Kees Boeke – Kindergemeenschap

boekeDe kleine dingen van het onderwijs, het doodgewone, is waar Kees Boeke naar eigen zeggen in het onderwijs aandacht voor wilde hebben. Dat ene moertje in de machine die bepaalt of de machine wel of niet draait, of die ene kwaal dit maakt of je wel of niet uit bed kan komen. Boeke heeft aandacht voor de details. Bovenal natuurlijk het details van ‘de werkplaats’. Deze Bilthovense werkplaats was vanaf 1926 gegroeid, toen Boeke dat jaar besloot zijn kinderen zelf op te voeden. Dit besluit werd genomen omdat het schoolgeld van de montessorischool waar zijn kinderen naar tevredenheid zaten, afgedragen aan de staat bleek te worden besteedt door het ministerie van oorlog. Boeke was sterk tegen geweld en militarisme gekeerd en pleitte in talloze congressen voor vreedzame samenwerking en internationale verzoening. Dan maar het onderwijs van de kinderen zelf organiseren. En langzamerhand ook steeds meer voor kinderen van gelijkgestemde ouders. En voor hij het wist werd Boeke gezien als onderwijsvernieuwer, een idealist die radicaal anders wil onderwijzen dan men gewend was.

Zoals in een sterk artikel op basis van archiefmateriaal wordt geconcludeerd:

Kees en Betty waren vrijwel hun hele leven al overtuigd anarchist en pacifist. In de jaren twintig besloten zij geen gebruik meer te maken van de diensten van de overheid, en ook geen belasting meer te betalen. Want de staat, schreef Boeke in 1938 in een terugblik, ‘was tot de ergste daden van geweld, van leugen en bedrog in staat’. ‘Ik besloot dan ook het gebruik van post, telefoon, telegraaf, trein, paspoort en zelfs het gebruik van geld op te geven.’

Helemaal zonder geld de werkplaats starten kon natuurlijk niet, Boeke’s vrouw maakte gelukkig de financiering mogelijk. Haar familie was eigenaar van een grote levensmiddelenfabriek. Toen dit boek in 1934 verscheen bestond de werkplaats al 8 jaar en zou deze opgeschaald kunnen worden, een nog grotere kindergemeenschap. En aan het begin van de tweede wereldoorlog zouden er inderdaad al 200 kinderen op de werkplaats actief zijn.

Boeke noemt zijn werkplaats liever geen school omdat hij niet bezig wil zijn met het scholen van iemand. Het gaat er niet om geschoold te worden, zo schrijft hij in dit boek. Liever de gelegenheid geven door allerlei soort werk zich naar hun eigen aard en aanleg te ontwikkelen. Een plaats dus om te werken. Veelal buiten de maatschappelijke verbanden. Boeke zet zich met de werkplaats echter niet direct tegen andere scholen af, hij schrijft dat hij denkt dat er in allerlei scholen al lang schitterend mooi en eerbiedwaardig werk wordt geleverd. Boeke wil geen grote aanklacht schrijven of de nieuwste en grootste theorie geven van het onderwijs. In tegendeel. Onderwijs blijft zich ontwikkelen. Als eerder pedagogen het goede antwoord op de vragen van het onderwijs hebben gevonden, dan zijn er nu vast en zeker weer nieuwe vragen. Het proces van het zoeken naar ‘steeds beter’ gaat toch door, maar de problemen liggen telkens weer op ander terrein. Boeke doet niet anders dan in zijn werkplaats net zo goed doorontwikkelen als dat andere scholen dat misschien op hun eigen manier doen.

Ik heb generlei verlangen, dat wat ik hier aan de openbaarheid overgeef beschouwd zal worden als een methode (laat staan ‘de’ methode) voor onderwijs of opvoeding. Om deze reden al niet, daar ik niet geloof, dat er één methode bestaan kan, die zonder meer kan worden toegepast òp allen kinderen, zo zeer verschillend van aard en aanleg als zij zijn, of dóór alle opvoeders en leerkrachten om dezelfde reden. Maar bovendien geloof ik, dat nooit mag worden vastgelegd, wat leeft. Zeker, van iets dat groeit en zich ontwikkelt kan wel een momentopname gemaakt worden, die even laat zien hoe het er op een bepaald ogenblik uit ziet, maar als we op zo’n ‘snapshot’ blijven staren, is het of het leven eruit gaat. Wij moeren er even naar kijken en het leven er achter aanvoelen en dan moeten we doorgaan met ons werk.

