Rudolf Steiner – Opvoeding van het kind

Steiner is bij velen bekend als de oprichter van de zogenaamde ‘vrije scholen‘ (of meer specifiek ‘Waldorf scholen’) en bekend vanwege zijn antroposofie. Hieronder staat Steiners leer besproken. Het geeft een samenvatting van zijn denken, maar betoogt daarbij ook dat we Steiners theoretische overdenkingen, als we het niet rechtstreeks verwerpen, dan in ieder geval niet nodig hebben. Het onderwijs, ook het vrije onderwijs, kan (en is beter af) zonder.

Het hier besproken boek is misschien wel de meest toegankelijke weergave van Steiners ideeën over opvoeding en onderwijs. Het is een (door hemzelf gemaakte) uitwerking van voordrachten die hij in 1906 en 1907 heeft gegeven, wat is uitgebracht als ‘de opvoeding van het kind’. Op zichzelf beschouwd heeft dit boekje een groot deel van de problemen niet waar Steiners denken in andere boeken mee kampt. Grotere perspectieven richting theosofie, en de filosofische beïnvloeding door Fichte en Nietzsche, vind je in dit boek niet terug. De stijl is toegankelijk te noemen ten opzichte van zijn anders gehanteerde, in Roszaks woorden,  ‘compacte, obscure stijl, een merkwaardig mengsel van Teutoons systeemdenken en Duitse romantische Schwärmerei.’ Kortom, dit boekje toont ons op zich de meest eenvoudige en begrijpelijke versie van Steiner.

Maar toch… drie redenen om ook de meer toegankelijke teksten van Steiner te wantrouwen.

Allereerst streeft Steiner naar een totale bewustwording: een totaal begrijpen en alomvattend verstaan. Een extreem ideaal, dat getuigt van grootsheidswaanzin. Die totaliteit betekent namelijk: én wetenschap én spiritualiteit én natuur én religie én ego én persoonlijke ontwikkeling: Steiner denkt dit alles ineen te kunnen vertegenwoordigen. Het maakt hem een soort opperwezen. Steiner geeft zichzelf een haast onaantastbare positie, als allesweter. Alle vragen over opvoeding en onderwijs komen simpelweg voort uit de te eenzijdige benadering, en die zijn dus uiteindelijk overbodig voor iemand als Steiner. Als je het geheel beschouwd dan zijn er geen vragen meer, zo predikt hij. Steiner staat overal boven. Hij pretendeert echt álles te weten en begrijpen, en geen vragen meer hebben, of daar toch in ieder geval erg dicht bij in de buurt te komen. Steiner is een soort hoogste mens. En als hoogste mens kijkt hij op (bepaalde) andere mensen neer: vanuit Steiners verheven denken worden haast per definitie andere denkwijzen, culturen, of mensen als minderwaardig beschouwd en zullen dan ook moeten verdwijnen. En dat geldt ook voor bepaalde rassen – zo blijkt uit Steiners bekende controversiële racistische uitlatingen. Dat lijkt me al reden genoeg om echt héél voorzichtig te zijn met het zomaar toepassen of overnemen van Steiners denkwijze.

