Alexander Cockburn en Robin Blackburn (red.) – Student Power

Tijd voor demonstraties in het onderwijs! Het kan niet langer zo doorgaan! Leg je werk neer! Organiseer je!

Dit boek is een tijdsdocument. Je leest er de zestiger jaren duidelijk in terug. Het boek kent een in het algemeen vooral sociologische, activistische en analyserende toon. Maar maakt daarbij als geen ander boekje duidelijk waarom zowel nu als toen alle reden is om te demonstreren en welke vormen dit kan en moet aannemen. Managementoverwegingen en beheer van budgetten, te grote nadruk op examens, de overheidswege afgedwongen lesvormen, de positie van de docent, invloed van de docent op het curriculum: het zijn allemaal thema’s die ook nog vandaag de dag kritiek oproepen in het onderwijs maar die vooral ook al in 1969 grote spanning opriepen. Demonstraties waren toen helemaal massaal, ferm en expliciet. Meer nog dan nu, meer dan ooit.

Twee bijdragen uit het boek springen er inhoudelijk uit, in ieder geval genoeg om ze hieronder iets verder te beschouwen. Juist deze twee teksten lijken relevant om vandaag de dag nog eens te bestuderen.

De eerste vanwege de geschiedkundige blik op internationaal verzet in relatie het onderwijs. De tekst biedt een  overzicht dat laat zien in hoeverre het onderwijs internationaal een rol speelt in politieke ontwikkelingen, en meer specifiek hoe verzet in verband met onderwijsgerelateerde zaken eigenlijk altijd een relatie heeft tot bredere maatschappelijke omstandigheden of politieke regimes. Het maakt in grote lijnen duidelijk in hoeverre onderwijshervorming en studentprotest toen, en wellicht ook nu nog, in een dergelijk (internationaal) politiek kader kan, of zelfs moet, worden begrepen. Daarbij maakt het duidelijk dat studenten en kritische docenten maatschappelijk gezien de macht kúnnen grijpen en een beslissende rol kunnen spelen, ook al is er geen geldende formule voor hóe dit moet. Er zijn maar weinig onderwijsfilosofische bronnen die dit uitgangspunt kiezen of overwegen, waarbij onderwijs wordt begrepen in een internationaal politiek (verzets)kader. De tekst is geschreven door Fred Halliday, die later een belangrijke stempel heeft gedrukt op de studie van internationale relaties, studies naar revoluties, en die analytische, normatieve en politieke registers doorkruisde in zijn werk.

