Joop Berding – Ik ben ook een mens: opvoeding en onderwijs aan de hand van Korczak, Dewey en Arendt

ook een mens

Glashelder. Erudiet. Ontroerend. Met hier en daar nog onbenut potentieel. Dat is in een notendop de recensie van het recent verschenen Ik ben ook een mens: opvoeding en onderwijs aan de hand van Korczak, Dewey en Arendt van pedagoog Joop Berding

De verschijning van dit boek mag gezien worden als de definitieve bevestiging van de heropleving van de onderwijspedagogiek in Nederland. Zoals iemand op Twitter schreef tijdens de boekpresentatie op een praktijkschool in Rotterdam: ‘De pedagogiek is definitief terug’.

Recensie door Simon Verwer.

Joop Berding, historisch wijsgerig pedagoog verbonden aan de Hogeschool van Rotterdam, heeft een boek geschreven waarin hij de lezer op een vriendelijke wijze meeneemt naar een drietal gesprekken met drie klassieke denkers: de Poolse arts-pedagoog Janusz Korczak, de Amerikaanse opvoedingsfilosoof John Dewey en de Joods-Duitse politieke denkster Hannah Arendt. Een interessante vraag is waarom Berding – onder meer bekend van het met zijn kompaan Wouter Pols geschreven Schoolpedagogiek – juist deze drie bij elkaar heeft gebracht. In de woorden van Berding zelf:

‘Wat het bijeenbrengen van deze drie interessant maakt, is dat door hun inbreng allerlei concepten en opvattingen zijn gaan ‘schuiven’. Ze hebben een toegevoegde, diepere betekenis gekregen. Naar mijn overtuiging (…) bieden deze drie tezamen een dynamisch geheel van veelbelovende gezichtspunten op opvoeding en onderwijs. Veelbelovend in het licht van de vragen waar de politiek, de samenleving en om te beginnen vele opvoeders dag in dag uit mee te maken hebben: wat betekent het voor de oude generatie dat er een nieuwe wereld is gekomen? Wat is er voor nodig om die generatie in de wereld te laten ‘verschijnen’, niet alleen als biologische wezens, maar in de volle betekenis van ‘mens’?’ (p. 12).’ 

De volle betekenis van ‘mens’. Dat is nogal wat. Een streven waar een auteur zich gemakkelijk aan vertilt. Maar dat gebeurt niet. Berding brengt Janusz, John en Hannah tot leven met een uiterst prettige combinatie van bronnen, genres en stijlen: biografische informatie, primaire teksten, secundaire literatuur en zelfs een deel uit een zelf geschreven theaterstuk. Het leidt tezamen tot een tekst die de lezer op vriendelijke wijze uitnodigt in dialoog te gaan over wat het mens zijn kan en zou moeten betekenen.

Wat vooral bijzonder is: na afloop had ik het gevoel Korczak, Dewey en Arendt daadwerkelijk beter te hebben leren kennen: Korczak met zijn daadkracht, ondanks zijn twijfels. Dewey, die dankzij zijn vrouw meer pedagoog dan filosoof werd. En Arendt wiens tegendraadsheid en verlangen naar onafhankelijkheid ook een zeker ongemak in de omgang betekende. Hieronder kort wat reflecties per denker.

Janusz Korczak (1878 – 1942)

Het deel over Korzcak opent met een door Berding eerder geschreven kort theaterstuk. Dat werkt goed. Het is een fijne binnenkomer en Korczak verschijnt direct als betrokken pedagoog.  De foto van Dom Sierot, het weeshuis waar hij op zolder werkte maakt het nog tastbaarder. Wat volgt is een gedetailleerde beschrijving van Korczak zijn pedagogische Bildung: een verhaal vol dramatische ups en downs. Berding mengt deze biografische verhaallijn met citaten uit verschillende bronteksten, wat een een prettige afwisseling is voor de lezer. Ook prettig is dat Berding, zo nu en dan, lessen durft te trekken uit het oeuvre van de verschillende denkers. Zo schrijft hij over Korczak:

‘De grote les uit Korczaks praktijk en de manier waarop hij daarop reflecteert is vooral het idee dat je in de opvoeding steeds opnieuw kunt beginnen. Korczak liet zich door de mislukkingen die hij meemaakte niet ontmoedigen, maar probeerde het opnieuw. Zijn pedagogiek, of beter: zijn praktisch pedagogisch handelen, wordt gekenmerkt door een groot inzicht in de werkelijke praktijk.’ (p. 58).

