Arthur Schopenhauer – Middenstanders van de wetenschap

Dit boek bestaat uit een paar door Hans Driessen geselecteerde en vertaalde teksten die komen uit de ‘Parerga and Paralipomena‘ (1851) van Schopenhauer. Zelf noemde Schopenhauer dit werk schijnbaar ‘mijn filosofie voor het volk’ en inderdaad heeft dit een groot publiek aangesproken en hem bekend gemaakt in grote kring. Schopenhauers eerdere, meer abstracte en filosofische werk, is in dit boek wat meer toegepast en concreet gemaakt. In meerdere prikkelende quotes formuleert Schopenhauer soms wat ironische en ontmaskerende kritiek op uiteenlopende zaken: in de hier opgenomen teksten met name over de universiteit. De ondertitel van dit boek is dan ook ‘Over de universiteit’. Hij kiest een vaak krachtige en ontnuchterende positie, vergelijkbaar met wat Nietzsche doet die dan ook sterk door hem werd beïnvloed.

De universiteit is volgens Schopenhauer helemaal ingebed en dienstbaar aan de heersende opvattingen, de bedoelingen van de overheid, de godsdienst. De universiteit weet zich dan ook gesterkt door maatschappelijke maatstaven. Schopenhauer wil uit die maatstaven proberen los te breken in naam van de waarheid en het leven. Hij vind dat alles omwille van datgene zelf moet worden gedaan (anders doe je het maar half), dus ook de universiteit moet omwille van zichzelf bestaan en stoppen dienstbaar te zijn. Leren, onderwijzen en onderzoeken doe je als je het goed wilt doen niet als werk of om ermee verder te komen, of het nou is voor je (toekomstig) inkomen of voor een bepaalde maatschappelijke positie, voor publieke aandacht of voor je carrière: je zou er eigenlijk alles voor moeten willen opofferen, alle middelen zouden erop moeten zijn gericht, je zou het moeten doen omdat je het zelf als activiteit belangrijk vind.

In de inleiding schrijft Maarten Doorman treffend: “... zijn pleidooi voor onafhankelijkheid en zijn afkeer van de treurigstemmend woeker van de middelmaat, opportunisme en intellectuele armoede zijn reden genoeg deze aanklacht twee keer achter elkaar te lezen en vervolgens op de deur te spijkeren van alle nijvere wijsgeren die onophoudelijk zwoegen op bijdragen aan belangrijke tijdschriften en op onderzoeksaanvragen bij de staatsinstelling NWO in de hoop op geld en aanzien dat zij met het opschrijven van een interessante gedachte niet meer kunnen verwerven.” En niet enkel wijsgeren of onderzoekers zullen zich aangesproken voelen. Schopenhauer keert zich krachtig tegen elke vorm van boekenwijsheid, tegen het volgen van andermans gedachten, tegen enkel feitelijke of wetenschappelijke verhandelingen. Probeer de dingen echt te begrijpen, zo bepleit hij, in plaats van er enkel wat over mee te praten en te oordelen en daarmee te proberen goede schijn te maken. En dat vertaalt zich naar onderwijs van allerlei niveaus en aan allerlei instellingen.

Als men de vele en verschillende onderwijsinstellingen ziet en het grote gedrang van scholieren en leraren, zou men bijna gaan geloven dat het mensdom zeer gebrand is op inzicht en waarheid. Maar ook hier bedriegt de schijn. De leraren geven geen les om geld te verdienen en streven niet naar wijsheid maar naar de schijn en het krediet ervan. De scholieren leren niet om kennis en inzicht te verwerven, maar om mee te kunnen kletsen en zich belangrijk te maken. Elke dertig jaar dient zich weer een nieuwe generatie aan, een onnozel wicht dat van niets weet en nu de resultaten van de in duizenden jaren vergaarde menselijke kennis summier en binnen de kortste keren in zich wil opnemen en dan slimmer wil zijn dan het hele verleden. Daarvoor bezoekt het universiteiten en grijpt naar boeken, en wel naar de nieuwste omdat dat haar tijd- en leeftijdsgenoten zijn. Als het maar allemaal kort en nieuw is! Want zelf is het ook nieuw. En vervolgens oordeelt het er op los.

Schopenhauer vertaalt dit soort stellige en stemmingmakende beschrijvingen ook nog naar enkele opmerkelijke praktische voorstellen ter verbetering: hij wil helemaal niemand voor zijn 20ste levensjaar inschrijven aan de universiteit, en dan ook enkel en alleen na het behalen van een streng examen in de klassieke talen. Ook wenst hij voor iedereen een eerste jaar filosofie als begin van de universitaire studie. Maar al met al blijft het toch vooral wat stennis schoppen omtrent de rol van, en gang van zaken binnen, de universiteit zoals ze die ook vandaag de dag nog zeker herkennen. En moeten we vooral ook beseffen dat het lezen van dit boek, net als alle andere boeken, een surrogaat is voor ons eigen denken. Leg dit boek dus ook snel weer weg en probeer zelf na te denken over het onderwijs en de universiteit in het bijzonder!

Deze boekbespreking is geplaatst binnen de volgende categorieen: 1851, 2008, Diploma, Kennisoverdracht, Schopenhauer, Toekomstgericht, Universiteit

Geef een reactie