inbedding en taalkundig onderzoek naar wat hij eerder met Harney in ‘the undercommons‘ heeft geschreven. In de aankondiging werd gebruik gemaakt van de volgende uitspraak van Moten en dat laat misschien wel zien met wat voor toespraak we hier te maken hebben. Het is zeker geen makkelijk verhaal:

“Softly, against the grain of a metaphysical presumption of a right to perform or not to perform (a knowledge, one might say, of the freedom to be or not to be), which undergirds performance even at its most critically and theoretically sophisticated, I would like to present some preliminary notes on blackness as nonperformance.”

Moten laat een aantal onderwerpen de revue passeren, zoals de ‘beweging van het naamgeven’, kritiek, normativiteit, weigering, het sociale domein. Hij doet een oproep tot  een specifieke vorm van studie (een specifieke opvatting van studie zoals in de undercommons is uiteengezet) of ook wel ‘studievol plezier’, en geeft hier zelf in zijn lezing een voorbeeld van. Het is een zoekend studeren, doordenken, uitpluizen, uitproberen. Hij zet aan tot een ondergronds studieprogramma, ondanks dat het toch openbaar bij Moma wordt voorgedragen. In verschillende termen, waaronder Deleuziaanse, beschrijft hij het programma:

“on the ground, under it, …, social vision, blurred with the  enthusiasm of surreal presents and unreal times, anticipates and discomposes the harsh glare of clear eyed, suposedly, impossibly, originary correction, where enlightenment and darkness, blindness and insight, invisibility and hypervisibility converge, in an open obscurity of a field of study and a line of flight. Consider what is to be concerned with fluorescence and efflorescence of this generations self defencive care.”

Goed, bij dat citaat zullen we niet te lang stil blijven staan. Het staat bol van verwijzingen naar andere filosofen. Liever vatten we het meer versimpeld samen in een door Moten zelf samengesteld woord: ‘ante-normatief’. Ante-normatief is alles wat vooraf gaat aan het normatieve. Voordat er überhaupt normen ontstaan is er een schimmige, mistige verhouding die nog niet in normen is gevat. Dit soort verhoudingen kan je nu soms nog vinden in de randen van een stad, daar waar de standaard indelingen en allerlei vormen van regulatie niet overheersend zijn. Het zijn de plekken waar meer radicale kritiek kan worden geformuleerd, waar verhoudingen niet vaststaan, waar veel mogelijk is. De verhoudingen condenseren, verplaatsen, en staan niet vast. Het gaat niet om een anti-normatieve kritiek en het wil zich niet uitspreken over wat voor impact al die acties hebben gehad die de norm wilden overschrijden en tegengaan. Moten constateert iets anders: het normatieve kan worden gezien als een ‘aftereffect’. Het gaat hem erom wat daar aan vooraf gaat. Het normatieve is een antwoord op het irreguliere: op het nog niet geformaliseerde. Niet meer en niet minder.

De waarde van het ante-normatieve

Dit ante-normatieve moet volgens Moten allereerst worden benoemd en erkend. Velen lijken niet meer zonder uniformiteit en normativiteit te kunnen. Zij mijden die schimmige buurten niet alleen letterlijk, maar ook in hun denken. Waarom worden we steeds naar het normatieve getrokken? Waarschijnlijk omdat dit ante-normatieve zich nauwelijks laat definiëren. Maar als het niet gedefinieerd kan worden, betekent dit niet dat het niet bestaat. Datgene wat niet genormeerd is kan wel benoemd. En dan niet alleen in romantische, zweverige beschrijvingen – nee, eerder een overal aanwezige, informele manier van praten en doen. Iedereen is bekend met heel informele manieren van doen, we moeten vooral niet denken dat dit informele meteen een soort vormloosheid betekent. Alsof het niets weet te onderscheiden. Juist in die informele manier van doen vinden we het ante-normatieve. Het is kortom overal om ons heen.

