Rudolf Steiner – Opvoeding van het kind

Steiner is bij velen bekend als de oprichter van de zogenaamde ‘vrije scholen‘ (of meer specifiek ‘Waldorf scholen’) en bekend vanwege zijn antroposofie. Hieronder staat Steiners leer besproken. Het geeft een samenvatting van zijn denken, maar betoogt daarbij ook dat we Steiners theoretische overdenkingen, als we het niet rechtstreeks verwerpen, dan in ieder geval niet nodig hebben. Het onderwijs, ook het vrije onderwijs, kan (en is beter af) zonder.

Het hier besproken boek is misschien wel de meest toegankelijke weergave van Steiners ideeën over opvoeding en onderwijs. Het is een (door hemzelf gemaakte) uitwerking van voordrachten die hij in 1906 en 1907 heeft gegeven, wat is uitgebracht als ‘de opvoeding van het kind’. Op zichzelf beschouwd heeft dit boekje een groot deel van de problemen niet waar Steiners denken in andere boeken mee kampt. Grotere perspectieven richting theosofie en de filosofische beïnvloeding door Fichte en Nietzsche komen niet aan bod en de stijl is toegankelijk te noemen ten opzichte van zijn anders gehanteerde, in Roszaks woorden,  ‘compacte, obscure stijl, een merkwaardig mengsel van Teutoons systeemdenken en Duitse romantische Schwärmerei.’ Wel blijft desondanks belangrijk om bij het lezen te beseffen dat dit soort mengsels en grootsheid wel degelijk bij het denken van Steiner hoort. Kortom, dit boekje toont ons op zich een vrij toegankelijke versie van Steiner. Maar toch… drie redenen om ook de meer toegankelijke teksten van Steiner te wantrouwen.

Allereerst streeft Steiner naar een totale bewustwording. Een totaal begrijpen en alomvattend verstaan. En dat extreme ideaal getuigt van grootsheidswaanzin. Die totaliteit betekent én wetenschap én spiritualiteit, én natuur én religie én ego én persoonlijke ontwikkeling: Steiner denk dit alles ineen te kunnen vertegenwoordigen en is dus een soort opperwezen. Steiner geeft zichzelf een haast onaantastbare positie, als allesweter: alle vragen over opvoeding en onderwijs komen simpelweg voort uit de te eenzijdige benadering en zijn dus uiteindelijk overbodig voor iemand als Steiner. Als je het geheel beschouwd dan zijn er geen vragen meer, zo predikt hij. En zelfs als dit je als ideaal aanspreekt: weten of begrijpen en geen vragen meer hebben – het valt te betwijfelen of dat mogelijk of denkbaar is – is de manier waarop Steiner dit vertaalt naar de praktijk ook vooral problematisch. Het is nog voorstelbaar dat Steiner zich afzet tegen elke eenzijdigheid van het denken, tegen eenzijdige (strikt wetenschappelijke, of juist alledaagse, of enkel spirituele) inzichten en conclusies. Tegen ‘lege woorden, traditionele menselijke verhoudingen en routinematig handelen‘ zoals hij schreef aan de jeugdigen met ‘spirituele honger’. Maar met Steiners bekende controversiële racistische uitlatingen is duidelijk dat hij net zo makkelijk afkomst of ras in een hiërarchie zet en daarmee specifieke groepen als minderwaardig beschouwd vanuit zijn verheven ideaal. En het moge bekend zijn wat totalitaire racistische denkbeelden kunnen opleveren.