Ten tweede lijkt er echter wel, in een meer gematigde versie, nog wat te zeggen voor Steiners poging om eenzijdig denken tegen te gaan. Steiner is tegen elke eenzijdigheid van het denken, tegen eenzijdige (strikt wetenschappelijke, of juist alledaagse, of enkel spirituele) inzichten en conclusies. Tegen ‘lege woorden, traditionele menselijke verhoudingen en routinematig handelen‘ zoals hij schreef aan de jeugdigen met ‘spirituele honger’. Dat is hoe Steiners werk vaak meer positief wordt geïnterpreteerd, als een constante zoektocht waarbij het routinematige en beperkte van het dagelijkse doen en laten wordt afgezworen. Maar dan moeten we er over nadenken hoe we die zoektocht omschrijven. Steiner stuurde aan op wat hij noemde ‘diepe gevoelens’, passend bij vooral ‘opgewekte gezichten’, en ook natuurlijke ‘liefde’, ‘warmte’, ‘vorming’ in de meest algemene en diepe of ‘ware’ zin van het woord. Steiner heeft het daarnaast over ‘grondbeginselen’, ‘werkelijkheid van het leven’, ‘tact’, en ‘zielekrachten’, of ook nog ‘innerlijk leven’. Maar als er al een woord centraal staat bij Steiner, dan is het wel bewustworden. Bewustworden is waar het allemaal om draait. Een aanvullend fragment uit de NRC laat zien hoe Steiner de scholing of ontwikkeling van de mens verder voorstelt: “Volgens Steiner is de mens een individueel, geestelijk wezen, dat – in tegenstelling tot planten en dieren – beschikt over een ‘ik’, dat streeft naar geestelijke vervolmaking. Door de zondeval is de mens in zichzelf verdeeld geraakt en proberen twee boze, destructieve machten de geestelijke ontwikkeling van de mens af te remmen: Lucifer en Ahriman. De luciferische machten verleiden de mens tot illusoire denkbeelden, de ahrimanische machten kluisteren de mens vast aan de materiële aspecten van het bestaan. Maar er is ook hoop. Volgens Steiner zijn er sinds de komst van Christus ook ‘christus-krachten’ werkzaam: zij bieden de mensheid nieuwe ‘ontwikkelingsmogelijkheden’, waardoor er weer een nieuwe harmonie op aarde kan ontstaan. In dit verband spelen begrippen als karma en reïncarnatie een cruciale rol in de antroposofie. Onder karma wordt verstaan het resultaat van alle handelingen die de mens tijdens zijn aardse bestaan heeft verricht. Door ‘scholing’ in de ‘geesteswetenschap’ – die pretentie heeft de antroposofie – kan de mens zich bewust worden van zijn vorige levens. Hij kan ‘schouwen’ in de wereld van geestelijke wezens als engelen, demonen, kabouters en trollen, die voor de gewone mens niet waarneembaar zijn, maar die wel invloed uitoefenen op zijn individuele levenslot. Op die manier kan de mens ook te weten komen welke ontwikkeling hij later nog heeft te gaan.” De bewustwording gaat dus behoorlijk ver. Roszak kent hem waarschijnlijk daarom een plek toe tussen alle zoektochten die gedaan zijn om te komen tot culturele en spirituele intelligentie en vernieuwing. Hij plaatst Steiners zoektocht dan ook tussen het droomonderzoek, tovenarij en sjamanisme, Uri Geller, synergetica, ESP, UFO cultussen, Ridderromantiek, Kirliaanse fotografie en nog veel meer. Het is terecht als je de gedachtenkronkels van Steiner omtrent dit ‘geesteswetenschappelijk onderzoek’ (lees: antroposofie) iets verder volgt. Terecht, zeker als het in andere boeken gaat over het ‘levenslichaam‘ of ‘etherlichaam‘, of het eivormige en voor u waarschijnlijk onzichtbare ‘astrale lichaam‘. Met Steiner haal je kortom een heel specifiek terminologie rondom meest zweverige bewustwording binnen, passend bij allerhande denkbeelden uit spirituele en fantastische tradities. Anders dan wat Steiner beweert, namelijk dat dit alles in het denken kan verenigen, is leest dit voor de nuchtere docent als een lachwekkend en welbepaald esoterisch gedachtegoed wat bij kritische beschouwing uiterst onbeholpen aandoet. Steiner lijkt daarmee niet bepaald te helpen om op een hedendaagse manier duidelijk te beschrijven wat voorbij het eenzijdige rationele denken te vinden is. Al is die zoektocht je nog zoveel waard.