En als we het om ons heen ontwaren en erkennen (ook in wat we doen) dan kan dit ante-normatieve ons in staat stellen om de inherente problematiek van ons normatieve bestaan te ontdekken. Enkel dan. Zeer algemeen gewaardeerde filosofen als Levinas en Kant moeten het dan ontgelden op wezenlijke punten. Hij levert een fundamentele kritiek op Levinas vanwege zijn onmogelijkheid om ethiek los te maken uit de regulering van het eenvormige idee omtrent het verschil tussen het zelf en de ander. Ook Kant moet eraan geloven: ‘when Kant equates blackness with ugliness and stupidity, this can’t be separated from his understanding of the intensity of the relation between beauty, morality and reason which is given in the subject and also in the nation state as an uneasy confluence of sovereignty and self-determination.’ Moten problematiseert het idee van regulering, normativiteit, ethiek en in meer algemene zin van instituties, hulporganisaties, onderwijs, emancipatie en eigenlijk al die maatschappelijke vormen van ‘goed doen’.

Moten stelt daar geen ander ‘goed doen’ tegenover. Moten wil juist aangeven dat er geen bepaald, te analyseren gedrag moet plaatsvinden. Het is eerder een vorm van ‘deviance’ – een denken en doen dat vooraf gaat aan sociale normen en reguleringen, definities en indelingen. Wel beschouwd zullen al die normen en reguleringen en indelingen je namelijk altijd wat weigeren, er is een ding waar ze allemaal proberen een eind aan te maken: namelijk een soort openheid of onbepaaldheid. Er mag geen schimmig achterbuurtje meer bestaan, of die moet in ieder geval ingebed en beheerst. Maar nogmaals: dat zorgt er wel voor dat er een inherente problematiek ontwikkelt die het onmogelijk maakt je open tot elkaar te verhouden. Het vernietigt een open sociale relatie.

Voorbeelden van het ante-normatieve

Moten bespreekt Melville die schrijft over Bartleby’s ‘I prefer not to’  en Sora Han die schrijft over Betty’s case. Hij probeert aan de hand van die voorbeelden te komen tot een gevoel – niet zozeer een praktijk – voor een openheid in relaties, een generatieve mogelijkheid, iets wat aan sociale contracten vooraf gaat. Open voor verandering op een meer generatieve manier dan door creatief te zijn. Een sociaal domein wat geen sociaal leven is als een arena van solo optredens. Het is een podium waarop sociale hulp heel makkelijk asociaal kan zijn. Het is geen terugtrekken of ‘tot jezelf komen’, dat maken de voorbeelden ook wel duidelijk. Het is tegelijk meer en minder. Moten noemt dit ‘fugitive erotics’, een verlangen tot vluchten. Het erotische gehalte kan misschien worden verduidelijkt door te verwijzen naar wat hij hierover schrijft in zijn boek ‘In the break’ waarbij hij Ellington’s muziek koppelt aan Freud:

Between origin and initiality, drive and energy, lies the “sexual ‘cut.’” Eros. Event. Forgive the perversity of my insistence that Freud’s compression and exposition, which is to say not only the form but the content of that exposition, is a wonderful piece of Ellingtonia. The density of the miniatures that make up the suite we call An Outline of Psycho-Analysis  is rich with the necessity and effect of forming pictures in the terrain in which there can be no question. This is the dense erotics of arrangement, the whole of the text working like the whole of the body working like the whole of the orchestra—a miraculously auto-expansive, imaginative, erotogenic zone.

Moten is denk ik hard op weg een dergelijke zone te scheppen in het denken, maar steeds weer doet het heel omslachtig en poëtisch aan. Maar Moten ziet hier juist een ontsnapping in, een ontsnapping aan het normatieve. Het is een poging om in een woud aan verwijzingen, definities, woorden, zinnen te beschrijven wat er aan al die woorden, zinnen, definities vooraf gaat. Hij weigert zich neer te leggen bij de betekenissen en restricties die de taal en de woorden ons opleggen. Hij weigert zich te laten beperken. Hij weigert kortom de weigering die de woorden hem geven. Het is een weigeren van wat je geweigerd wordt. Weigeren om je werk te doen dat van je verlangt wordt. Het is ‘liever niet’. Het is de ‘performance’ dat zich kenmerkt door een weigering te ‘performen’: dit is de nonperformance. Verschil maken zonder af te scheiden. Het is het ante-performatieve sociale veld.