In het hierop volgende deel illustreert Berding hoe Korczak abstracte idealen als participatie en rechtvaardigheid verwezenlijkt in de vorm van een kinderrechtbank, met wetboek en al. Korczak heeft zo een essentiële bijdrage geleverd aan de realisatie van het denken in termen van kinderrechten. Uiterst fascinerend, zeker voor die tijd, en inspirerend voor de onze. Zoals Berding zelf schrijft:

‘Hoewel Korczak de kinder- en leerlingparticipatie nu ruim een eeuw geleden heeft ‘uitgevonden’, moet deze nog steeds tot volledige ontwikkeling komen in het onderwijs en ander instellingen voor jeugd en jongeren.’ (p. 77).

Wat ik vooral sterk – en soms zelfs ontroerend vond – is hoe Berding Korczak tot leven brengt als actuele, kwetsbare pedagoog die ons veel te leren heeft over de relatie tussen de praktijk, de reflectie daarop en ons streven de onderlinge omgang tussen kinderen te vermenselijken.

John Dewey (1859 – 1952)

De tweede denker is John Dewey, waar Berding in 2011 al een overzichtswerk van verzorgde, getiteld: John Dewey over opvoeding, onderwijs en burgerschap. Een keuze uit zijn werk.  

Het denken van Dewey wordt hier behandeld in drie korte hoofdstukken met aandacht voor zijn leven, werk en kernbegrippen, zijn visie op het curriculum en zijn visie op spel. Hieruit blijkt dat Dewey niets aan actualiteit heeft ingeboet, of wie weet er zelfs wel aan gewonnen heeft. Wat Berding ook duidelijk maakt is dat Dewey te vaak onzorgvuldig wordt ingezet als karikatuur van het nieuwe leren.

In het eerste hoofdstuk komt de op het moment felle strijd tussen ‘traditoneel’ en ‘progressief’ onderwijs aan bod. Een fel debat, bijvoorbeeld op het moment in de UK, waarin Dewey vaak wordt genoemd, zij het te vaak op basis van te losse associaties. Berding is hier uitgesproken over en corrigeert het beeld dat Dewey beschouwd zou kunnen worden als een voorloper van het ‘nieuwe leren’. Hij laat dit onder meer zien met een bespreking van een toespraak uit 1933, die na afloop ook in de New York Times verscheen, met de veelzeggende titel: ‘Dewey Outlines Utopian Schools’.

Het gegeven dat Berding diepgravende kennis bezit over Dewey is uiterst plezierig voor de lezer. Uitspraken worden in de historische context geplaatst, zonder de kracht ervan voor het heden daarmee te willen relativeren. Het Chicago waarin Dewey leefde is bijvoorbeeld van groot belang om zijn labschools initiatief goed te duiden, even als de pedagogische invloed van zijn vrouw Alice Chipman.

Voor mij spreekt uit deze betrokkenheid ook nog iets anders  uit wat recent door Gabriel van den Brink in een podcast met de Correspondent werd aangestipt: het is waardevol om langere tijd met een denker of thema bezig te zijn. Een aantal jaar lang onderzoek doen, met een focus op primaire bronnen, is wellicht niet sexy maar levert wel interessantere boeken op, zo stelde hij. Dat gaat in ieder geval op voor dit deel van het boek van Berding.

Wat het denken betreft vind ik vooral Dewey zijn denken over democratie actueel. Voor Dewey is democratie geen kwestie van één keer per vier jaar stemmen. Berding:

Democratie is het geloof – je zou ook kunnen zeggen: het vertrouwen – (faith) in de menselijke mogelijkheden om het bestaan op humane wijze vorm te geven.’ (p. 101).

Zijn we, bezien vanuit onderwijs en opvoeding, wel kritisch genoeg op de staat van de Nederlandse democratie? We zouden ons, Dewey indachtig, kunnen afvragen wat de staat van de democratie op dit moment nu eigenlijk is. Denk maar eens aan thema’s als ongelijkheid of segregatie. Zijn leraren en opvoeders zich voldoende bewust van het politieke karakter van hun pedagogische verantwoordelijkheid? Doen we er voldoende aan om alle leerlingen in staat te stellen mens te worden? Doen wij er alles aan om alle kinderen te doen participeren in onze samenleving? Doen wij er alles aan om onderling vertrouwen en begrip te cultiveren? Wie het weet mag het zeggen.