Misschien, zo kunt u nog denken, moeten we het qua theorie allemaal wat losjes opvatten en gewoon kijken naar de onderwijspraktijk die het kan opleveren. In bijvoorbeeld het merk ‘Weleda’ en de biodynamische landbouw of het door hem gebouwde Goetheaneum is te zien wat een antroposofisch geïnspireerde praktijk kan opleveren. En hetzelfde valt te zeggen voor de vrije scholen. Steiner begreep ook al dat de positieve, nuttige praktijk het enige zou zijn wat zijn opvattingen uiteindelijk ingang zou kunnen doen vinden: ‘Eerst wanneer in de anthroposofische kringen overal het inzicht zal zijn doorgedrongen, dat het er op aankomt de geestelijke inhouden op de meest verstrekkende wijze voor alle levensomstandigheden vruchtbaar te maken, en er niet alleen maar over te theoretiseren, dan zal ook de geesteswetenschap een begrijpend gehoor vinden in het leven. Gebeurt dit niet, dan zal men de antroposofie blijven beschouwen als een soort godsdienstige sekte van enkele dweepzieke zonderlingen. Als de geesteswetenschappelijke beweging echter positieve, nuttige prestaties levert, dan zal men op den duur begrip krijgen voor deze richting en ermee instemmen.‘ Maar zoals Lievegoed, een fervent aanhanger van Steiner en antroposoof die zijn denken later in Nederland verder oppakte, moet daarbij uiteindelijk ook daadwerkelijk de verantwoordelijkheid worden genomen en mag men daarbij noch Steiner, noch zijn antroposofische methode, als fundamenteel uitgangspunt blijven vasthouden. Met moet aan de slag:  “op basis van inzichten, die je op eigen kracht hebt verworven. Die niet alleen in je ‘denken’ leven, maar ook werkelijk in je ‘voelen’ en ‘willen’ realiteit zijn geworden. Je bepaalt zelf je handelen en je weet dat je er zelf ook verantwoordelijk voor bent. Je kunt die verantwoordelijkheid niet meer afschuiven op anderen, op een methode, op Rudolf Steiner, of op wie of wat dan ook.“ (uit ‘Het oog van de naald’ (1991)). Het pleit ervoor om net als de eerst expliciet antroposofische Vrije Hogeschool afstand te nemen van Steiner en het antroposofische denken. Het is prima mogelijk om heel bewust, aanvoelend en verantwoordelijk in het leven te staan zonder Steiner, en dus een zelfde type praktijk te realiseren. Dus we hebben Steiner met al zijn theoretische en spirituele ballast ook voor de praktijk helemaal niet nodig. Juist niet. Om toch hele goede en misschien zelfs nog meer ‘vrije’ vrije scholen te realiseren.

Beter nog: er zijn toch een hoop andere denktradities die (met minder ballast, en meer actueel) in staat zijn een dergelijke alternatieve of ‘vrije’ kijk op onderwijs te funderen. Zeker ook onderwijs dat onafhankelijk van staat en bedrijven en met oog op een werkelijke sociale gemeenschap wordt gevormd. En zeker ook onderwijs met een grote vrijheid omtrent culturele ontwikkeling en een oproep tot het combineren van ‘hoofd, hart en handen’! Daar heb je geen Steiner voor nodig.

Deze boekbespreking is geplaatst binnen de volgende categorieen: 1906, 1978, Onderwijspraktijk, Racisme, School, Steiner, Verantwoordelijkheid

8 Comments

  1. Is het jammer te noemen dat de schrijver van dit artikel het overduidelijk echt niet heeft begrepen? Als er één nieuw soort onderwijs is dat de wereld uit de brandende situatie met zijn zich alsmaar opstapelende puinhopen kan halen is het ‘t vrijeschoolonderwijs. – B.M.

  2. Als kenner en betrokkene bij de uitgave van talloze Steiner boekjes kunt u misschien uitleggen wat er dan niet begrepen is in de bovenstaande bespreking.

    Wilt u misschien toelichten waarom die werken van Steiner volgens u zo onontbeerlijk zijn voor het vormgeven van vrijeschoolonderwijs?

    Is vrijeschoolonderwijs in uw ogen echt nog ‘nieuw’ te noemen? En hoe gaat dit ‘nieuwe’ onderwijs de wereld redden uit de huidige ‘brandende situatie’?

  3. Het zou in dit artikel moeten gaan om een boekbespreking, zo wordt ons beloofd. Maar het boek dat hier wordt afgebeeld met de suggestie dat dit wordt besproken, komt niet aan bod. In plaats daarvan gaat het over de schrijver, die wel ongeveer van alle kanten wordt aangevallen. Dat mag, maar de opmerkingen, de citaten zijn vrijwel alle, subjectieve meningen van deze of gene. De schrijver van dit artikel verwart regelmatig een ‘het is’ met een ‘die of die vindt’. Ook dat mag, al levert het weergeven van andermans meningen met weer andere woorden wel wat – op z’n zachtst gezegd – ‘onnauwkeurigheden’ op. De hier gebezigde zin: ‘En als hoogste mens kijkt hij op (bepaalde) andere mensen neer: vanuit Steiners verheven denken worden haast per definitie andere denkwijzen, culturen, of mensen als minderwaardig beschouwd en zullen dan ook moeten verdwijnen. En dat geldt ook voor bepaalde rassen’ – geeft daarmee wel erg te kennen, weinig van Steiner écht bestudeerd te hebben.
    Om toch maar bij de pedagogie te blijven: ik was vrijwel mijn hele werkzame leven vrijeschoolleerkracht en beschik dus enerzijds over ervaring wat Steiners pedagogie betreft, anderzijds heb ik me verdiept in zijn pedagogische gezichtspunten.
    Ik heb daardoor veel beter naar kinderen leren kijken, naar hun ontwikkeling, geleerd op een kunstzinnige manier les te geven, eerbied te hebben voor het kind als wordend wezen. Enz. En dat is uiteindelijk wat ouders ervaren en die daardoor (in de meeste gevallen) enthousiast zijn voor dit pedagogische concept, gezien o.a. de huidige groei van het aantal leerlingen (en scholen) over de hele wereld.
    Zonder Steiner was dit er niet gekomen en met zijn – ook nu nog springlevende gezichtspunten t.a.v. opvoeding en onderwijs – kan er nog veel ontwikkeld worden binnen het vrijeschoolonderwijs.