Misschien dat Moten daarom voorleest, sterkt georkestreerd, vooraf bedacht. Misschien wil hij zelf een voorbeeld zijn. Omdat hij anders ook zelf altijd weer vastloopt in de weigeringen die inherent zijn aan de normeringen, definities. Op het sociale podium hoef je niet altijd slechts in contracten mee te doen, hoef je niet je geleerde trucjes te laten zien. Je kan die solo weigeren. En die weigering is geen anti-sociaal iets, het wil zich überhaupt niet op die manier in het sociale mengen. Het zoekt een andere vorm van sociaal. Moten stelt voor: misschien geen contractuele sociale relaties maar compacte sociale relaties.

Hij oppert dat contractuele relaties simpelweg biopolitieke innovaties zijn. Anarchistische voorbeelden van ‘mutual aid’: dat zou een ingang kunnen zijn om die meer compacte sociale relaties aan te gaan. Maar een vraag naar hedendaagse voorbeelden keert Moten liever om: de voorbeelden zijn er wel, maar het gaat om het op waarde schatten van die voorbeelden – of eigenlijk: het ‘uit de logica van waarde’ halen van die voorbeelden. Want in de logica van waarde zijn die voorbeelden gelijk geëxploiteerd, ze moeten eruit worden losgebroken. Zoals hij eerder over het schrijven van bepaalde muziek schreef:

The thing is, these organizational principles break down; their breakdown disallows reading, improvises idiom(atic difference) and gestures toward an anarchic and generative meditation on phrasing that occurs in what has become, for reading, the occluded of language: sound.

Conclusie, of eigenlijk liever helemaal geen conclusie? 

Moten zoekt kortom in een poëtische en filosofische lezing naar: “the other side of the freedom to perform and the freedom not to perform, which might open up the possibility of another kind of examination of the metaphysics of behavior and decision.” Een interessante zoektocht en de vondsten zijn vaak kleine pareltjes in de vorm van zinswendingen en woordgebruik. Er spreekt echter uiteindelijk daadwerkelijk een ander gevoel doorheen. Het gaat niet om die intelligente vondsten, maar die gebruikt Moten om het normale gebruik van woorden voorbij te komen – of beter, hieraan vooraf te gaan. Zij interesse gaat niet uit naar een wil om op die manier te ontsnappen aan alles wat is genormeerd. Hij wil laten zien dat dit niet willen ook vooral weer een specifieke opvatting van willen is.

Zoals hij zelf zegt: zijn lezing is tegelijk teveel en te weinig. Teveel, want onherroepelijk houden we ons toch steeds weer op in regels, normen. Te weinig, want onherroepelijk houden we ons toch steeds weer op in regels, normen. Frustrerend? Nee, het is een kwestie van doorzetten en weigeren om geweigerd te worden. Weigeren teveel of te weinig te accepteren, maar je in het ongewisse daartussen op te houden. En als je dat lukt, als je die plekken opzoekt, als je die poging blijft doen – pas dan zie je de noodzaak hiervan. Pas dan bestendigt zich wat Moten hier probeert te beschrijven en wat hij noodzakelijk acht. Pas dan wordt er werkelijk een alternatief gevonden dat geen reactie of omkering meer betreft en zich daarmee blijft ophouden in de normatieve logica. Een andere manier van gedragen en kiezen: iets wat een normaal voor onmogelijk wordt gehouden. Maar het is volgens Moten verre van abnormaal. Het is de noodzakelijke vrijheid die vooraf gaat aan het normale.

Moten wil ons aanmoedigen de normeringen – inherent aan onderwijs, cultuur, sociaal maatschappelijk functioneren, enzovoorts – vóór te blijven, juist in het onderwijs, in de cultuur, in het maatschappelijk functioneren ondanks dat dit irregulier en informeel is. Een simpele stellingname tegen het te normatieve onderwijs (of afgeleiden daarvan) is net zo goed normatief. Niet alleen biedt hij daarom een omzwervend, complex, moeilijk pad daartoe, maar veeleer probeert hij te laten zien hoe je dat als spreker, onderwijzer, of docent zou kunnen proberen. Tegelijk teveel en te weinig. Kijkt u zelf maar.

Deze boekbespreking is geplaatst binnen de volgende categorieen: 2015, Kant, Lesgeven, Levinas, Moten, Subversiviteit

Geef een reactie