Hoofdstuk 6 gaat over het curriculum en sluit direct aan bij het actuele Onderwijs2032 curriculumherzieningsprogramma. Eerder schreef Didactief Online een recensie waarin zij zich toelegden op dit element uit het boek. Wat ik hier vooral uit haal is Berding zijn positionering van Dewey als het standpunt in ‘het juiste midden’: tussen het beeld van de leerling als de passieve ontvanger van al bestaande cultuur en de tegengestelde kindgecentreerde traditie.

Hannah Arendt (1906 – 1975)

Arendt staat heden ten dage volop in de belangstelling. Zo schreef lerarenopleider Anouk Zuurmond over haar onderwijsvisie in de Volkskrant en maakte Joke Hermsen in de Groene Amsterdammer nog eens duidelijk wat tegendraadsheid werkelijk vermag.  In het deel van Arendt vallen er ten minste twee zaken op:

Ten eerste: wat je direct voelt als lezer is dat Arendt en Berding elkaar al langere tijd vergezellen. Tussen de regels door voel je de affectie die Berding voelt voor deze eigenzinnige vrouw. In de regels zelf blijkt dat uit de grondige kennis van het werk van Arendt, gecombineerd met een werkelijk spectaculair vermogen om in korte zinnen historische verbanden kraakhelder uit te leggen, of het nu het antieke Griekse politieke denken betreft of haar relatie tot Immanuel Kant.

Ten tweede: richting het einde van het boek wordt Berding minder braaf en durft hij zelf wat sterker stelling te nemen. Dat is interessant omdat op deze wijze een vierde stem zich manifesteert. Berding verschijnt naar het einde van het boek toe ook steeds vaker aan de lezer.

Zo herformuleert hij Arendt met de stelling:

‘wie denkt dat opvoeding en onderwijs zonder enig risico mogelijk zijn en wie weigert hier voor open te staan, kan maar beter geen opvoeder en zeker geen leraar worden.’ (p. 191).

En iets later:

‘De pedagogische handelingsverlegenheid die we overal om ons heen zien en waarvan ‘laat ze het zelf maar uitzoeken’ de wanhopige, onpedagogische expressie is, maakt duidelijk dat dit [de opvoeding SV] voor de oudere generatie een stevige opdracht is.’

Stevige uitspraken van een man die weet waar hij het over heeft. Wat mij betreft had Ik ben ook een mens naast Korczak, Dewey en Arendt ook een eigen deel Berding gekregen.

Want uiteindelijk gaat het erom dat we, in onze omgang met het pedagogisch erfgoed, respectvol en ambitieus zijn. De ambitie is dan vooral om het denken van deze figuren niet tot denken te beperken maar om hun theorieën te pedagogiseren in onze eigen dagelijkse praktijk. Berding zou ons, naar mijn gevoel, hier nog wat verder mee op weg hebben kunnen helpen. Het eindigt nu met een aanmoediging:

‘het zou goed zijn als leraren hun verhalen vertellen en eigen pedagogische ‘cartografie’ ontwikkelen’ (p.201).

Slot

Glashelder. Erudiet. Ontroerend. Met hier en daar nog onbenut potentieel. Zo opende ik deze bespreking.

Glashelder is een niet te onderschatten kwalificatie. Zoals een docente uit het praktijkonderwijs het verwoorde: ‘Dankzij de klare taal houd ik tijd over om te begrijpen wat er staat. Ik ben niet alleen maar met de woorden bezig.’

Erudiet vanwege de ongeëvenaarde kennis en het vermogen deze op heldere wijze te delen met de lezer.

En ontroerend vanwege de betrokkenheid of zelfs liefde voor deze denkers die er voor zorgen dat ze stuk voor stuk tot leven komen.

‘Eindelijk weer een wijsgerig pedagoog’ las ik op Twitter terug in reactie op het nieuwe boek van Joop Berding. En niet zomaar één, zou ik willen toevoegen, want Ik ben ook een mens:opvoeding en onderwijs aan de hand van Korczak, Dewey en Arendt  is werkelijk een uitmuntend boek. De onbenutte potentie betekent ook een belofte. Ik ben benieuwd naar meer van Berding zelf.

 

Deze boekbespreking is geplaatst binnen de volgende categorieen: 2016, Arendt, Berding, Dewey, Korczak, Pedagogie

3 Comments

  1. Pingback: Wouter Pols – In de wereld komen | onderwijs filosofie

  2. Pingback: Dolf van den Berg – Herstel van de pedagogische dimensie in de ontwikkeling van mens en wereld | onderwijs filosofie

  3. Pingback: Siebren Miedema (red.) – Pedagogiek in meervoud | onderwijs filosofie

Geef een antwoord