  4. B. MUIJRES

    Dag Eke Rebergen, dank je wel. Alles wat van waarde is is kwetsbaar. Zo ook de splinternieuwe wetenschap van de geest, die door Steiner in de wereld is gezet. Totnogtoe ontstaat alle wetenschap op basis van het stoffelijke/materiele, hoogstens soms ook op grondslag van de ziel. Maar nooit vanuit werkelijk inzicht in de geest; dus ook geneeskunde of opvoeding niet. En wie niets van de geest weet of begrijpt, heeft gemakkelijk praten, want alles wat op die basis rust is dan fantastische onzin. – Eke, mocht je met mij verder willen communiceren, klik de Pentagon-website aan. Dit hier vind ik niet de plek om zulke uitermate waardevolle, en ook kwetsbare inhouden met elkaar te bespreken. – Hartelijke groet, Bart Muijres.

  5. Rob Krabbendam

    Ik ben het met een deel van de kritiek hier eens. En dat had ik zo kunnen laten, ware het niet dat er hier ook dingen geschreven worden, die wat mij betreft wel ‘tegengesproken’ of uitgediept mogen worden.

    Vooropgesteld: ik ben geen antroposoof. Integendeel.

    Ik heb een aantal maanden de Vrijeschool Pabo gedaan, op basis van het verlangen buiten het ‘traditionele’ onderwijs werkzaam te willen zijn, omdat ik mij aangesproken voelde mens-zijn, filosofie en kunstzinnigheid een grotere rol te geven in het onderwijs, maar ik ben stukgelopen op de orthodoxe antroposofie, juist in de vorm van bovengenoemd boekje (en nog wat andere ervaringen). Ik heb een tijdje gehoopt (tsja…) dat Steiner zijn ideeën vooral metaforisch had vormgegeven, omdat hij, in zijn tijd, moeite had een ondubbelzinniger ‘taal’ te vinden om zijn gedachten te communiceren, maar ik kwam steeds meer tot de conclusie dat (helaas) Steiner alles letterlijk bedoelde – en zichzelf daarbij ook uiterst serieus nam.

    Dan wat inhoudelijker:

    @B.M.: Kijk, van dat ‘kwetsbare’ krijg ik dus een vieze smaak in mijn mond. Een volledig subjectieve reactie, dat geef ik meteen toe. Maar zo’n woord ‘bewijst’ maar weer eens dat de orthodoxe antroposofie totaal geen aanspraak kan maken op het epitheton ‘(geestes)wetenschap’, terwijl Steiner dat maar al te graag wilde. Zijn ideeën moesten bewezen kunnen worden. Goethe’s empirie – hoe anders dan ‘moderne’ empirie en wetenschap dan ook – was zijn grote voorbeeld. Maar woorden als ‘kwetsbaar’ en de afwijzing hier om de antroposofie in het openbaar te willen bespreken, riekt naar ‘gnostiek’ en ‘mysterie’, en die ‘dingen’ hebben niets met pedagogie te maken. Het bewijst de antroposofie ook geen dienst. ‘Alles van waarde is weerloos’? Nee, alles van waarde moet verdedigd worden, als je er werkelijk waarde aan hecht. En: wat is stoffelijk? Wat is ziel? Wat is geest? Het is juist heel ‘makkelijk’ met dat soort woorden te strooien zonder onderbouwde definities.