Het werk op de werkplaats werd gedaan door werkers. Deze werkers (de kinderen) werden bijgestaan door medewerkers en helpers. Helpers kwamen op vaste tijden voor lessen in bepaalde vakken, medewerkers zijn degenen die zich ‘geheel aan het werk geven’. Op de werkplaats wil men zich aan de kinderen geven, hen naar beste weten helpen, leiding geven, hen aansporen tot werk op die gebieden waar aansporing nodig is. De medewerkers moeten (volgens Boeke liever mógen) de kinderen de gelegenheid geven in zo groot mogelijke vrijheid naar aard en aanleg te ontwikkelen, inclusief de gelegenheid zich te ordenen en de innerlijke tucht een ereplaats te geven. Het is het zeilen tussen twee klippen, uiterlijke dwang en bandeloosheid, dat is een goede metafoor voor de opvoeding. Het is een zeer delicaat werk, Boeke vergelijkt het ook met zweefvliegen: snel en gevoelig reageren om het evenwicht te bewaren en beseffen dat fouten daadwerkelijk noodlottig kunnen zijn. Volgens Boeke is het kenmerkende van de ‘docenten’ bij de werkplaats dan ook met name de onderlinge dienstbereidheid en saamhorigheid, en toewijding aan de mensheid als geheel. Een levende cel, cultuurcentrum, harmonisch ontwikkelend. Volgens Boeke zit hier de grootste uitdaging: de docenten dusdanig opleiden zodat meerdere van dit soort cellen kunnen ontstaan. Eigenlijk zit hier de enige of belangrijke fout die Boeke wel wil aangeven richting het onderwijsstelsel: dat iedereen die maar wil onderwijzer of leraar wordt!

De sterke ontwikkelingsgerichtheid, de focus op werk: het boek kenmerkt zich (passend bij deze themas) door talloze fijngevoelige, praktische, handige tips en trucs. Vanaf hoofdstuk vier is dit ook eigenlijk waar het boek van Boeke echt over gaat. De o zo belangrijke ‘bespreking’ als spil van de werkplaats, zaterdag tussen 9 en 10. Naamkaartjes, het karweienboek, het agendaplankje, De Bij (het schoolkranje), de Werkverdeling, opruimlatjes, de ‘rondkijk’, het werkzaamhedenboek. Ook de kleurcode’s die passen bij de vakgroepen, de 400 onderscheiden vakdelen, intonatietekens, werkvellen en controlevellen, duetkaartjes en solokaartjes, uitblokkertjes, de wonderklok, schrijfbruggetjes, optelwissels, optelblokjes, tafelschuif, de stricte dagindelingen. En natuurlijk diverse plattegronden voor optimale werkplaatsen, een heus werkplaatslied, en ook alvast de ook hier al uitgewerkte tiendesprongen die door Boeke later apart in een boek ‘Cosmic View’ zijn uitgewerkt en als basis hebben gediend voor Eames ‘Power of Ten’.

Ook de manier waarop met al deze eigen praktische zaken werd omgegaan staat beschreven. In het citaat hieronder valt te lezen hoe typisch en praktisch bijvoorbeeld de controle van de schoonmaak verloopt door de ‘beller’.

De kinderen worden door de ‘beller’ naar binnen geroepen en gaan in een kring zitten. De algemeen-regelaar heft zijn hand op, anderen zien het teken en heffen ook hun hand op… het wordt stil. Nu begint de andere plechtigheid, ook met een voorafgaande werkzaamheid. (…) Voor elk van de ‘schoonmaakruimten’ vraagt de algemeen-regelaar of die kan ‘wisselen’.  “De grote kamer, kan die wisselen?” “Ja!” klinkt het aan alle kanten. Wat een voldoening voor de twee of drie werkers die vier weken lang die grote kamer hebben schoon gehouden en verzorgd! (…) En wat is het een goede les als een ander, op de vraag of die ‘wisselen mag’ niets hoort antwoorden of wel na een poosje hoort: “nee, ik vind van niet”. (…) Als de vloer niet geregeld het afgesproken aantal keren per week met was geboend is, of de kamer is stoffig geworden, dan zal de gemeenschap dit gemerkt hebben en weigeren deze nalatigheid te laten passeren. Dit is een duidelijk voorbeeld van controle van de gemeenschap op de enkeling waarover ik boven sprak.

