Philippe Meirieu: weerstand en opvoeding (Simon Verwer)

Ik, Simon Verwer, oriënteer mij op dit moment op het maken van een Nederlandse vertaling van het werk van de Franstalige onderwijspedagoog Philippe Meirieu (@philippemeirieu). Mijn interesse in zijn werk werd gewekt toen ik zijn naam steeds vaker tegen kwam in het werk van onder meer Gert Biesta, Wouter Pols en Joop Berding. Hieronder een inleidende tekst van Wouter Pols en Hans van Combrugge die eerder verscheen in het zeer lezenswaardige tijdschrift Pedagogiek in Praktijk.

Hans Van Crombrugge is hoofdlector pedagogiek aan het Kenniscentrum Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen van de Hogeschool-Universiteit Brussel (HUB-KaHo).

Wouter Pols is docent-onderzoeker aan het Kenniscentrum Talentontwikkeling van de Hogeschool Rotterdam.

Philippe Meirieu: weerstand en opvoeding

Wouter Pols en Hans Van Crombrugge

Frankrijk heeft een lange pedagogische traditie. Rousseau schreef er aan de vooravond van de Franse Revolutie zijn Emile. Twee eeuwen eerder schreef Montaigne er zijn beroemde essay Over de opvoeding van kinderen. Daarin stelde hij dat je geen dwang op het kind moet uitoefenen en hem niet moet volstoppen met boekenkennis. ‘Een welgevormde geest is beter, dan een welgevulde’, was zijn stelling.

De pedagogiek van Philippe Meirieu staat in die lange pedagogische traditie. Meirieu (1949) is hoogleraar aan de Universiteit Lumière-Lyon 2. Hij studeerde filosofie, haalde zijn lerarenbevoegdheid, gaf op basis- en middelbare scholen les, promoveerde en werd hoogleraar. Aan het eind van de jaren negentig adviseerde hij de toenmalige minister van onderwijs (Claude Allègre) over de inrichting van de lycées. Hij was enkele jaren directeur van het Franse nationale pedagogisch onderzoeksinstituut (INRP) en ook directeur van de lerarenopleiding van de Universiteit Lumière-Lyon 2. De laatste jaren is hij actief voor de Groene Partij (Les Verts). Meirieu schreef meer dan dertig boeken. Vele ervan zijn meerdere malen herdrukt. Hij trad – en treedt nog steeds – in debat met bekende politici, wetenschappers en filosofen. Zijn rol als praktisch pedagoog is (als onderwijsvernieuwer en opleider) is weliswaar uitgespeeld, maar niet die van de debater en criticus van het huidige Franse en Europese onderwijsbeleid. In Frankrijk is Meirieu nog steeds de pedagoog bij uitstek. Hij staat voor de pedagogiek of beter nog: voor de opdracht die de pedagogiek inhoudt.

Tussen spreken en doen
La pédagogie, entre le dire et le faire (1995) biedt wellicht de beste toegang tot Meirieus pedagogiek. Pedagogiek, zo zegt hij, bevindt zich tussen ‘spreken’ en ‘doen’, tussen wat de wetenschappen over opvoeding en onderwijs te berde brengen en het opvoeden en onderwijzen zelf. Voor Meirieu is de pedagogiek een theorie van en voor de praktijk. De oproep om op te voeden gaat echter niet van de theorie uit; die gaat van het kind of de jongere uit. Die doet een appèl op hem. Opvoeden, zo zegt Meirieu in Le choix d’éduquer (1991), is een keuze. Daarbij gaat het altijd om de ander. Niet om wat de ander mij te bieden heeft, maar om de ander in de strikte zin van het woord: de ander die ik niet ken. De vraag is steeds: ‘Sta ik de ander toe om ten overstaan van mij, zelfs als dat tegen mijn belangen ingaat, een subject te zijn?’ (1991, p. 12). Als je opvoedt, kies je voor de subjectiviteit van het kind; en dat is voor Meirieu: kiezen voor zijn emancipatie.

De ‘grond’ van opvoeden en onderwijzen ligt dus niet in een theorie; die ligt in het appèl dat van het kind of de jongere uitgaat. Dat appèl uit zich in wat Meirieu het ‘pedagogisch moment’ noemt. Hij spreekt hier over weerstand (‘résistance’). Het moment ontstaat als het kind weerstand biedt, ‘als de leraar, zonder de educatieve taak waar hij voor staat op te geven, ontdekt dat de leerling tegenover hem zich aan zijn macht ontsnapt, hem niet begrijpt, zonder twijfel leidt onder de vernedering van dat niet begrijpen en het feit dat hij wordt buitengesloten’ (1995, pp. 55-56). Die weerstand daagt de opvoeder uit zich voor het kind in te zetten; het is die weerstand die hem uit zijn zelfgenoegzaamheid haalt en een appèl op hem doet het kind bij te staan een subject te worden.

