Alexander Cockburn en Robin Blackburn (red.) – Student Power

Te grote nadruk op examens, de reguliere dwingende lesvormen, de autoriteit van de docent, een te eenzijdig curriculum: het valt op dat zovele thema’s die ook nog vandaag de dag kritiek oproepen in het onderwijs ook toen al allemaal (al zo lang geleden!) onderwerp waren van spanningen. En ook nog eens dusdanig dat je het idee krijgt dat toen al veel fermer dan nu is gezegd wat er moest worden gezegd hierover. En als laatste dat dit toen wél de politieke en maatschappelijke impact had die past bij de onderwerpen waarover het ging.

Het is voornamelijk beschouwd vanuit de Britse situatie van toen, maar een interview met Marcuse en een stuk van ‘studenten van Nanterre’ sluiten het boekje af en maken de bredere orientatie duidelijk. Het is natuurlijk een tijdsdocument. Je leest er de zestiger jaren duidelijk in terug. Het boek kent een in het algemeen vooral sociologische, activistische en analyserende toon. Voornamelijk interessant als je meer wilt weten over de toenmalige ontwikkelingen en gebeurtenissen en hoe hierover werd getheoretiseerd. En de politieke voorkeur is ook al na een paar regels duidelijk verwoord door de redacteuren, het zijn duidelijk linkse en stemmingmakende jongelingen. Cockburn zou later CounterPunch oprichten en veroorzaakte ophef om zijn daarin verwoorde soms radicale en veel bekritiseerde stellingnames. Blackburn was tijdens het schrijven van het boek al betrokken bij de New Left Review en later met name ook bekend is geworden door zijn analyses van slavernij. Jongelingen zijn het eigenlijk allemaal, de schrijvers van de verschillend stukken die in dit boek bij elkaar zijn gebundeld.  Voornamelijk studenten of jonge onderzoekers in Engeland, de leeftijden van de schrijvers lopen van 20 tot 31 jaar. Het waren jonge lui die veel af wisten van waarover ze schreven. Veel van hen waren al wel betrokken waren via journalistiek werk, bepaalde studentenraden of doordat ze betrokken waren bij demonstraties of ongeregeldheden. De bijdragen zijn over het algemeen van behoorlijke kwaliteit.

Twee bijdragen springen er echter uit, in ieder geval genoeg om ze hieronder iets verder uit te werken en hopelijk voor iedereen om ze vandaag de dag nog eens te bestuderen.

De eerste vanwege de geschiedskundige blik op internationaal verzet in relatie het onderwijs. De tekst biedt een  overzicht dat laat zien in hoeverre het onderwijs internationaal een rol speelt in politieke ontwikkelingen, en meer specifiek hoe verzet door studenten tegen onderwijsgerelateerde zaken eigenlijk altijd een relatie heeft tot bredere maatschappelijke omstandigheden of politieke regimes. Het maakt in grote lijnen duidelijk in hoeverre onderwijshervorming en studentprotest toen, en wellicht nu nog, in een dergelijk internationaal politiek kader kan of zelf moet worden begrepen. Daarbij maakt het duidelijk dat studenten maatschappelijk gezien de macht kúnnen grijpen, ook al is er geen geldende formule voor hóe dit moet, maar het wordt wel duidelijk dat de politieke impact enorm kan zijn. Er zijn maar weinig onderwijsfilosofische bronnen die dit uitgangspunt kiezen of overwegen, waarbij onderwijs wordt begrepen in een internationaal politiek (verzets)kader. De tekst is geschreven door Fred Halliday, die later een belangrijke stempel heeft gedrukt op de studie van internationale relaties, studies naar revoluties, en die analytische, normatieve en politieke registers doorkruisde in zijn werk.

Een snelle samenvatting. Belangrijk in zijn overzicht is allereerst het Latijns Amerikaanse verzet. Het is een breedsoortig verzet wat echter met name is beinvloed door het prachtige ‘Cordoba Manifest‘ uit 1918 dat volgens hem de eerste declaratie is van de rechten van de student en wat een aanrader is voor iedereen die zich in de autonomie van de universiteit  en ‘cogo bierno’ (studenten claimen een administratieve en organisatorische rol) interesseert. Daarbij is het sterk militante karakter van het verzet in deze landen opmerkelijk en is het verzet daarmee direct complementair aan politieke actie – wat de verstrekkende impact duidelijk maakt op land en politiek. Zowel een presidentieel bezoek door Nixon (in Peru) als de geheime politie (in bijvoorbeeld Venezuela) bleken niet tegen het studentprotest op te kunnen. In Mexico en Bolivia zijn daarbij nog heel specifieke grootschalige en succesvolle acties geweest die kernachtig worden beschreven en waar aansluiting werd gevonden bij de werkende mensen en daarmee het studentikoze en militante overstijgen. In Europa gebeurde dit pas later. Bij de kapitalistische landen is het vooral in Spanje gelukt een samenwerking en organisatie op te tuigen met het militante proletariaat. In Duitsland, Frankrijk en Italie zie je dat de culturele overwegingen (welk curriculum, de onderwerpen die daarin aan bod komen en de manier waarop gestudeerd wordt) centraal staan. Studenten kiezen hier vaak voor bezettingen. Dit ging bijvoorbeeld in Rome zo ver dat de professoren accepteerden dat in de bezette universiteiten examens werden afgenomen volgens de regels van de studenten. In Duitsland is politieke theorie (Frankfurter School) met name belangrijk en staat het anti-autoritaire centraal. In Frankrijk ligt er meer nadruk op barricades, huisvesting (gerelateerd aan fysieke vrijheid en sexualiteit) en de Algerijnse oorlog. Uiteraard ontbreken China, Cuba en Japan niet in het internationale overzicht, hier zijn wat specifiekere situaties ontstaan. De Chinese protesten zijn eerder gericht op democratisering en kennen een interessant verband tussen enerzijds meer leren en expert worden en aan de andere kant studie laten zitten en onderdeel worden van handwerk in dienst van de massale culturele ontwikkeling. Hoe dan ook is er een harde strijd tegen bureaucratie, autoriteit en privilege. In Cuba is de relatie tussen de rebellen en de studenten misschien nog wel het meest expliciet en kent de relatie tussen onderwijs en politiek dus een heel aparte dynamiek. In Japan zijn na 1940 ineens een heleboel universiteiten opgericht en is het aantal studenten immens toegenomen waaruit problemen voortkwamen die te maken hadden met toelating, kwalificatie en verschil in kwaliteit van universiteiten. Japan is echter als geen ander land het voorbeeld van massale revolutionaire actie binnen geindustrialiseerde landen waar studenten effectieve samenwerking met onderdrukte groepen in de maatschappij tot stand heeft gebracht.