Het onderwijs is een praktisch iets, en moet dat zijn. Moeilijke dingen, abstracte dingen moeten concreet worden gemaakt. Altijd iets concreets gebruiken om moeilijkheden op te lossen. Iets hanteerbaars. Handenwerk neemt een zeer belangrijke plaats in op de werkplaats. Dit is heel nuttig, want daardoor wordt alles goed onderhouden, groenten verbouwd, handige leermiddelen gemaakt, enzovoorts. Maar het heeft ook een pedagogisch doel. Men maakt met meer ‘eerbied en zorg’ gebruik van alle spullen om hem heen als hij er zelf mee bezig is geweest om het (mee) te maken. Het zegt kinderen iets over de waarde van dingen, hoeveel moeite iets kost om te maken. Het geeft een ander type uitlaatklep en ook een soort status aan degenen die met hoofdwerk niet zo goed mee kunnen komen. Het geeft een intense vreugde om dingen te maken, zelfs als het een kinderlijk prutsen is. Het nut een de heerlijkheid van werk wordt aangeleerd. Boeke gaat zelfs zover dat er wat hem betreft (in 1934!) een groot gevaar zit in het ‘druk-maar-op-een-knopje-cultuur’ van die dagen. Hij heeft het over een vervlakkende invloed, niemand hoeft meer eens moeite te doen.  Kom bij Boeke niet aan met het idee dat handenarbeid minderwaardig is aan hoofdwerk. Al dat hoofdwerk, kunstwerk, enzovoorts wordt natuurlijk pas mogelijk als er eerst handwerk is verricht om de spullen te maken. Er moet eerst een piano gebouwd worden voordat met piano kan gaan spelen. En ook onder de klussen die moeten worden gedaan is er geen minderwaardige. Allen minderwaardig, want echt de mens onwaardig, is het werk dat mensen schaadt. Werk wat mensen vergiftigd, verdoofd, dat mensen martelt of zelf dood, of hun zielen schaadt. De rest (dus vrijwel al het werk) is werkelijk nodig voor het geluk van mensen, dus allemaal uiterst belangrijk.

Het doel van onderwijs, een hoger doel hoeven zij zichzelf niet te stellen, is simpel en toch ook complex: het waarlijk menselijke in al je daden laten spreken. Het is iets waar we ‘wèl ernst mee moeten maken’, namelijk met toewijding, volharding en met uithoudingsvermogen zorg dragen voor dit waarlijke menselijke. De diepere persoonlijkheid moeten we zien te raken, niet het oppervlakkige bewustzijn wat  bij een mooie redevoering al gauw geraakt is maar ook weer snel terugveert naar de normale gang van zaken.

“Wij zullen wel allen voelen, dat dit woord, eenvoudig als het is, enorme eisen stelt. Want wij weten heel goed, wat van ons geeist wordt, willen wij aanspraak kunnen maken op de naam van mens. En opvoeden tot echte mensen betekent dan ook niet alleen het vormen van krachtige en eerlijke, maar ook van lieve en geestelijk verdiepte mensen, dus het eist niet slechts de harmonische ontwikkeling van al wat wij hebben: ons lichaam, ons intellect, onze kunstzin, maar evenzeer het beteugelen van het dierlijke in ons; het vervangen van de instinctieve zelfhandhaving door een liefdevolle zorg voor anderen; het overwinnen van de drang naar bezit en macht en in plaats daarvan het ontwikkelen van een echt-en-eerlijk dienen van het belang van het geheel.”

Het is een eigen onplooiing van van het eigenlijke ‘ik’, het betere ‘ik’ in ons. Iets wat op basis van dagelijkse omstandigheden en psychologische momenten door een enkel woord of in een langer gesprek, door middel van inzicht en gewoontes worden gevormd. Het altijd weer zoeken naar het redelijke. En aan dit redelijke te gehoorzamen. Het is een zachte beinvloeding die niet tot dwang leidt, maar die vrijwel onzichtbaar ‘trekt’. En niet enkel vanuit een ‘ik punt’ maar als deel van een groter geheel, in steeds wisselende richtingen van beschouwing. Wanneer het eigenlijke ik wordt ontwikkeld zou dat dus tegelijk moeten betekenen de ontwikkeling van de gemeenschap. Persoonlijkheidsontwikkeling is gelijk aan gemeenschapsontwikkeling.

Aldus beschouwd kunnen wij als korte formulering van het doel der opvoeding stellen: elk kind te helpen worden wat hij is.

De vraag is of kinderen altijd zo geholpen zijn te worden wie ze zijn. Met een knipoog zou je dan natuurlijk allereerst kunnen denken aan de koninklijke kinderen die ook in de werkplaats zijn geplaatst en ook weer eraf zijn gehaald. Het doel van de opvoeding is daarmee niet onderuit gehaald. De enige keer dat daadwerkelijk moet worden ingegrepen is als de opvoeder ongedaan moet trachten te maken wat vooraf door ouders en anderen met dwang en vrees-inboezeming verkeerd is gedaan. Dan zal zelfcorrectie vanuit het kind gevaarlijk zijn. Maar verder hoeft de opvoeder niet zoveel zelf in te brengen. Boeke gelooft  in een mysterieus iets, dat ervoor zorgt dat een enkeling uiteindelijk precies weet (juist en absoluut) wat hij behoeft. Daar moet men oog voor hebben. Dus het doel van onderwijs ligt in het kind zelf besloten. Het doet zich voelen in het ‘innterlijk beleven in de stilte van ons hart van de tere dingen die het wezen altijd zijn geweest’. Iets wat wel degelijk religieus genoemd moet worden en waar je als opvoeder naar móet leven aldus Boeke: ‘niemand moet zich begeven in opvoedend werk, die zich niet geestelijk verdiept heeft. Ja, ik wil verder gaan, en zeggen: niemand behoort er in te staan, die niet religieus leeft.’ Boeke spreekt over het Neo-Christendom. En juist met dat uitgangspunt is in veel gevallen ingrijpen door de opvoeder helemaal niet nodig. Dat is waar de opvoeder op rekenen mag en waarop hij zich moet verlaten. Dit zal het noodlottige voorkomen. Van binnen uit zal het leven zelf de oplossing bieden wanneer er problemen ontstaan, ‘vrezende – met hoe goede bedoelingen ook – met de eigen grove handen iets te kneuzen in het onbegrepen groeiproces dat zich in de ontluikende kinderziel voltrekt’.