Ten tweede, in een meer gematigde versie, lijkt er misschien nog wat voor te zeggen dat we buiten ons normale bewustzijn en de ogenschijnlijk heldere werkelijkheid om ons heen nog wel wat verder zouden mogen proberen te kijken dan onze neus lang is. Dat is hoe Steiner vaak meer positief wordt geïnterpreteerd. Maar dan moeten we er over nadenken hoe we dat ‘wat verder’ omschrijven. Steiner stuurde aan op diepe gevoelens, passend bij vooral opgewekte gezichten, en ook natuurlijke liefde, warmte, vorming in de meest algemene en diepe of ware zin van het woord. Steiner heeft het daarbij dan vooral ook over grondbeginselen, werkelijkheid van het leven, tact, maatregelen en zielekrachten, innerlijk leven, oordelen en aanvoelen. Steiner lijkt ongeveer alles aan te grijpen, hij wil tenslotte alles verenigen. Roszak kent hem daarom terecht een plek toe tussen alle experimenten die gedaan zijn om te komen tot culturele en spirituele intelligentie en vernieuwing. Hij zet het tussen het droomonderzoek, tovenarij en sjamanisme, Uri Geller, synergetica, ESP, UFO cultussen, Ridderromantiek, Kirliaanse fotografie en nog veel meer. Het is terecht als je de gedachtenkronkels van Steiner omtrent dit ‘geesteswetenschappelijk onderzoek’ (lees: antroposofie) iets verder volgt, wat gaat over ‘levenslichaam‘ of ‘etherlichaam‘, het eivormige en voor u waarschijnlijk onzichtbare ‘astrale lichaam‘. Juist dit astrale lichaam, daar houdt leren mee verband: het is een verandering in temperament, karakter of geheugen (beter of slechter geworden). En als we nog verder opklimmen (wat betreft de geledingen van de menselijke natuur) komen we bij het ‘ik’, de vierde trap: de ‘kroon van de aardse schepping‘. Hier zit de echte geestelijke ontwikkeling, de bewuste individuele hervorming van alles wat je bent en doet, zelfs tot en met fysieke omwerkingen aan toe. Het is dus een bijzonder soort bewustzijn, ook lichamelijk in al zijn facetten en ook spiritueel. We moeten het allemaal niet te rationeel benaderen maar op basis van gemeenschappen verder vormgeven en bewustworden. Een aanvullend fragment uit de NRC laat zien hoe Steiner de scholing of ontwikkeling van de mens zich verder voorstel: “Volgens Steiner is de mens een individueel, geestelijk wezen, dat – in tegenstelling tot planten en dieren – beschikt over een ‘ik’, dat streeft naar geestelijke vervolmaking. Door de zondeval is de mens in zichzelf verdeeld geraakt en proberen twee boze, destructieve machten de geestelijke ontwikkeling van de mens af te remmen: Lucifer en Ahriman. De luciferische machten verleiden de mens tot illusoire denkbeelden, de ahrimanische machten kluisteren de mens vast aan de materiële aspecten van het bestaan. Maar er is ook hoop. Volgens Steiner zijn er sinds de komst van Christus ook ‘christus-krachten’ werkzaam: zij bieden de mensheid nieuwe ‘ontwikkelingsmogelijkheden’, waardoor er weer een nieuwe harmonie op aarde kan ontstaan. In dit verband spelen begrippen als karma en reïncarnatie een cruciale rol in de antroposofie. Onder karma wordt verstaan het resultaat van alle handelingen die de mens tijdens zijn aardse bestaan heeft verricht. Door ‘scholing’ in de ‘geesteswetenschap’ – die pretentie heeft de antroposofie – kan de mens zich bewust worden van zijn vorige levens. Hij kan ‘schouwen’ in de wereld van geestelijke wezens als engelen, demonen, kabouters en trollen, die voor de gewone mens niet waarneembaar zijn, maar die wel invloed uitoefenen op zijn individuele levenlot. Op die manier kan de mens ook te weten komen welke ontwikkeling hij later nog heeft te gaan.” De opvoeder is ‘op deze vier delen van de menselijk natuur gericht. Wil men dus op de juiste wijze opvoeden, dan moet men deze delen naar hun aard en wezen doorvorsen.’ Dat lijkt me al met al voldoende te zeggen omtrent de gebruikte terminologie en aaneenschakeling van denkbeelden uit spirituele en fantastische tradities. Anders dan wat Steiner beweert, namelijk dat dit alles in het denken kan verenigen, is dit toch vooral een zweverig, complex, soms ook grappig, vooral ook welbepaald esoterisch, cultureel bepaald, geschiedskundig in te bedden gedachtegoed wat uiterst onbeholpen aandoet.

Misschien, zo kunt u nog denken, moeten we het allemaal wat losjes opvatten en gewoon kijken naar de onderwijspraktijk die het kan opleveren. In bijvoorbeeld het merk ‘Weleda’ en de biodynamische landbouw of het door hem gebouwde Goetheaneum is te zien wat een antroposofisch geïnspireerde praktijk kan opleveren, en hetzelfde valt te zeggen voor de vrije scholen. Steiner begreep ook al dat de positieve, nuttige praktijk het enige zou zijn wat zijn opvattingen uiteindelijk ingang zou kunnen doen vinden: ‘Eerst wanneer in de anthroposofische kringen overal het inzicht zal zijn doorgedrongen, dat het er op aankomt de geestelijke inhouden op de meest verstrekkende wijze voor alle levensomstandigheden vruchtbaar te maken, en er niet alleen maar over te theoretiseren, dan zal ook de geesteswetenschap een begrijpend gehoor vinden in het leven. Gebeurt dit niet, dan zal men de antroposofie blijven beschouwen als een soort godsdienstige sekte van enkele dweepzieke zonderlingen. Als de geesteswetenschappelijke beweging echter positieve, nuttige prestaties levert, dan zal men op den duur begrip krijgen voor deze richting en ermee instemmen.‘ Maar zoals Lievegoed, een fervent aanhanger van Steiner en antroposoof die zijn denken later in Nederland verder oppakte, moet daarbij uiteindelijk ook daadwerkelijk de verantwoordelijkheid worden genomen en mag men daarbij noch Steiner, noch zijn antroposofische methode, als fundamenteel uitgangspunt blijven vasthouden. Met moet aan de slag:  “op basis van inzichten, die je op eigen kracht hebt verworven. Die niet alleen in je ‘denken’ leven, maar ook werkelijk in je ‘voelen’ en ‘willen’ realiteit zijn geworden. Je bepaalt zelf je handelen en je weet dat je er zelf ook verantwoordelijk voor bent. Je kunt die verantwoordelijkheid niet meer afschuiven op anderen, op een methode, op Rudolf Steiner, of op wie of wat dan ook.“ (uit ‘Het oog van de naald’ (1991)). Het pleit ervoor om net als de eerst expliciet antroposofische Vrije Hogeschool afstand te nemen van Steiner en het antroposofische denken. Het is prima mogelijk om heel bewust, aanvoelend en verantwoordelijk in het leven te staan zonder Steiner, en dus een zelfde type praktijk te realiseren. Dus we hebben Steiner met al zijn theoretische en spirituele ballast ook voor de praktijk helemaal niet nodig. Er zijn tenslotte toch een hoop andere denktradities die beter in staat zijn een onderwijs te funderen – net als bij Steiner – onafhankelijk van staat en bedrijven en voor een sociale gemeenschap, en dus met een grote vrijheid omtrent culturele ontwikkeling en een oproep tot het combineren van ‘hoofd, hart en handen’!

Deze boekbespreking is geplaatst binnen de volgende categorieen: 1906, 1978, Onderwijspraktijk, Racisme, School, Steiner, Verantwoordelijkheid

Geef een reactie