Een andere bijdrage springt eruit omdat de lijn wordt doorgetrokken naar de Amerikaanse context. Met epxliciete verwijzing naar Marx, vanuit revolutionair perspectief, wordt met name Berkeley (1966) en de relatie naar ‘black power‘ gemaakt (de titel verwijst hier dan ook naar). In Amerika stond bij studentprotesten ‘vrijheid’ centraal en moet met name elke vorm van apathie doorbroken worden. Irrelevantie, betekenisloosheid, verveling, fragmentatie zijn de grote problemen waar onderwijs mee te kampen heeft. Ook de raciale segregatie is een groot probleem. Ook toen al werd, in dit geval met Gorz, opgeroepen tot een ‘invitatie’ of uitnodiging om de student tot onderzoek en ontdekking te brengen. Het zou vandaag de dag nog geschreven kunnen worden in relatie tot ICT, techniek en een daarop gebaseerde maatschappij in relatie tot onderwijs en nog steeds een belangrijk standpunt vertegenwoordigen:

It is completely untrue that modern technology demands specialization: quite the reverse. It demands a basic ‘polyvalent’ education, compromising not a fragmentary, pre-digested and specialized knowledge, but an invitation – or, more precisely, a faculty of self-initiation – into methods of scientific-technological research and discovery.

Het argument is, zoals bij Goodman en Friedenberg, dat slecht onderwijs niet komt door ineffectiviteit of slecht werkende scholen, maar juist door heel goed en effectief werkende scholen. Juist dan wordt namelijk het maatschappelijke doel zeer effectief opgelegd en daarmee elk maatschappelijk onrecht effectief aangeleerd wat standaard is door dominantie en onderdrukking waarop het is gebaseerd. Juist ook hier komt de ‘kennisfabriek’ waar bijvoorbeeld onlangs nog ook Raunig naar verwijst al sterk aangehaald en ingezet, de nauwe samenhang tussen onderwijs en bedrijfsleven al geproblematiseerd, en vervreemding (door gebruikswaarde, vorm van productie) aangekaart. De tradionele taak tot socializatie en ‘acculturatie’ (overigens een term die wel weer eens omtrent onderwijs mag worden doordacht) is daarmee overschreden. Administratie en het opleggen van normen, en een nadruk op adverteren beschrijft de dagelijkse praktijk van het onderwijs: in het hoger onderwijs volgens mij nog altijd herkenbaar binnen de hedendaagse situatie.

Carl Davidson is de schrijver van dit tweede stuk, een auteur die altijd is blijven pleiten voor een democratische en socialistische maatschappij, gebaseerd op vrij pragmatische en progressieve linkse ideeën. Met Kerr denkt hij in dit stuk ook na over een oplossing. Een oplossing waar de bovenstaande protesten niet meer nodig zouden zijn en het onderwijs een betere basis zou vinden. Een oplossing waarbij van de universtiteit een multiversiteit wordt gemaakt. Als er dan al een paar belangrijke algemene voorwaarden zijn, dan wel dat elk repressief of disciplinair mechanisme wordt verwijderd uit het onderwijs, dat universele verplichte lessen worden afgeschaft, en het cijfersysteem wordt vernietigd. De studenten moeten de macht hebben, totale controle (samen met docenten) over alle academische aangelegenheden. Eisen die ook vandaag de dag nog een behoorlijk protest of verzet nodig zullen hebben om ze te verwezenlijken. En die nog altijd dusdanig radicaal klinken dat je je afvraagt waarom toen wél massaal werd geprotesteerd en nu niet. Misschien neemt het protest nu andere vormen aan? Of vinden we de eisen niet meer zo realistisch of belangrijk? Als maar niet de apathie nog altijd op de loer ligt. Dat was namelijk waar het toen juist over ging! Geen apathie, je niet neerleggen bij een situatie die je eigenlijk niet zint. Zeker niet als student. Doe mee aan de druksbezochte klassen en laat daar je stem horen over de vorm of de inhoud die in jou ogen problematisch is. Ga de discussie aan, bemoei je met de gang van zaken, stel vragen, daag degenen die het denken te weten uit. De provo‘s en Diggers kunnen verdergaande voorbeelden zijn om aktie te ondernemen. Net wat past bij de omstandigheden en hoe ver men bereid is te gaan. Maar doe wat, geen apathie!

Deze boekbespreking is geplaatst binnen de volgende categorieen: 1969, Autoriteit, Cultuur, ICT in onderwijs, Kennisoverdracht, Marcuse, Politiek en overheidsbeleid, Subversiviteit

Geef een reactie