Halliday geeft een breed internationaal overzicht. Het startpunt is allereerst het Latijns Amerikaanse verzet. Dit is een veelvorming verzet wat is beïnvloed door het prachtige ‘Cordoba Manifest‘ uit 1918 dat kan worden gezien als de eerste declaratie van de rechten van de student en wat een aanrader is voor iedereen die zich in de autonomie van de universiteit  en een vergaande ‘cogo bierno’ (studenten claimen een administratieve en organisatorische rol) interesseert. Het sterk militante karakter van het verzet dat in deze landen voorkwam – direct complementair aan politieke actie – is opvallend. Zowel een presidentieel bezoek door Nixon (in Peru) als de geheime politie (in bijvoorbeeld Venezuela) bleken niet tegen het studentprotest op te kunnen. In Mexico en Bolivia zijn daarbij nog heel specifieke grootschalige en succesvolle acties geweest waar aansluiting werd gevonden bij een brede groep van arbeiders. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Cuba waar de samenwerking eerder tussen de rebellen en de studenten heel expliciet werd. In Europa kwam dit soort saamhorigheid pas later en bij de kapitalistische landen is het vooral in Spanje gelukt een samenwerking en organisatie op te tuigen met het militante proletariaat. In Duitsland, Frankrijk en Italië zie je dat de culturele overwegingen (de inhoud van het curriculum, dus de onderwerpen die daarin aan bod komen en de manier waarop gestudeerd wordt) meer centraal staan. Studenten kiezen hier vaak voor bezettingen als protestvorm. Dit ging bijvoorbeeld in Rome zo ver dat de professoren accepteerden dat in de bezette universiteiten examens werden afgenomen volgens de regels van de studenten. In Duitsland is politieke theorie (Frankfurter School) zeer sterk aanwezig en staat het anti-autoritaire centraal. In Frankrijk ligt er meer nadruk op barricades, huisvesting (gerelateerd aan fysieke vrijheid en seksualiteit) en de Algerijnse oorlog. Een groot verschil geeft dit dan weer met China en Japan. De Chinese protesten zijn eerder gericht op democratisering. Hier is een spanningsveld zichtbaar tussen enerzijds een verzet gericht op de kans om meer ‘expert te worden’ door middel van studie, en aan de andere kant een oproep studie te laten zitten en te focussen op direct nuttig handwerk – maar beide in dienst van de massale culturele ontwikkeling. Hoe dan is daar een felle en harde strijd geweest tegen bureaucratie, autoriteit en privilege. In Japan zijn na 1940 ineens een heleboel universiteiten opgericht en is het aantal studenten immens toegenomen waaruit problemen voortkwamen die te maken hadden met toelating, kwalificatie en verschil in kwaliteit van universiteiten. Japan is echter als geen ander land het voorbeeld van massale revolutionaire actie binnen geïndustrialiseerde landen waar studenten effectieve samenwerking met onderdrukte groepen in de maatschappij tot stand heeft gebracht.

Een andere bijdrage springt eruit omdat de lijn wordt doorgetrokken naar de Amerikaanse context. Hier wordt met name een lijn geschetst vanuit de protesten in  Berkeley (1966) tot ‘black power‘ bewegingen (de titel ‘student power’ verwijst hier naar) die ook naar de huidige tijd zou kunnen worden doorgetrokken. In Amerika stond in tegenstelling tot de andere landen bij studentprotesten vooral ook ‘vrijheid’ centraal. Vrijheid voor de student, voor de onderdrukte groepen, voor het bepalen van de relevante studieonderwerpen, enzovoorts. En die vrijheid wordt heel actief opgevat. Deze vrijheid zal elke vorm van apathie kunnen doorbreken. Irrelevantie, betekenisloosheid, verveling, fragmentatie zijn de grote problemen waar de maatschappij mee te kampen heeft – daar moet de vrijheid tegenover staan, juist ook in het onderwijs. Ook de raciale segregatie is een groot probleem en ook hier is onvrijheid hetgeen om tegen in protest te komen. Onderwijs moest niet beperken, afbakenen – maar moest, in de opvatting van Gorz, de vorm aannemen van een ‘invitatie’ of uitnodiging. De moderne technologie zou zoiets alles behalve moeten tegengaan:

It is completely untrue that modern technology demands specialization: quite the reverse. It demands a basic ‘polyvalent’ education, compromising not a fragmentary, pre-digested and specialized knowledge, but an invitation – or, more precisely, a faculty of self-initiation – into methods of scientific-technological research and discovery.

Het argument voor demonstratie (in tegenstelling tot gewoon maar proberen in je klas je best te doen) is, zoals bij Goodman en Friedenberg, dat het probleem van onderwijs niet ontstaat door ineffectiviteit of slecht werkende scholen, maar juist door heel goed en effectief werkende scholen met docenten die daarin heel erg hun best doen. Scholen worden nu dusdanig bestuurd en ingekaderd dat het enkel maatschappelijk onrecht effectueert. Je best doen als docent of student betekent dan dus het maatschappelijk onrecht versterken. Daar moeten we radicaal afstand van nemen. De traditionele taak tot socialisatie en ‘acculturatie’ (overigens een term die wel weer eens omtrent onderwijs mag worden doordacht) is al teveel en te lang overschreden. Administratie en het opleggen van normen, en naar buiten toe een nadruk op adverteren, kenmerken de dagelijkse praktijk van het onderwijs en hier zijn demonstraties en verzet het enige antwoord op.