Geloven in de opvoedbaarheid van het kind
In een van zijn laatste boeken Pédagogie: des lieux communs aux concepts clés (2013) laat Meirieu zien dat de pedagogiek niet alleen tussen wetenschap en praktijk staat, maar ook tussen wetenschap en filosofie. De moderne filosofie poneert de mens als vrij subject; voor de wetenschap is de mens echter een gedetermineerd wezen. De pedagogiek beschouwt het kind (als mens in wording) nog niet geheel en al als vrij subject, maar evenmin geheel en al gedetermineerd. De subjectiviteit van het kind die de opvoeder poneert, is een zich te vormen subjectiviteit. Hij roept het kind op, maar staat hem ook bij vrij te worden. Vrijheid is niet gelijk aan spontaniteit; vrijheid betekent afstand nemen, weerstand bieden tegen wat van binnen (impulsen) en van buiten (invloeden) op je afkomt. Vrijheid veronderstelt nadenken. Meirieu citeert Kant: ‘De rede moet zichzelf als auteur van haar principes beschouwen, onafhankelijk van vreemde invloeden´. Daarom zegt de opvoeder met Kant: ‘Heb de moed je verstand te gebruiken’. De omstandigheden waarin een kind opgroeit mogen dan ook nooit als excuses voor zijn doen en laten worden gebruikt; je mag ze nooit gebruiken om ‘de basale pedagogische eis “de oproep tot vrijheid” te verdoezelen’ (2013, p. 131).

Vanuit het appèl dat het kind op je doet, kiezen voor zijn subjectiviteit. Dat is Meirieus pedagogische boodschap. Maar op dat appèl zou de opvoeder nooit ingaan als hij niet zou geloven dat het kind opvoedbaar is. Een opvoeder gelooft in de opvoedbaarheid (‘éducabilité’) van het kind. Meirieu schrijft:’ … ga door met het blijven gokken op het succes van de ander, doe alles om er te komen, zonder er iets voor terug te krijgen’ (1991, p. 45). Opvoedbaarheid is een fundamenteel pedagogisch principe. In Pédagogie: le devoir de résister (2007) laat Meirieu zien dat dit principe nauw samenhangt met dat andere fundamentele pedagogische principe: dat van de vrijheid. ‘Die twee principes tezamen structureren de pedagogiek: zou je je alleen aan het eerste principe houden dan zou opvoeding omslaan in dressuur, zou je je alleen aan het tweede houden dan zou opvoeden een fatalistisch gebeuren worden. Bij elkaar genomen zetten ze ons steeds weer aan situaties te bedenken die degene de leert in staat stelt zijn vrijheid te affirmeren’ (2007, p. 63).

Geloven in de opvoedbaarheid van het kind vraagt om vertrouwen: vertrouwen dat het kind kan worden opgevoed en onderwezen. Maar de opvoeder zal ook vertrouwen moeten hebben in zijn eigen pedagogische mogelijkheden. Zou dat niet het geval zijn, dan zou hij niet aan opvoeding beginnen. Hier ligt een valkuil. Want heeft de opvoeder te veel geloof in zichzelf, dan loopt hij het gevaar een dwingeland te worden die, als de opvoeding niet gaat zoals hij wenst, liever het kind zal afstoten dan zichzelf ter discussie te stellen. Meirieu benadrukt daarom dat als je opvoedt, je steeds het echec moet incalculeren. Opvoeden en onderwijzen met respect voor en in antwoord op de subjectiviteit van het kind, kun je volgens hem alleen maar doen alsof je de mogelijkheid bezit het kind op te voeden. Het heeft een fictie als uitgangspunt. Die fictie houdt niet alleen in dat het kind kan worden opgevoed, maar ook dat de opvoeder kan opvoeden. Zonder die pedagogische fictie zijn opvoeding en onderwijs ondenkbaar.

Een pedagogisch ingericht schoolhuis
De vraag die zich opdringt is hoe vanuit die fictie op te voeden. Hoe kun je een kind of jongere tot vrijheid brengen? Hoe de pedagogische fictie ‘waar’ te ‘maken’?
Daarvoor is een pedagogisch ingericht schoolhuis essentieel. In Faire l’École, faire la classe (2004) schrijft Meirieu dat de school een domus moet zijn: ‘een huis dat al bestaat voor de komst van het kind, een huis met geschiedenis, gewoonten en codes. (…) In dat huis zal het moeten integreren, en … op een dag het ook weer moeten verlaten’ (p. 25). Integratie vraagt van het kind dat het zich aan de ‘wet’ houdt. Meirieu noemt: niet ten koste van anderen leven, geen geweld gebruiken, niets kapot maken. Alleen als ieder zich daaraan houdt, kan er worden samengeleefd en dan kan er een ´gedeelde wereld´ ontstaan. ‘Domesticeren’ gaat hand in hand met emanciperen. Vrij kun je pas worden als je afstand kunt nemen en weerstand biedt aan wat zich – van binnen en van buiten – aan je opdringt.

