“Ik hoop er van harte het beste van.” (Simon Carmiggelt)

Simon Carmiggelt in 1984

Mijn zoon was vijf of zes, ik weet het niet meer precies, maar in elk geval verkeerde hij in de zogenaamde ‘klim-periode’, die je, net als mazelen, nu eenmaal dóór moet. Als ik ‘s ochtends naar mijn werk ging, kwam het vaak voor, dat ik hem in zijn eentje helemaal boven op die muur zag zitten, welgemoed wippend, zoals thuis op zijn stoel. Aangezien de muur een meter of zes hoog was, bleef mijn hart altijd een ogenblik stilstaan op zo’n moment. Mijn gevoel overwoog een reeks impulsieve paniekhandelingen, die gelukkig allemaal van tafel werden geveegd door het verstand, dat mij opdroeg achteloos te zeggen: ‘O, dag.’

‘Dag pap,’ antwoordde hij dan, welwillend op mij neerziend. ‘Zit je lekker?’ vroeg ik vervolgens. ‘Ja hoor,’ zei hij. ‘Nou, dag.’ ‘Dag pap.’ Einde der pedagogische actie.

Met een slap gevoel in mijn kuiten liep ik verder, tot ik op een eerbiedige afstand was, want dan ging ik gauw achter een boom staan loeren. Na een poosje begon het hem daarboven te vervelen en klom hij met de behendigheid van een aap langs een belendende regenpijp naar beneden. Zodra ik zag dat hij vaste grond onder zijn voeten had, ging ik opgelucht mijns weegs. Het was weer eens goed afgelopen.

Persoonlijk geloof ik, dat deze ervaring symbolisch is voor het ouderschap in het algemeen.

Kinderen blijven hun hele jeugd lang op hoge muren klimmen, zonder dat je er eigenlijk iets steekhoudends tegen kunt doen. Als je schreeuwt of vloekt, maak je de kans dat ze naar beneden duvelen alleen maar groter. Underacting lijkt mij de aangewezen stijl – en hopen dat het goed afloopt. Je hebt ook ouders die het doen à la Louis Bouwmeester. Zij kunnen zeker zijn van mijn hoogachting, maar niet van het beoogde resultaat.

Ziet u, dáárom schrijf ik maar geen artikelen voor een pedagogisch blad. Ik zou toch niet verder komen dan één bijdrage, bestaande uit één regel: Ik hoop er van harte het beste van. Dat is als basis te smal. Een oude schoolvriend van mij had een pa, die rustte op een brede basis van (vaak handtastelijke) zekerheden. De grijsaard is allang dood, maar mijn vriend zie ik nog dagelijks, vruchteloos bezig hem ‘naar een groot bos te brengen.’

Want eigenlijk wordt dat sprookje van Klein Duimpje pas goed symbolisch, als je de intrige omdraait, vind ik.

Aldus Simon Carmiggelt in “Spijbelen” (1956).