Daarom het oog voor de details, en de keuze van Boeke om het heel voorzichtig allemaal zelf uit te denken. Het blijft fascinerende dat Boeke juist niét een school wilde starten – en dit vervolgens op een bepaalde manier precies deed. Dat hij niet een revolutionair andere aanpak wilde nastreven – maar dit op een bepaalde manier precies wel ontwikkelde. Dat er nou eenmaal afzonderlijke vakken moesten worden gegeven vanwege utilistische overwegingen – maar dat Boeke eigenlijk juist de samenhang van alles bleef benadrukken en uitdragen. Dat hij kwam tot een zeer gedetailleerd curriculum of lesplan met allerlei vakinhouden – maar eigenlijk enkel om te zorgen dat er bij de kinderen geen hiaten in kennisopbouw of weten ontstonden, iets wat volgens Boeke vooral ook een zorg van de kinderen zelf was. Dat hij zelfs eigen diploma’s is gaan invoeren, als een bewijs van bekwaamheid bij bepaalde proeven – maar dat die helemaal niet gehaald hoefden te worden maar enkel als bewijs konden dienen voor wat iemand had doorstaan (de proef is verplicht, het behalen van het diploma niet). Kortom: Boeke maakte het mogelijk steeds vanaf niets te nadenken over wat de kinderen nodig hadden en enkel ‘school’, ‘vakken’, ‘diploma’s’ en een andere aanpak is in te voeren omdat het nou eenmaal nodig was om de kinderen te helpen – ondanks zijn aanvankelijke weerwil daartegen. En dat dit dan ook altijd  helemaal op een eigen manier ontwikkeld moest worden om die aanvankelijke kritiek mee te nemen in een verbeterd ontwerp. Waarschijnlijk zit daar het belang van het nogmaals bestuderen van Boeke en zijn kindergemeenschap. Aansluitend bij Boeke’s eigen visie: de werkplaats is zoveel mogelijk ontwikkeld om te zijn wat het is en dat inspireert velen en kan dienen al belangrijk voorbeeld.

Als laatste nog iets over de stijl van het Boek: dit boek lees als een rustige, voortstuwende, best dwingend soms, maar altijd doortastend en verder kijkend betoog om nog beter en mooier onderwijs te realiseren. Dit is Boeke als onderwijzer, misschien spreekt hier de toon van de werkplaats uit. Dit is misschien wel het werkelijke opvoedende waar Boeke het over heeft. De manier om mensen zelf aan te zetten tot een eigen werkzaamheid. Elke onderwijzer die even vast zit in zijn dagelijkse beslommeringen doet er goed aan zijn voordeel mee te doen.  Of elke docent die weer contact wil maken met zijn eigen zalvende opvoederstaak. Wat een passie, wat een visie, wat een onophoudelijke, prachtig opbouw met terugkerende thema’s en herhalende refreinen. Maar soms ook een beetje te gemaakt vlijend, gewoon, bezielend? Misschien zegt de tekst van de KNAW het wel mooi: ‘Door zijn pedagogisch werk was hij allengs minder radicaal geworden, maar hij bleef een visionair, met een sterke charismatische uitstralingskracht. Even typerend voor zijn uitzonderlijke, naïef-gecompliceerde persoonlijkheid echter was zijn musische naturel, waarvan tal van strijd- of gelegenheidsliederen en liedjes, voor samenkomsten of voor het alledaagse schoolleven gecomponeerd, getuigen, evenals de opmerkelijke muziekuitvoeringen, die jarenlang onder zijn bezielende leiding plaatsvonden.’

“Hou je van lezen, gespannen en lang? Van ritme en dansen, muziek en gezang? Zeg wil je mee streven, om beter te leven? Werk dan mee in de Werkplaats, Onze Werkplaats!”

One Comment

  1. Pingback: Ton Verstegen (red.) – Een traditie van verandering | onderwijs filosofie

Geef een reactie