Voor Meirieu is de school niet zo zeer een dienst (een ‘service’) aan het individu, maar een instituut waar de jongere generatie toegang tot een gedeelde wereld krijgt. De leraar is een ‘instituteur’. In de school worden kinderen en jongeren geconfronteerd met wat de oudere generatie waard vindt om over te dragen. Daarmee overstijgt ze het privé-leven van het kind. De school is er om het kind een toekomst te verschaffen, maar ze is er evenzeer om de wereld waarin ze het kind introduceert voort te laten bestaan. Bij dat introduceren speelt wat de oudere generatie van waarde acht om te worden overgedragen een essentiële rol. Meirieu spreekt over ‘culturele objecten’, respectievelijk ‘kennisobjecten’: de culturele gereedschappen die in de verschillende schoolvakken liggen opgeslagen. Hij noemt ze ‘gemeenschappelijke referenten’ (1994, p. 113): zowel de leraar als de leerling richten zich erop. De taak van de leraar is de leerling met die ‘tools’ kennis te laten maken en ze te leren gebruiken. En precies dat stelt het kind in staat over wat zich aandient na te denken en – in het verlengde ervan – overwogen te handelen. De culturele objecten vormen zo de voorwaarden waaronder een kind een subject kan worden. Meirieu: ‘De school moet weerstand bieden en de almacht van de (zich opdringende) opinies weerstaan. Juist door ´kennisobjecten´ aan te bieden stelt ze leerlingen in staat hun opinies weloverwogen tot uitdrukking te brengen. Zonder kennis geen uitdrukkingsmogelijkheden, zonder kennisobjecten geen debat’ (2004, p. 25).

Voor Meirieu is de school een plaats waar de jongere generatie wordt ‘gedomesticeerd’, maar zich ook emancipeert, een plaats waar ze zich voegt, maar ook vrij wordt. Opvoeden en onderwijzen vragen om een voortdurend balanceren tussen het kind, de groep en de leerstof (de ‘culturele objecten’). De vraag is steeds hoe bied ik de stof zo aan mijn leerlingen aan dat ze ermee tot leren komen. Hoe laat ik de stof voor hen ‘spreken’? Veel van zijn in de jaren tachtig geschreven boeken gaan daarover, bijvoorbeeld Apprendre… oui, mais comment (1987), maar ook het later geschreven Lettre à un jeune professeur (2005). In die boeken treft de lezer tal van praktische voorstellen aan. Onderwijs dient volgens Meirieu leerlingen in probleemsituaties te brengen waarin ze uitgedaagd worden obstakels te overwinnen. Het moet leerlingen in beweging te brengen, zorgen voor cognitieve verschuivingen, voor transformaties: een nieuw inzicht (vgl. Meirieu 1999, p. 84). Daarbij is samen leren cruciaal, maar wel op zo’n manier dat de verschillen tussen kinderen tot hun recht kunnen komen. Vanuit dat idee propageert Meirieu gedifferentieerde onderwijsarrangementen waarin leerlingen zowel in heterogene als in homogene groepen (‘behoeftegroepen’) werken. Emancipatie is voor hem geen individuele aangelegenheid: het vereist niet alleen samen leren, maar ook samen leven. En daar dient de school zich op te richten.

Literatuur
Meirieu, Ph. (1987). Apprendre… oui, mais comment. Paris: ESF.
Meirieu, Ph. (1991). Le choix d’éduquer. Paris: ESF.
Meirieu, Ph. (1995). La pédagogie, entre le dire et le faire. Paris: ESF.
Meirieu, Ph. (1999). Des enfants et des hommes. Paris: ESF.
Meirieu, Ph. (2004). Faire l’École, faire la classe. Issy-les-Moulineaux: ESF.
Meirieu, Ph. (2005). Lettre à un jeune professeur. Issy-les-Moulineaux: ESF.
Meirieu, Ph. (2007). Pédagogie: le devoir de résister. Issy-les-Moulineaux: ESF.
Meireiu, Ph. (2013). Pédagogie: des lieux communs aux concepts clés. Issy-les-Moulineaux: ESF.

Zie ook: www.meirieu.com Site de Philippe Meirieu met tal van artikelen, commentaren, colleges, columns en films van en over Philippe Meirieu.

Hans Van Crombrugge is hoofdlector pedagogiek aan het Kenniscentrum Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen van de Hogeschool-Universiteit Brussel (HUB-KaHo). Wouter Pols is docent-onderzoeker aan het Kenniscentrum Talentontwikkeling van de Hogeschool Rotterdam.

5 Comments

  1. Hester IJsseling

    Dankjewel Simon, heel interessant na lezen van Biesta’s Het Prachtige Risico van Onderwijs. Zie uit naar vertaling van zijn werk!

  2. Pingback: Subjectvorming en het curriculum | Jasper Rijpma

  3. Pingback: Philippe Meirieu – Pedagogiek, de plicht om weerstand te bieden | onderwijs filosofie

  4. Marga Bloupot-Sloots

    Nog een vertaler nodig?
    Vorig jaar mijn master SEN gehaald en doctorandus in de Franse Taal- en Letterkunde.

  5. Peter te Riele

    Zeer interessante samenvatting van werk waar ik nog maar pas mee in aanraking ben gekomen. Behoorlijk revolutionair en provocatief in het Nederlandse onderwijs anno 2018.

Laat een reactie achter op Marga Bloupot-Sloots Reactie annuleren