    @ Pieter Witvliet: Eens, het boek wordt hier niet letterlijk, inhoudelijk, besproken, afgezien van de opmerking dat het qua ‘taal’ een van de toegankelijker boeken van Steiner is. Dat ben ik met de recensent oneens, want Opvoeding en onderwijs – de Oxford-lezingen van 1922 – zijn veel toegankelijker, want veel minder doordrenkt van antroposofisch jargon. (Bewust. Steiner wist heel goed dat hij daar voor een geïnteresseerd, maar met de antroposofie nauwelijks bekend publiek zou spreken.) Het boek wordt natuurlijk wél besproken in die zin dat de strekking van dit stukje is: ‘De schrijver van dit boek is, als mens en als denker, voor geen meter te vertrouwen, dus laat dat hele boek maar zitten als bijdrage aan de pedagogische literatuur.’ Dit stukje is dus een non-bespreking, op basis van een moreel oordeel van de auteur (Steiner in dit geval).
    Maar dat oordeel wordt niet evenwichtig onderbouwd, dat ben ik in het algemeen eens met de reageerders hierboven, zowel inhoudelijk als technisch. Het lijkt er inderdaad sterk op dat de recensent zich niet goed verdiept heeft in de vrijeschoolpedagogiek.

    Wat concrete punten:

    (1) Welke bron vertelt dat de Vrije Hogeschool Steiner afgezworen heeft? Na zoeken vond ik een interview in Trouw van 27-1-2001 met de – toenmalige? huidige? – directeur van de Vrije Hogeschool die daartoe de statuten wil(de) veranderen. Hierop had de recensent even moet doorgaan.

    (2) Het citaat van Lievegoed komt letterlijk van de website van de Vrije Hogeschool. Heeft de recensent Lievegoed zelf gelezen? Waarschijnlijk niet. Dan had hij begrepen dat Lievegoeds boeken als De levensloop van de mens en De ontwikkelingsfasen van het kind, met nodige vertaalslagen, nog heel goed kunnen dienen als pedagogische inspiratie, ook voor niet-antroposofen. Dat neemt niet weg dat Lievegoed zijn leven lang een ‘overtuigd’ antroposoof is gebleven. Hij wordt hier door de recensent verkeerd begrepen. Dat Lievegoed zegt dat je je verantwoordelijkheid [voor je ontwikkeling] niet op Steiner mag afschuiven, ligt in het verlengde van Steiners eigen oproep dat ieder voor zichzelf diens ideeën moet toetsen, niet per se dat men Steiners ideeën moet loslaten.

    (3) ‘In Roszaks woorden’: welk boek? Wie was Roszak? (Een historicus van de hippiecultuur.) Kunnen we hem vertrouwen als ‘scheidsrechter’ van Steiner?

    (4) Ja, Steiner was racistisch. Datzelfde kan je zeggen van Freud, Jung, Piaget, Vygotsky en Erikson, om er een paar te noemen. Deze denkers maakten gebruik van woorden als ‘primitievelingen’ en deelden mensen, net als Steiner, in historisch-progressieve stadia in. Toch worden deze auteurs nog altijd veel gelezen, ook door onderwijsdenkers. Nemen we het hén kwalijk dat ze zo dachten? Ja, maar dat wil niet zeggen dat hun filosofieën minder interessant zijn. (Overigens: waar is Steiner in De opvoeding van het kind racistisch? Dat is hij namelijk wel, want ik weet nog heel goed dat tijdens een college over dit boekje er een scherpe discussie ontstond over deze passage. Ik kan het niet meer nazoeken, want ik heb het boekje inmiddels weggedaan. Maar de recensent had deze passage(s) moeten citeren, om recht te doen aan zijn/haar intentie goede recensies te schrijven.)

    (5) Wél wijst bijvoorbeeld Helmut Zander, die een aantal jaar geleden een biografie van Steiner schreef – en de recensent had er goed aan gedaan dit soort boeken te lezen (naast Zander ook het essay over Steiner van Anthony Storr in diens Feet of Clay) naast de meer hagiografische biografieën van Steiner (bv. Taylor) – er terecht op dat het sommige orthodoxe antroposofen ontbreekt aan een historisch perspectief op hun eigen ‘beweging’ of gedachtegoed. Steiner wordt vereerd als een profeet en zijn ‘openbaring’ is heilig. (Niet eens zo anders als moslims zich verhouden tot Mohammed.) Dat hij een kind van zijn tijd was, wil er niet in. Maar dat wil er net zo goed niet in bij ‘tegenstanders’ (lees: de recensent) van Steiner c.q. de antroposofie.

    Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat hier nogal blasé de baby met het badwater wordt weggegooid, hoe begrijpelijk ik dat ook vind. (Want ook ik heb niets op met de orthodoxe antroposofie.) Begrijpelijk, maar niet acceptabel. Althans: als je écht wilt bepalen in welke mate de vrijeschoolpedagogiek actueel en relevant is.

    Ten slotte:

    ‘Er zijn toch een hoop andere denktradities die (met minder ballast, en meer actueel) in staat zijn een dergelijke alternatieve of ‘vrije’ kijk op onderwijs te funderen.’ Zoals?

    ‘Zeker ook onderwijs dat onafhankelijk van staat en bedrijven en met oog op een werkelijke sociale gemeenschap wordt gevormd.’ Nogmaals: zoals? Bovendien zijn verreweg de meeste vrije scholen niets ‘staatsvrij’ en moeten ze gewoon openheid van zaken geven aan de Inspectie, de kerndoelen behalen, enzovoort. Van de tandem basisschool-bedrijf heb ik überhaupt nooit gehoord.

    ‘En zeker ook onderwijs met een grote vrijheid omtrent culturele ontwikkeling en een oproep tot het combineren van ‘hoofd, hart en handen’!’ Over die vrijheid omtrent culturele ontwikkeling valt heel lang te twisten, aangezien de meeste pedagogieën toch een bepaald ‘mensbeeld’ (‘zo moet je zijn’) – een verantwoordelijk burger, een kritische volwassene – veronderstellen (de vrijeschoolpedagogiek is daarin niet uniek) dat ‘anderen’ onbewust(!) buitensluit.

  6. Pingback: Tom Tak – Moderne opvoeding: ‘een slecht zittend jasje’ | onderwijs filosofie

  7. Bjorn K

    Ik vroeg me af of de vooringenomen anti-antroposofische persoon die dit über-subjectieve artikel heeft geschreven zijn naam niet zou durven vermelden? Klaarblijkelijk heeft degene zich niet bijster veel verdiept in het indrukwekkende rijke oeuvre dat Steiner heeft nagelaten – een dat vele artsen, wetenschappers, filosofen en velen anderen tot op de dag van vandaag nog inspireert. Dat niet iedereen de ware impact onderkend van de revolutie die Rudolf Steiner in de wetenschap en filosofie (en op menig ander gebied) heeft ontketend moge duidelijk zijn – ook niet iedereen was onder de indruk van Copernicus in het begin van de moderne tijd – , maar om Steiner weg te zetten als iemand met grootheidswaanzin is oneerlijk en zeer misplaatst. Steiner pretendeert nóóit ergens alles te weten. Sterker nog: hij pleitte er voortdurend voor om niet alles zomaar klakkeloos van hem over te nemen, maar meer om zelf alles grondig in beschouwing te nemen. Om de discussie over racisme aan te zwengelen toont nota bene ook veel overgevoeligheid. Als je de visie van een bepaald persoon niet begrijpt wil dat niet zeggen dat die onbetrouwbaar is. Je hoeft het ook niet overal met iedereen eens te zijn. Om Steiner te scharen in het rijtje van Uri Geller en UFO cultussen is echter onbeschaamd en absurd. Het is eigenlijk blasfemie! Dat het hier besproken boek niet tot het meest indrukwekkende uit Steiners oeuvre behoort tot daar aan toe. De aspecten voor een goede recensie hoeven daar niet onder te leiden; De argumentatie is eigendunkelijk en de antipathie van de criticus zo bitter als gal.
    Ik kon het niet over mijn hart krijgen om er niets van te zeggen.

    • dag Bjorn, dank voor je kanttekening bij het stuk. U kunt mij er op aanspreken. De invloed die Steiner heeft gehad op anderen is inderdaad groot, mocht dat uit de bespreking niet voldoende naar voren komen. De gegeven karakterisering van de bespreking (oneerlijk, misplaatst, bitter, en zelfs blasfemie) maakt in ieder geval heel duidelijk dat u Steiners werk anders waardeert, al lijkt het me niet terecht die discussie over racisme als ‘overgevoeligheid’ te bestempelen. Eerder had Rob Krabbendam al wel verschillende terechte opmerkingen geplaatst bij de bespreking die meer concreet zwakke punten duidelijk maken (waarvoor ook nog veel dank Rob!) en die behoorlijk uitgebreid staan toegelicht in zijn reactie.

Geef een reactie