Carl Davidson is de schrijver van dit tweede stuk, een auteur die altijd is blijven pleiten voor een democratische en socialistische maatschappij, gebaseerd op vrij pragmatische en progressieve linkse ideeën. Met Kerr denkt hij in dit stuk ook na over een oplossing. Een oplossing waar de bovenstaande protesten niet meer nodig zouden zijn en het onderwijs een betere basis zou vinden. Een oplossing waarbij van de universtiteit een multiversiteit wordt gemaakt. Een idee dat ook naar andere onderwijsniveaus kan worden doorvertaald. Belangrijke algemene voorwaarden daarvoor zijn dat elk repressief of disciplinair mechanisme wordt verwijderd uit het onderwijs, dat universele verplichte lessen worden afgeschaft, en dat het cijfersysteem wordt vernietigd. De studenten moeten de macht hebben, totale controle (samen met docenten) over alle academische aangelegenheden. Eisen die ook vandaag de dag nog een behoorlijk protest of verzet nodig zullen hebben om ze te verwezenlijken maar uiteindelijk wel een werkelijk alternatief in beeld brengen dat meer is dan een loonsverhoging en werkdrukverlaging.

Keer op keer zie je (zowel bij docenten als studenten of leerlingen) stemmingmakende jongelingen die het voortouw nemen en die de voorhoede blijken van het verzet. Het mooie aan dit boek: stemmingmakende jongelingen zijn dan ook juist de schrijvers zelf van de verschillend stukken die in dit boek bij elkaar zijn gebundeld.  Voornamelijk studenten of jonge onderzoekers in Engeland, de leeftijden van de schrijvers lopen van 20 tot 31 jaar. Het waren echter jonge lui die veel af wisten van waarover ze schreven. Veel van hen waren al wel betrokken bij professioneel journalistiek werk, bij bepaalde studentenraden of actief bij demonstraties of ongeregeldheden. En de meesten van hen hebben dit activistische ook in hun latere carrière doorgezet, op verschillende manieren. Daar kunnen de twee redacteuren symbool voor staan. Cockburn zou later namelijk CounterPunch oprichten en veroorzaakte ophef om zijn soms tenenkrommende stellingnames. Blackburn was tijdens het schrijven van het boek al betrokken bij de New Left Review en is later met name ook bekend is geworden door zijn analyses van slavernij.

Terug naar de protesten en demonstraties van vandaag de dag. Het lijkt erop dat nu vooral werkdruk en lonen het uitgangspunt vormen voor demonstraties (in het basisonderwijs), en dat over het hele onderwijs heen nog altijd wordt geageerd tegen administratie en een zekere neoliberale logica. Juist in de geschiedenis van onderwijsgerelateerde demonstraties en verzet zien we echter dan andere vormen van protest goed (aanvullend) kunnen worden ingezet en dat er een sterkere politieke impact kan worden gemaakt als de link wordt gelegd naar maatschappelijk onrecht buiten het onderwijs. De provo‘s en Diggers kunnen verdergaande voorbeelden zijn om actie te ondernemen die in dit boek opduiken. En nog altijd vormen het interview met Marcuse en een stuk van ‘studenten van Nanterre‘ een prachtige bredere oriëntatie op onderwijsprotest. Net wat past bij de omstandigheden en hoe ver men bereid is te gaan. Maar weet je bij elke demonstratie of bezetting ingebed in een lange, belangrijke en wezenlijke geschiedenis waarin uiteindelijk maatschappelijk onrecht wordt aangepakt en onderwijs voorop loopt om de problemen van de tijd massaal aan te kaarten.

Deze boekbespreking is geplaatst binnen de volgende categorieen: 1969, Autoriteit, Cultuur, Demonstreren, Marcuse, Politiek en overheidsbeleid, Subversiviteit, Universiteit

Geef een reactie